(Over)leven in de natuur
(Over)leven in de natuur Om aan te geven wat de natuur zoal te bieden heeft draagt deze website wetenswaardigheden aan van bepaalde planten en van een aantal dieren. Daarnaast worden ook verschillende technieken en vaardigheden behandeld.
prehistorie, overleven, natuur, bewustwording, bushcraft, survival, planten, bomen, struiken, dieren, verzamelen, jagen, vissen, gebruiksvoorwerpen, water, vuur, koken, lijm, houtteer, zeep, muziekinstrumenten, dierensporen, spoorzoeken
Welkom
Planten
Kruidachtige planten
Houtachtige planten
Verzamelen
Dieren
Zoogdieren
Insecten
Slakken en wormen
Vogels
Vissen
Natuurbeleving
Jagen
Dierensporen
Spoorzoeken
Vallen en strikken
Vissen
Algemeen
Dranken
Gebruiksmaterialen
Hygiëne
Koken
Lijm en houtteer
Natuurgeneeskunde
Voedsel bewaren
Touw
Vuur
GastenboekWelkom bij het gastenboek.Graagvernemen wijuw opmerkingen over de website en de inhoud ervan. Hetzelfde geldt als unog ideeën of aanvullingen heeft.
Een leven als jager-verzamelaar stond in het teken van overleven. Door op pad te gaan voor het verzamelen van eetbareplanten en het jagen op wilde dieren zorgden zij elke dag weer voor voldoende voedsel. Het leven van dejager-verzamelaars was een primitief leven en vaak hadden zij geen vaste verblijfsplaats, maar trokken zij in kleine groepen rond op zoek naar nieuwe gebieden waar genoeg voedsel te vinden was. Om te kunnen overleven was voor de jager-verzamelaars kennis van de natuur zeer belangrijk, want zij waren van deze natuur afhankelijk. Kennis van de planten, de dieren en de seizoenen. Zij konden zich aanpassen aan de mogelijkheden en de moeilijkheden van hun omgeving door het gebruik van hun kennis en vaardigheden. Wat de mens nodig had kon de natuur hen bieden. Om aan te geven wat de natuur de mens nog steeds zoal te biedenheeft draagt deze website wetens- waardigheden aan van bepaalde planten, waarbij hun kenmerken, vindplaatsen en toepassingen worden besproken, en van een aantal dieren die zoal in het noordelijke deel van Europa voorkomen. Daarnaast worden verschillende technieken behandeld waarbij alleen natuurlijke materialen worden gebruikt en worden vaardighedenbesproken die door de jager-verzamelaars en/ofdoor de eerste boerenwerden toegepast. De website vormt als het ware een soort koppeling van kennis van toen en nu.
Aan deze website wordt gewerk.Onze excuses voor mogelijke (tekstuele) fouten, ontbreken van tekstof het ontbreken van koppelingen naar andere webpagina's.
Planten
Gedurende het grootste deel van zijn bestaan is de mens jager/verzamelaar geweest. Naast de jacht leverden het verzamelen vanplantaardig voedsel alles wat nodig was om te overleven.Planten, die het meeste nut hebben voor mensen, werden in overvloed door de natuur geleverd. De leden van een groep jager-verzamelaars wisten precies welke planten in welke tijd van het jaar op welke plek te vinden waren. Veel delen van planten, zoals de bloemen, stengels, bladeren, wortels, zaden en vruchtenzijn eetbaar. In het voorjaar werden bijvoorbeeld groentes als zuring enmelganzenvoet verzameld en in de herfst diverse vruchten als bramen, appels en vlierbessen.Van brandnetels werd brandnetelsoep getrokken ende bladeren van de paardebloem werden gebruikt als een salade. Ook wilde noten en bessen zijn uitstekend voedsel dat nog gemakkelijk bewaard kon worden.Hazelnoten werden waarschijnlijk voor de winter opgeslagen en vruchten konden worden bewaard door er jam van te maken. Sommige planten werden als kruid gebruikt om de geur en smaak van gerechten te verbeteren. Niet alleen zijn veel plantendelen eetbaar, maar sommige planten zijn ook leveranciers van allerlei bruikbare materialen, zoals vezels en wortels om touw van te maken.Veel planten zijn niet alleen voedzaam, maar daarnaast hebben sommige planten ookgeneeskrachtige eigenschappen.Van deze geneeskrachtige eigenschappenis voor duizenden jarengebruik gemaakt en sommige planten worden nog steeds gebruikt. De meest voorkomende en ook gebruikte planten vormden de zaadplanten of wel bloemplanten. Zaadplanten kunnen worden ingedeeld in: houtachtige plantenen kruidachtige planten.
Planten
Dieren
Naast het verzamelen van eetbare planten of plantendelen, zoals noten, bessen en wortels, leefden de mensen in de prehistorische tijden van de jacht en de visvangst. Daarnaast werden ook andere dieren, zoals insecten, wormen en slakken verzameld. De jacht op wild leverden naast voedsel voor de mens allerlei bruikbare materialen op, zoals huiden en leer voor kleding of schoeisel, bedekking voor boten en beschutting, touw gevlochten van haar, gelatine van de hoeven, pezen voor touw of als boogpees, vishaken en naalden van de botten, vet gesmolten voor lampenolie, geweien als tentharingen, veren als isolatiemateriaal tegen de kou of voor het maken van pijlen bij een boog of speerwerper. Om een jacht succesvol te maken was het belangrijk dat een jager kennis had vande leefgewoontes van een dier, zoalsvoedselvergaring,terreingebruiken schuil- en woonplaatsen. Vooral toen het klimaat veranderde en de open toendra’s plaats begonnen te maken voor uitgebreide bossen bestaande uit berken, dennen, eiken, hazelaars, iepenen elzen. Mens en dier pasten zich hier echter goed bij aan. De visvangst vormde een belangrijke vorm van voedselwinning. De mensen gebruikten fuiken, netten, lijnen met een benen haak en speren om verschillende soorten vis te vangen. Door de vissen te roken of te zouten konden ze over een langere periode worden bewaard. Insecten vormen de grootste groep van dieren en leven zowel op het land als in zoet water.Hoewel insecten over het algemeen klein zijn, komen ze in zo’n grote hoeveelheden voor dat ze makkelijk verzameld konden worden. Insecten vormden de meest betrouwbare voedsel, maar waren alleen in bepaalde seizoenen te verzamelen. Insecten werden in verschillende ontwikkelings- stadia (ei, larve, pop, volwassen insect) gegeten.
Dieren
Geschiedenis http://www.het-stenen-tijdperk.nl/ Op deze site vind je informatie over een aantal onvolprezen steentijdtechnieken als het maken van stenen werktuigen, bogen en pijlen en het looien van leer. Ook kun je replica’s van voorwerpen uit de steentijd bestellen en demonstraties en cursussen boeken. http://www.ijzertijdboerderij.nl/ Een bezoek zal leuk en leerzaam zijn voor iedereen die in de oudheid geïnteresseerd is, van amateur-archeoloog tot schoolgroep. Je kunt rondlopen in een stukje prehistorie en kennis maken met het dagelijkse werk op een IJzertijdboerderij zoals schalen maken uit klei, manden te vlechten, broodbakken in een leemoven of op een open vuurtje. (zie ook http://ijzertijdboerderij.web-log.nl) http://geschiedenis-en-larp.jouwpagina.nl/Een startpagina waarbij verwijzingen worden gemaakt naar verschillende tijdsperiodes en oude volkeren, zoals de prehistorie,de oude egyptenaren,maar ook de 19e en 20e eeuw. Ook zijn er verwijzingen naar oude ambachten en technieken enrond LARP.http://www.historisch-openluchtmuseum-eindhoven.nl/ Het museum bestaat uit een reconstructie van een prehistorisch dorpje 'Eversham' uit de ijzertijd en een middeleeuws stadje 'Endehoven'. Ze bieden vele originele activiteiten en ook grote evenementen. http://www.hapsproject.nl/ De bedoeling van het Haps-project is volwassenen en kinderen te leren op een betrokken en verantwoorde manier om te gaan met de natuur. In het Haps-dorp wordt zo goed mogelijk het leven in de IJzertijd zo'n 500 jaar voor Chr. - nageleefd. Dat betekent proberen zonder de gemakken van de moderne tijd in het dagelijks onderhoud te voorzien: brood bakken, water halen, dieren hoeden, bessen zoeken, de akker zaaiklaar maken,hoeve en omheining onderhouden, weven, spinnen. Kortom, van heel dichtbij de natuur ervaren die ons voedsel en grondstoffen verschaft. www.wilhelminaoord.comEr zijn speciale activiteiten mogelijk op aanvraag, bijvoorbeeld bronsgieten, mandenvlechten, voedsel bereiden, textiele technieken of vuursteen slaan. Het centrum is niet open voor dagjesmensen. Wilhelminaoord ligt vlak aan de grens tussen Drenthe, Friesland en Overijssel, vlakbij een laagveengebied met uitgestrekte moerassen en meren. Een afwisselende omgeving met bossen, venen en dorpen die al 1000 jaar oud zijn. http://www.utrechtsbuitencentrum.nl http://prehistorie.uwstart.nlEen startpagina met veelzijdige informatie over de prehistorie, zoals over de dinosauriërs, prehistorische planten en dieren ende steen- en bronstijd.Bushcraft Er zijn veel organisaties in europa die verschillende technieken en vaardigheden over bushcraft kunnen leren. Een aantal in Nederland en België staan hier onder vermeld: http://www.extrasurvival.nlBij EXTRAleer je (te) over-leven in de natuur, met respect voor die natuur. Geen vermaak-cursussen dus, geen abseilen, klimmen, personeelsuitjes of afzien! Bij EXTRA kun je ook geen cursus 'Indiaan-Zijn' volgen, geen zweverige toestanden; natuur moet geen religie worden. "Nature is not sentimental, the wilderness is no place for fancifull idealism" (Ray Mears). Iedereen die iets wil leren over 'buiten' is meer dan welkom! http://www.thuis-op-aarde.nl/Zij geven ervaringscursussen in overlevingstechnieken en natuurbeleving. Alle cursussen hebben hetzelfde doel: Thuis op aarde. Door te leren overleven met alleen de aarde als hulpmiddel. http://www.tornakbushcraft.nl De site is voor zowel de beginnende als de ervaren buiten mens die in, van en met de natuur wil leven. http://www.bushcraft.beBushcraft iseen kleine organisatie die naast workshops en trektochten vooral bushcraft cursussen organiseert. Om te kunnen leven van en in de natuur, moet er aan een aantal voorwaarden voldaan worden: onderdak, vuur, water en voedsel. Naast deze vier voorwaarden staat vooral de natuur centraal in al onze cursussen en workshops en werken we aan het thuisgevoel in de natuur. Dit doen we door al onze zintuigen te (her)gebruiken. http://www.capbohan.beVoor iedereen die de rust van de natuur wenst te combineren met een leerrijke ervaring. De cursussen van de Trekkingschool zijn bedoeld voor volwassenen, de gemiddelde leeftijd ligt meestal tussen 20 en 50 jaar met een grote groep rond 30 jaar. Tieners die gemotiveerd zijn en een groep volwassen niet vertragen zijn welkom op alle cursussen mits onder begeleiding van een volwassene. Er is geen voorafgaande kennis nodig. Iedereen die meer wil leren over verschillende aspecten van (rugzak)trekking of van (leven in) de natuur kan terecht bij onze cursussen. Je kan voor alle cursussen individueel inschrijven. Sporenkunde http://www.sporenkunde.nl/ Sporenkunde.nl is een website / Trainings & Kennis centrum welke zich tot doel gesteld heeft sporenkunde in Nederland en Europa meer bekendheid te geven. Natuurhttp://natuur.favorietje.nlEen zeer uitgebreide startpagina.Deze startpagina verwijst naar allerlei aspecten die met de natuur te maken hebben,o.a. over natuurgebieden en natuurparken, natuurorganisaties, natuurbescherming en informatie over verschillende planten, dieren, mossen en paddestoelen. http://www.pfaf.org/ Plants for A Future vormt een bron aan zeldzame en ongewone planten, met name planten die eetbaar zijn, een medicinale werking hebben ofop een andere manier gebruikt kunnen worden.hun leefgebieden. http://www.vzz.nl/ De zoogdieren vereniging VZZ zet zich in voor de studie en bescherming van alle in het wild levende zoogdieren en hun leefgebieden. De VZZ is zowel nationaal als internationaal actief. Overige http://www.ebelglastra.nl Ebel Glastra maakt unieke, natuurlijke en gezonde leefruimtes. Hij besteedt hierbij speciaal aandacht aan de vormgeving van de ruimte. Bijzonder is zijn gebruik van de combinatie van leem met de natuurlijke vormen van hout. Ook geeft hij verschillende workshops een workshop leem-bakovens bouwen, een workshop Leem-stucen aan huis of elders.
http://wilde-planten.nl/
Links
De mens in de prehistorie verdient een enorme respect wat betreft hun kennis, vaardigheden en mogelijk- heden om zich te kunnen handhaven. Ze waren in staat om praktische, maar ook verfijnde voorwerpen te maken van verschillende materialen, zoals bot en gewei. Jager-verzamelaars trokken rond in groepen en hun kamp werd in gebieden opgeslagen waar ze gemakkelijk konden jagen. Het meedragen van bezittingen was bij het rondtrekken lastig, daarom namen ze zo weinig mogelijkmee.Toen geleidelijk aan de hoofd- zakelijk steeds meer kwam te liggen op akkerbouw en veeteelt, en het verzamelen van wilde planten en de jacht slechts een onder- steunende functie kreeg, werden gebruiksvoorwerpen steeds meer gespecialiseerd, zodat het makkelijker werd om in de levens- behoeften te voorzien. Daarbij werden ook nieuwe technieken en gereedschappen uitgevonden. Het gebruik van klei zorgde ervoor dat er gekookt kon worden in aardewerken potten. Ook moest er opbergmateriaal worden gemaakt, zoals manden, containers en verschil- lende soorten aardewerk, om voedsel te kunnen bewaren. Vuur vormde de kern waarop het bestaan in de prehistorie draaide. Het vuur werd gebruikt om te koken, licht te maken en zich te ver- warmen, maar waarschijnlijk vormde een kampvuur ook een sociale ontmoetingspunt waar verhalen werden verteld en muziek werd gemaakt. Geleidelijk aan kwamen er steeds meer toepassingen voor het vuur bij. Bijvoorbeeld het maken van aardewerk. Ten tijde van de eerste jager- verzamelaars en van de eerste boeren valt te verwachten dat er naastwater ook andere dranken werden gedronken. Water kon toen direct uit beken en rivieren worden gedronken, maar samen met bepaalde kruiden kon er ook thee worden gezet. Ook kunnen bepaalde bomen, zoals berk en esdoorn, sap leveren. Tevens kan dit sap worden ingekookt tot siroop en suiker. Vruchtensap is eenvoudig te maken door allerlei vruchten apart of samen te koken met water en honing of siroop. Centraal binnen het leven van de prehistorische mens stond de natuur. Wat de mens nodig had kon de natuur hen bieden. Op bepaalde dingen in de natuur hadden ze echter geen vat, zoals ziekte. Vanuit de verbondenheid met de natuur leerde de mens de genees- krachtige en preventieve werking van bepaalde planten. Ook wisten ze andere materialen te gebruiken voor de natuurgeneeskunde.
Algemeen
Natuurbeleving
In de ontwikkeling van de mens is een lange periode geweest waarin hij slechts verzamelaar was. Hij was voor zijn voedsel afhankelijk van wat hij vond tijdens zijn rondzwervingen en met het verzamelen van voedsel; op deze wijze was het grootste deel van zijn leven gevuld. Later werd hij ook jager, wat inhield dat hij zelf actie ondernam om voedsel, in de vorm van eiwitrijk vlees, te bemachtigen. Door op pad te gaan voor het verzamelen van eetbareplanten en het jagen op wilde dieren zorgden zij elke dag weer voor voldoende voedsel. Om te kunnen overleven was voor de jager-verzamelaars kennis van de natuur zeer belangrijk, want zij waren van deze natuur afhankelijk. Kennis van de planten, de dieren en de seizoenen. Zij waren in staat omzich aan te passen aan de mogelijkheden en de moeilijkheden van hun omgeving door het gebruik van hun kennis en vaardigheden. Wat de mens nodig had kon de natuur hen bieden.De kwetsbaarheid van de mens stimuleerde de ontwikkeling van de samenwerkingsgeest en het verstand, waaruit zich een verfijnde evolutie ontwikkelde over jachtmethoden en jachtwapens. In de steentijd leefden veel verschillende soorten dieren, zoals wild zwijn, edelhert, ree, eland, bunzing, marter, bever en otter, maar ook eend, gans en zwaan. De jacht op wild leverden, naast voedsel voor de mens, allerlei bruikbare materialen op, zoals huiden en leer voor kleding of schoeisel, bedekking voor boten en beschutting, touw gevlochten van haar, gelatine van de hoeven, pezen voor touw of als boogpees, vishaken en naalden van de botten, geweien als tentharingen, veren als isolatiemateriaal tegen de kou of voor het maken van pijlen bij een boog of speerwerper. Jagen in de prehistorische periodes vereiste speciale vaardigheden, zoals spoorzoeken, en de creativiteit om de jacht te plannen en uit te voeren. Om een jacht succesvol te maken was het belangrijk dat een jager kennis had vande leefgewoontes van een dier, zoalsvoedselvergaring, terreingebruiken schuil- en woonplaatsen, zodat hij in staat was om zijn prooi te vinden. Vooral toen het klimaat veranderde en de open toendra’s plaats begonnen te maken voor uitgebreide bossen bestaande uit berken, dennen, hazelaars, eiken, iepen en elzen. In plaats van de directe jacht kon een jager ook strikken en vallen gebruiken om zo een prooi te verkrijgen. Een val of strik zetten betrof niet alleen de kennis van de werking en constructie van een bepaalde val of strik, maar ook een kennis van de gewoontes van een dier. Het is niet bekend of de jager-verzamelaars gebruik maakten van vallen en strikken. Het is echter een gemakkelijke manier om met name kleine dieren te vangen, want het vergt minder vaardigheden en minder tijd. De visvangst vormde een andere belangrijke vorm van voedselwinning. De mensen gebruikten fuiken, netten, lijnen met een benen haak en speren om verschillende soorten vis te vangen, zoals snoek, brasem, karper, baars, blankvoorn, paling, meerval, zalm, elft en steur. Door de vissen te roken of te zouten konden ze over een langere periode worden bewaard.
Logo
Egel
De egel (Erinaceus europaeus) is vooral bekend om zijn stekelige vacht en zijn gewoonte om zich bij gevaar op te rollen. Egels zijn solitaire dieren. Soms kan een paartje een nest delen, maar dit is voor een korte tijd. Groepen egels zijn meestal een moeder met haar jongen. Het geluid van egels bestaat vaak uit snuiven bij het eten en knorren bij gevaar. Van de zintuigen zijn vooral het gehoor en de reukzin goed ontwikkeld. Ze kunnen goed klimmen en zwemmen. De lengte is ongeveer tot 27,5 centimeter en ze worden 12 tot 15 cm hoog. Hij weegt tussen de 300 en 1100 gram. De grootte en het lichaamsgewicht zijn afhankelijk van leeftijd en geslacht; over het algemeen zijn volwassen mannetjes het grootst en het zwaarst. De rug van de egel is bedekt met ongeveer 7000 tot 8000 stekels van 2 tot 3 centimeter en bij bedreiging rolt de egel zich op tot een bal. Deze stekelige bal vormt een goede bescherming tegen natuurlijke vijanden, zoals de das en de vos. Hij wisselt zijn stekelsonregelmatig, maar gemiddeld gaan stekels zo'n 18 maanden mee. Waar stekels ontbreken is de huid bedekt met stugge haren die op de buikzijde geelwit tot bruin zijn. De haren rond de ogen zijn wat donkerder. Leefwijze en voedsel Egels zijn echte nachtdieren, die gemiddeld zo'n 70 g voedsel per nacht eten. Overdag slapen ze in een moeilijk te vinden nest van bladeren, mos of ander materiaal dat zich vaak onder (braam)struiken of takkenbossen bevindt. Egels zijn altijd alleen op stap en vormen geen vaste paartjes. Ze hebben een min of meer vast 'leefgebied' (mannetjes 20-40 ha, vrouwtjes 10-20 ha), maar ze hebben geen territorium dat ze verdedigen tegen soortgenoten. Dankzij hun goede reukvermogen en gehoor weten ze veel kevers, rupsen, regenwormen, oorwurmen en slakken op te sporen. Ook eten ze spinnen, en een enkele keer grijpen ze kleine gewerveld dieren als kikkers, hagedissen, jonge knaagdieren, vogeleieren en aas. Tevens eten ze plantaardig voedsel als vruchten en padden- stoelen. De normale levensverwachting is 4 tot 7 jaar, maar met een maximum tot 10 jaar. De belangrijkste doodsoorzaak is waarschijnlijk verhongering tijdens de winterslaap. In de herfst als de temperatuur daalt en het voedselaanbod schaars wordt, gaat de egel een groot deel van het jaar (november/ december tot april/mei) in winterslaap, waaruit ze af en toe wakker kunnen worden. Voor de winterslaap bouwt hij een nest van gras en bladeren. De meeste egels wisselen in de winter meerdere keren van nest. Tijdens de winterslaap daalt hun lichaamstem- peratuur van circa 35° tot circa 5 °C en verliezen ze ongeveer 30% van hun gewicht. Voortplanting Na het ontwaken uit de winterslaap begint het paarseizoen. De paartijd duurt vrij lang (mei tot september). Paren is een langdurig liefdesspel, dat omzichtig, maar vooral ook voorzichtig gebeurt. De draagtijd van de egel bedraagt 31 tot 35 dagen. Het vrouwtje werpt tussen juni en oktober gemiddeld vier (twee tot acht) kale, dove en blinde jongen. Na een paar uur verschijnen echter witte stekels. Binnen enkele weken worden deze vervangen door een tweede en derde generatie bruinkleurige stekels. Die stekels blijven ongeveer 18 maanden zitten en worden geleidelijk vervangen. De jongen worden geboren in een nest van gras en bladeren en soms wordt er gebruik gemaakt van verlaten konijnenholen. Zogen en opvoeden gebeurt alleen door het vrouwtje. Jongen kunnen zich na 11 dagen oprollen, en na 22 dagen verlaten ze voor het eerst het nest. De jongen worden na vier tot zes weken gespeend. Daarna worden ze door de moeder verstoten en moeten ze zichzelf weten te redden. Egels hebben een of twee worpen per jaar. Leefgebied Egels komen voor in de loofbossen, vochtige wieden en grasvelden. Ze zijn vooral dol op overgangsgebeiden waar de leef- gebieden samenkomen. Zekomen ook voor in begroeide zandduinen, maar zelden in naaldbossen of boven de boomgrens in de bergen. Sporen Egels gebruiken 's nachts veelvuldig onverharde wegen en paden. Daarom zijn hun sporen makkelijk te vinden in vochtig zand of opdrogende modder. Deprenten zijn te herkennen aan de vrij lange tenen.De voorvoet is 25 tot 30 mm breed en 40 mm lang. De achtervoet is 25 mm breed en 45 mm lang. De spreidingsafstandis 10 cm en de paslengte komt tot 15 cm. De gitzwarte uitwerpselen zijn makkelijk te vinden. Vaak glinsteren die door de niet verteerde delen van keverschilden. De uitwerpselen zijn zeer bros, cilindervormig, 3 tot 6 cm lang en hebben een diameter rond de 1 cm. Indien egelsmuizen hebben gegeten, zijn de uitwerpselen doffer, steviger en bevatten botfragmenten en haren. In de nazomer en de herfst zitten er soms ook resten van bessen in. Naar boven
Egel
Mol
De mol (Talpa europaea)heeft een zwarte, fluweelachtige dichte vacht. De haren van zijn vacht zijn op zo'n manier in de huid geplaatst dat ze elke kant op kunnen bewegen. De mol heeft grote tot graafhanden omgevormde voorpoten, met elk vier vingers en een duim met puntige nagels, waarmee hij uitstekend kan graven. De mol heeft kleine, slecht ontwikkelde ogen, maar hij is niet blind. Hij heeft een spitse, slurfvormige roze snuit met gevoelige snorharen en tastzenuwen en een klein staartje. Hij heeft geen uitwendige oren en ook zijn nek is niet te zien doordat die zo gespierd is. De mol is 11 tot 16 cm lang, de staartlengte is 2,5 tot 4 cm en het gewicht is 60 tot 140 gr. Mannetjes zijn iets groter en zwaarder dan vrouwtjes. Leefwijze en voedsel De mol leidt een solitair bestaan. Hij is zowel overdag als 's nachts actief. Hij wisselt periodes van activiteit en rust continu af. Zo'n periode duurt enkele uren. De mol verblijft vrijwel zijn gehele leven ondergronds. Door zijn speciale rechte haarinplant kan de mol even gemakkelijk voor- als achterwaarts door de gangen bewegen. Mollen kunnen goed zwemmen en klimmen. De mol graaft diepe en ondiepe gangen tot 1 meter diep, waarvan de totale lengte 60 meter kan bedragen. De gangen worden ook wel tunnels genoemd. Bij het graven ontstaan hopen zand,de bekende molshopen. In bosgebieden liggen de molshopen dikwijls onder afgevallen bladeren verborgen. De mol kan uitstekend graven, de oppervlaktegangen graaft hij met een snelheid van 12 tot 15 meter per uur. Tijdens het graven wordt de aarde langszij naar achteren gewerkt en vervolgens naar buiten geduwd. Soms liggen de gangen zo dicht aan de oppervlakte, dat ze te zien zijn door de omhoog gewerkte grond. Deze oppervlaktegangen worden 'mollenritten' genoemd en worden gemaakt als mollen op zoek zijn naar regenwormen, door jonge mollen op zoek naar een eigen territorium of door volwassen mannetjes in de paartijd. Wanneer de burcht voldoende voedsel oplevert, neemt de graafactiviteit van de mol af. De mol onderhoudt zijn gangenstelsel goed en sluit uitgangen zo nodig van binnen af. De mol eet uitsluitend dierlijk voedsel. Het gangenstelsel van de mol fungeert hierbij als een val voor ongewervelde dieren; tijdens voedselrondes door zijn gangenstelsel, verschalkt hij de dieren die in de gangen zijn gevallen. Het belangrijkste voedsel is de regenworm. Daarnaast eet hij ook larven, insecten, spinnen of slakken en soms kleine ongewervelde dieren, zoals jonge muizen, of eieren. In naaldbossen eet de mol ook veel kevers. In het voor- en najaar legt de mol een voedselvoorraad aan van regenwormen, die worden opgeslagen in ondergrondse kamers. Wanneer de bodem droog is, komt de mol aan de oppervlakte om naar water te zoeken, bijvoorbeeld dauw. Voortplanting en leeftijd In de paartijd (februari-april) gaan mannetjes op zoek naar vrouwtjes. Ze verlaten hun territorium en graven lange mollenritten, totdat ze een vrouwtje hebben gevonden. In mei of juni worden de jongen geboren. Na een draagtijd van circa 28 dagen werpt het wijfje in het nest in de centrale ruimte 3 tot 6 (soms 2 tot 7) naakte en blinde jongen. De jongen zijn dan 3,5 gram zwaar. Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen. Na 14 dagen hebben de jongen een vacht ontwikkeld. De ogen gaan na circa 22 dagen open, en na 33 dagen verlaten de jongen voor het eerst het nest. Na 4 tot 5 weken worden de jongen gespeend. Na twee maanden zijn de jongen zelfstandig en verlaten ze het nest om een eigen territorium te zoeken, waarbij mollen met elkaar in gevecht kunnen komen. Dit zoeken naar een nieuw territorium gebeurt meestal bovengronds. Mollen zijn geslachtsrijp na 11 maanden. De mol wordt meestal ongeveer 3 jaar oud, maar kan de 7 jaar halen. Sporen De prenten of een spoor zijn van een mol zeldzaam, omdat hij voornamelijk ondergronds leeft. Van de voorvoet zijn alleen vier, vijf of zes puntjes te zien, omdat door de stand van de schopvormig vergroeide voorpoten alleen de nagels de bodem. De zesde afdruk ontstaat doordat de voorvoeten naast de vijf tenen een extra schijnteentje heeft. De achtervoet is in vergelijking met de voorvoet smaller en kleiner. De achtervoet bestaat uit vijf tenen en lange nagels. Tussen de prenten van de voeten is een sleepspoor van het lichaam en omdat de voorvoeten sterk buitenwaarts gericht zijn, staan de prenten aan beide kanten van het schuifspoor. De spreiding van de achtervoeten (30 tot 40 mm) is kleiner dan van de voorvoeten (tot 80 mm). Uitwerpselen van de mol zijn 3 tot 20 mm lang en ongeveer 2 tot 5 mm in doorsnee. Ze zijn donkerbruin tot zwart met restanten van regenwormen en insectenlarven. Vaak zijn ze aan een kant puntig en aan de ander kant stomp, de vorm is afhankelijk van het gegeten voedsel. De uitwerpselen worden zelden gevonden. Soms liggen ze bovenop een molshoop of in een geopende gang. Naar boven
Mol
Konijn
Konijnen (Oryctolagus cuniculus) behoren niet tot de knaagdieren maar tot de haasachtigen, een aparte diergroep. Het verschil is dat haasachtigen achter de grote bovensnijtanden een paar stifttanden hebben staan, in tegen- stelling tot knaagdieren. Haasachtigen hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen Konijnen hebben grote achterpoten, lange oren, grote ogen en terugtrekbare huidflapjes voor de neusgaten. Konijnen hebben een grijsbruine vacht met een okerkleurige nek. Een vrouwtje, voedster of moer, heeft een iets smallere kop dan een mannetje, rammelaar, en is over het algemeen iets minder zwaar. De oorpunten hebben een dun donker randje aan de buitenzijde. De korte staart is zwart van boven en wit aan de onderkant. De staart is meestal opgewipt, zodat alleen de witte onderzijde zichtbaar is. In plaats van kussentjes zit er op de voetzolen een dikke haarvacht. Onder de kin zitten klieren die een stof afgeven om het territorium mee af te bakenen.Konijnen hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen. Konijnen hebben een grijsbruine vacht met een okerkleurige nek. Konijnen hebben een lengte van 35 tot 45 cm en een oorlengte van 6,5 tot 7,5 cm. Het gewicht is 1,2 tot 2,5 kg. Voedsel Wilde konijnen eten vrijwel alleen plantaardig voedsel. Ze eten graag eiwitrijke en lichtverteerbare plantendelen, zoals scheuten en wortels van grassen en kruiden, en loten van jonge struiken en bomen. Omdat konijnen ruim voldoende vocht kunnen halen uit hun voedsel, hoeven ze vrijwel niet te drinken. Konijnen en herten eten dezelfde planten. Vaak eten konijnen hun keutels op om nog niet verteerd voedsel er alsnog uit te kunnen halen. De keutels zijn meestal kogelrond en twee keer zo klein als die van hazen. Ze zijn glimmend donkergroen (vers) tot zwartgrijs of bruingeel (oud) van kleur. Keutels van konijnen zijn meestal in hoopjes bij elkaar te vinden. Leefgebied Konijnen komen voornamelijk voor in grasland en open bosachtig gebied, zoals de duinen. Ze zijn voornamelijk in de schemering en in de nacht actief. maar in rustige gebieden worden ze ook wel overdag gezien. Ze leven in vrij grote kolonies. Meestal wonen de konijnen in zelf gegraven gangenstelsels, maar soms wonen ze in oude vossen- of dassenburchten. Een konijn heeft een voorkeur voor zandige bodems waarin ze makkelijk kunnen graven. Ze prefereren halfopen landschappen en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven. Bij harde bodems zijn ze ook tevreden met een zelf gegraven leger (kuiltje), maar ze zijn dan wel kwetsbaar voor roofdieren. Meestal blijft het leefgebied beperkt tot een cirkel met een straal van 50 m rond het holenstelsel. De voorpoot van het konijn is speciaal gebouwd om mee te graven en met de achterpoten wordt de losse aarde naar achteren getrapt. Het hol bestaat uit twee soorten pijpen: wijde hoofdpijpen en de vluchtpijpen. De pijpen komen samen in een centrale woonruimte. De hoofdpijpen hebben soms een doorsnede van zo’n 15 cm en worden op sommige plaatsen wijder, zodat de dieren elkaar kunnen passeren. De hoofdpijpen leiden naar woonkamers die altijd aan het einde van een pijp liggen. Er zijn aparte vluchtgangen, die veel nauwer zijn dan gewone gangen en vaak onder bladeren verborgen liggen. Een hol wordt door één familie van maximaal tien leden bewoond. Binnen de familie bestaat een rangorde. Voortplanting De mannetjes kunnen paren met verschillende vrouwtjes, maar meestal hebben ze een vaste partner. Ieder vrouwtje heeft, binnen het gebied waar ze met z`n allen leven, haar eigen territorium. De eerste worpen komen ongeveer in maart en dan volgen de worpen elkaar op tot in oktober. Aan de paring gaat een hofmakerij vooraf waarbij het mannetje het vrouwtje achternazit. De dracht duurt ongeveer 28 dagen. Het drachtige vrouwtje graaft een aparte kraamkamer, kraamwentel genaamd, voor haar jongen, die vaak ver van het hol afligt. Deze ligt nooit dicht bij het woonhol, omdat de kans bestaat dat de vader de jongen opeet. Een kraamkamer ligt aan het eind van een gang die gewoonlijk ongeveer een meter lang is en niet diep ligt. Het vrouwtje bekleedt deze kamer met haar dat ze van de buik aftrekt en met gedroogd blad of gras. Het vrouwtje bezoekt de jongen een à twee keer per dag om ze te zogen, wat in een minuut of drie gebeurd is. De ingang van het kraamhol wordt na elk bezoek zorgvuldig dichtgemaakt en verstopt onder droog gras. Een worp kan variëren van 3 tot 8 jongen. De pasgeboren konijnen, zijn naakt, blind en doof. De eerste tien dagen kunnen ze zich nauwelijks bewegen. Op de elfde dag gaan de ogen open. In een paar dagen kunnen de jonge konijnen goed lopen en maken ze al tochtjes buiten het nest. Met 16 dagen gaan ze vast voedsel eten. Een pasgeboren konijn weegt 30 gram. In 3-6 weken loopt dat op tot 250 gram. Een konijn is na 12 maanden geslachtsrijp. Vijanden De voornaamste vijanden van het konijn zijn de buizerd, de hermelijn, de wezel, de bunzing en de vos. Een verschrikt konijn geeft alarmsignalen door met de beide achterpoten tegelijk op de grond te roffelen. Alle konijnen binnen gehoorafstand rennen dan onmiddellijk naar hun hol. Een konijn dat doodsbang is voor de dreigende aanval van een hermelijn schreeuwt luid. Verder zijn het zwijgzame dieren, op het knorren en grommen na dat een moeder doet als ze met haar kinderen bezig is. Hazen en konijnen komen meestal niet naast elkaar voor. Wanneer konijnen verschijnen dan vertrekken meestal de hazen. Sporen De pootafdrukken zijn ongeveer 25 mm breed en 35 mm (voorvoet) tot 40 mm (achtervoet) lang, met elk vierteenafdrukken. De afstand tussen de pootafdrukken is afhankelijk van de loopsnelheid en loopt uiteen van25 cm (zeer langzaam) tot 2,5 m (vlucht). Twijgen en kruidachtige planten die door konijnen zijn gegetenzijn meestal onder een hoek van 45°scherp afgebeten. Konijnen hebben lange voortanden, zodat hunbijtsporen vaak parallelle groeven vertonen.De breedte van de twee bovensnijtanden is 6 tot 7 mm.Bij konijnen loopt er midden over de bovenste snijtandeneen smalle groef, die in de snijvlakken van debovensnijtanden zichtbaaris. De keutels zijn meestal kogelrond en twee keer zo klein als die van hazen. Ze zijn glimmend donkergroen (vers) tot zwartgrijs of bruingeel (oud) van kleur. Keutels van konijnen zijn meestal in hoopjes bij elkaar te vinden. Vaak eten konijnen hun keutels op om nog niet verteerd voedsel er alsnog uit te kunnen halen. Konijnen schrapen op veel plaatsen putjes in de grond. Ze zijn meestal enkele centimeters diep en hebben een lengte tot ongeveer 10 cm. De uitgegraven aarde ligt als een klein bergje bij. En daarboven liggen bijna altijd keutels op. De konijnenholen hebben ongeveer een doorsnede van 15 cm, maar oudere holingangen kunnen veel groter zijn, waardoor de holen verward kunnen worden met die van een vos of das.De waaiers van uitgewerkte zand zijn goed zichtbaar. Bij oudere holen zijn er in de opgehoopte zandbergen loopgeulen ontstaan die meestal in een rechte lijn uit het hol lopen, soms wel meters ver. Op opvallende plekken, zoals een boomstronk of een ondiepe plek, ligt vaakeen latrine waar alle konijnen hun keutels komen deponeren. Naar boven
Konijn
Sneeuwhaas
De sneeuwhaas (Lepus timidus) is kleiner en zwaarder van bouw dan de Europese haas. Tevens hebben ze kortere oorschelpen en poten en is de bovenzijde van de staart niet zwartgekleurd. Het dier heeft een zomer- en winter- vacht. 's Zomers zijn ze grijzig bruin en 's winters geheel of gedeeltelijk wit van kleur. De staart van de sneeuwhaas is geheel wit, zowel in de zomer als de winter. De oorpunten zijn daarentegen het gehele jaar door zwart. In sommige gebieden wordt de wintervacht niet compleet wit, omdat daar 's winters meestal geen pak sneeuw ligt. Omgekeerd houden sneeuwhazen in het hoge noorden het gehele jaar de wintervacht. De rui van zomervacht naar wintervacht is over het algemeen van midden oktober tot december, de rui van winter- naar zomervacht is meestal tussen midden februari en eind mei. In de rui van winter- naar zomervacht wordt meestal eerst de kop bruin. Het dier is tussen de 45 en 60 cmlang, de staart 4 tot 8 cm en de oorlengte 4 tot 8 cm.Hij weegt tussen de 2 en 5,5 kg. Vrouwtjes zijn zwaarder dan mannetjes. Leefwijze en voedsel De sneeuwhaas is voornamelijk 's nachts en in de schemering actief, maar bij sneeuwval ook overdag. Tijdens de paartijd laat hij zich vaker overdag zien. Het is over het algemeen een solitaire soort. Soms eet hij in grote groepen van tot wel zeventig dieren, bijvoorbeeld in plekken met een hoge voedselkwaliteit. De sneeuwhaas graaft (anders dan de meeste echte hazen) soms een hol, bijvoorbeeld als schuilplaats tegen de kou. Ook betrekken ze vaak het hol van een konijn. Het hol wordt enkel gebruikt als bescherming tegen weersomstandigheden, bij gevaar vlucht hij weg. De sneeuwhaas voedt zich met twijgen, knoppen, schors en bessen van verscheidene plantensoorten als berk, jeneverbes, wilg, populier, gaspeldoorn, heide en blauwe bosbes. Zomers eet hij grassen, kruiden, klavers, peulvruchten en soms landbouw- gewassen. Ook eet hij zijn eigen keutels. Voortplanting De paartijd duurt van februari tot augustus. Een vrouwtje krijgt één tot drie worpen per jaar. Na een draagtijd van vijftig dagen worden één tot vijf jongen geboren (maximaal acht). De jongen zijn bij de geboorte volledig behaard en de ogen zijn open. De jongen blijven een week op de plaats waar ze geboren zijn, waarna ze op verkenning uitgaan. Ze keren nog wel terug naar de geboorteplek om te worden gezoogd. Over het algemeen worden de jongen een uur na zonsondergang gezoogd, maar ze kunnen ook vaker worden gezoogd. Het vrouwtje blijft de eerste drie weken, gedurende de zoogtijd dicht bij haar jongen. Bij gevaar waarschuwt zij de jongen met een klikkend geluid. Ze zal haar jongen bij gevaar verdedigen. Door de zeer voedselrijke melk groeien de jongen vrij snel. De jongen zijn het volgende jaar geslachtsrijp. De sneeuwhaas wordt maximaal negen jaar oud. Roofvogels, zoals de steenarend en de sneeuwuil, vormen zijn belangrijkste vijand. Vooral jonge dieren vallen hier dikwijls aan ten prooi. Andere roofvijanden zijn wolf, vos, lynx en hermelijn. De hermelijn vangt net als de grote roofvogels veel jongen. De sneeuwhaas kan een snelheid van 64 kilometer per uur bereiken. Sporen De keutels van de sneeuwhaas lijken sterk op die van de haas, maar zijn over het algemeen een wat kleiner. Ze zijn bruin of grijs- groen van kleur. Ze zijn op willekeurige plaatsen in het foerageergebied te vinden. Soms betreft het grotere aantallen en een andere keer vormen de uitwerpselen van klompen op plekken waar de dieren op uitkijk hebben gelegen of beschutting zochten voor de wind. ’s Winters zijn er uitwerpselen te vinden op kruidenrijke plekken die vrij van sneeuw zijn en op plaatsen waar de sneeuwhaas boom- schors heeft gegeten. Sneeuwhazen hebben hun legers tussen rotsblokken of in heidestruiken. De legergrootte vormt precies het formaat en de contouren van de sneeuwhaas. Als de sneeuwhaas in zijn rusthouding ligt, ligt hij met de achterpoten onder de buik. Naar boven
Sneeuwhaas
Haas
Hazen (Lepus europaeus) behoren niet tot de knaagdieren, maar tot de haasachtigen, een aparte diergroep. Het verschil is dat haasachtigen achter de grote bovensnijtanden een paar stifttanden hebben staan, in tegenstelling tot knaagdieren. Haasachtigen hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen. Verder hebben ze lange achterpoten en oren. De vacht is grijs-, rood- of geelbruin, de buik en de onderkant van de staart zijn wit, de wangen zijn geel en de toppen van de oren zijn zwart. De grote oren (lepels) kunnen zich in de richting van het geluid draaien, zodat ze het gevaar aan kunnen horen komen. De snorharen helpen om in het donker de weg te vinden. Ze kunnen daarbij ook heel goed ruiken. De ogen zijn groot, rond en goudbruin en worden omringd door lichtere vacht. Daardoor kunnen ze een groot gebied overzien. De vacht bestaat uit drie haartypen: een ondervacht, donsharen en dekharen.Door hun knaaggedrag worden ze wel tot de 'kleine grazers' gerekend en hebben ze een grote invloed op de vegetatie. De lengte van de haas ligt tussen 50-65 cm, de oorlengte 9-15 cm en de staartlengte is 9 cm. Het gewicht ligt tussen 3 tot 5 kg. Een haas wordt 4 tot 5 jaar oud. Een haas heeft een gewicht van 2,5 tot 7 kg. Leefwijze en voedsel Hazen leven solitair en komen alleen bij elkaar tijdens de paartijd. Hazen zijn voornamelijk actief in de vooravond en ’s nachts, in de zomer ook wel in de schemering en overdag.Legers zijn kuiltjes in het veld waar ze rusten en hun jongen ter wereld brengen. Tijdens de rui, in de lente en de herfst, bevindt zich haar in een leger. Verder vormen de vaste paden, de wissels, een duidelijke herkenbare patroon. De wissels lopen over het platteland en door openingen in hagen. Hazen zijn snelle renners. Bijzonder is dat ze tijdens het rennen scherpe bochtenkunnen maken (haken slaan) om aan hun vijand te ontkomen. Door zijn waakzaamheid en snelheid wordt een volwassen dier zelden het slachtoffer van rovers, zoals buizerds, uilen en vossen. Het voedsel bestaat grotendeels uit grassen (winter) en kruiden(zomer), maar ze eten ookander plantaardig materiaal zoals akker- bouwproducten. Dit is echter afhankelijk van het leefgebied en het seizoen. Als er een tekort aan gras is, eten hazen knoppen, scheuten, twijgjes, bast, zaden en bessen en gedroogde grassen en kruiden. Hazen hebben een spijsvertering die zo ontwikkeld is dat er grote hoeveelheden voedsel tegelijk verwerkt kunnen worden. Vraat van konijnen, maar ook van hazen, is te herkennen aan stengels en takken die schuin en scherp zijn afgesneden met de lange voortanden. Hazen produceren ronde, soms iets afgeplatte uitwerpselen ofwel keutels. Leefgebied Hazen zijn van oorsprong steppebewoners hebben een voorkeur voor gras- en bouwland en hebben hun legers bij bosranden, onder heggen, of in het hoge gras Voortplanting De paartijd is van januari tot juli. Na een draagtijd ongeveer 42 dagen worden tussen eind januari en oktober doorgaans vier tot 6 nesten jonge haasjes geboren en per worptot 6 jongen. Pasgeboren haasjes zijn volledig behaard en hebben de ogen open. Na de geboorte worden de jongen nog ongeveer 1 maand gezoogd. Al na één of enkele dagen verlaten de haasjes de geboorteplek. Ze komen daar echter elke dag, drie kwartier na zonsondergang, weer terug. Sporen Hazen hebben aan de voorvoet vijf tenen en is 30 tot 35 mm breed en 40 mm lang. De achtervoet is lang en smal met vier tenen en is 35 mm breed en 60 mm lang. De spreiding is 12 tot 16 cm. De paslengte is 40 (de huppelgang) tot 350 cm (springengalop), altijd in vier sprongen. Bij hazensporen zijn soms sterke afbuigen te zien of het weer teruggaan op het eigen spoor om het spoor dood te laten lopen. Bij de springengalop worden de achtervoeten ver voor de voorvoeten geplaatst, die bij deze manier van voortbewegen achter elkaar komen te staan. De keutels van hazen zijn ongeveer twee maal zo groot als van konijnen en hebben een diameter van 15 tot 20 mm. Ze zijn of zacht en vochtig of hard en vezelrijk. De kleur is donkergroen tot groenzwart in de zomer en in de winter meer geelbruin. Hazen eten de zachte en vochtige uitwerpselen weer op en zo halen ze de optimale voedingswaarde uit het voedsel dat ze eten. De keutels zijn te vinden op weide- en akkergebieden en bij bosranden. De wissels van hazen zijn goed te herkennen doordat de grond door de vele betreding vaster geworden is. De breedte van de wissel is 10 tot 20 cm. Naar boven
Haas
Vos
De vos (Vulpes vulpes) is een lid van de hondachtigen.De vossenvacht is over het algemeen roodbruin, maar kan ook beige tot helderrood zijn, of zilverkleurig tot zwart (vooral in de bergen). De oren zijn aan de achterzijde zwart, evenals de "sokken", de onderbenen. Sommige dieren hebben een witte staartpunt; veel vossen hebben in ieder geval enkele witte haren rond het puntje van de staart. De bovenlip is wit, evenals de bef. Op de wangen zit bij veel vossen een zwarte of bruine "traandruppel". Sommige dieren hebben een staalgrijze keel en buik, met een witte ster op de borst. In de paartijd heeft het vrouwtje, de moervos, een roze glans over de vacht aan de onderzijde. De staart is lang, dik en ruig. Hij heeft een schouderhoogte van 35 tot 40 centimeter en staat hoog op de poten. Hij heeft een lengte van 58 tot 90 centimeter met een staart van 32 tot 48 cm. Hij weegt zes tot tien, soms vijftien kilogram. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes. Leefwijze en voedsel Vossen jagen solitair, meestal 's nachts en in de schemering, maar in onverstoorde gebieden jaagt hij liever overdag. De vos is een opportunist: hij eet bijna alles. Hij kan hard rennen, tot zestig kilometer per uur, alhoewel zes tot dertien kilometer per uur de normale snelheid is. Zijn prooien zijn meestal kleine en middelgrote prooidieren, zoals grote kevers, muizen en andere knaagdieren, konijnen, hazen, vogels en katten, eieren, regenwormen en egels. Ook vruchten en bessen (vooral bramen) worden gegeten. Dagelijks moet een vos ongeveer vijfhonderd gram aan voedsel binnenkrijgen. Een vos doodt soms meer dan hij nodig heeft. Vooral op plaatsen waar meerdere prooidieren op elkaar zitten en niet kunnen ontsnappen, kan hij een ware slacht- partij aanrichten, bijvoorbeeld in kolonies van grondbroedende vogels als kokmeeuwen. Voedselresten worden begraven en later weer opgezocht, maar de vos legt geen voedselvoorraden aan. Een vos is meestal zeer succesvol in het terugvinden van begraven voedsel. De vos leeft meestal in een groep van zo'n zes dieren. Een dominante rekel (mannetjesvos) en een dominant moervos worden begeleid door meerdere moervossen, waarschijnlijk uit vorige worpen. Meestal zijn alle vrouwtjes in een groep aan elkaar verwant. Rekels worden, zodra ze volwassen zijn, uit de groep verjaagd. De ondergeschikte moervossen zijn helpers, die helpen met de opvoeding van de jongen. Soms planten in een groep meerdere moervossen zich voort. De worpen worden dan vaak samengevoegd tot één groep welpen, die bij alle moervossen mogen zogen. Het territorium kan 1 tot 12 km² bedragen. Dit is o.a. afhankelijk van het voedselaanbod en veilige nestplaatsen. Het leefgebied wordt afgebakend met geursporen, voornamelijk urine en uitwerpselen, die worden geplaatst op duidelijk zichtbare en ruikbare plaatsen, maar vooral op vaakgebruikte plaatsen. Over het algemeen bakenen alleen de dominante moervossen het territorium af met urine. Het afbakenen van een eigen gebied is nodig om het hele jaar door voldoende voedsel te kunnen vinden. Vooral in het voorjaar moeten in het territorium steeds in korte tijd genoeg prooien gevangen kunnen worden om eetlust van de jongen te stillen. Maar ook in de winter, mag er geen gebrek geleden worden. Voortplanting en leeftijd De paartijd duurt van december tot februari, wanneer de mannetjes vruchtbaar zijn. Een vrouwtje is in die tijd slechts drie weken loops. De jongen worden na een draagtijd van 52 à 53 dagen in de lente (tussen maart en mei) geboren. Het hol wordt soms gedeeld door drachtige vrouwtjes. Een worp telt meestal 4 tot 6 jongen. Worpen van 5 tot 8 jongen komen ook voor, bij uitzondering zelfs 10. De worpgrootte is afhankelijk van het voedselaanbod. In gebieden met veel vossen zijn de worpen kleiner. Veel jacht geeft minder vossen, maar grotere worpen. Bij de geboorte zijn de jongen blind en doof en wegen ongeveer 100 gram. Ze hebben bij de geboorte een donkere fluwelen vacht, stompe snuitjes en kleine oortjes. De eerste twee tot drie weken zijn de jongen volledig afhankelijk van hun moeder. De vader en de helpers brengen de eerste dagen voedsel voor de moeder; nadat de jongen gespeend zijn, helpt ook de moeder mee. Na elf tot veertien dagen gaan de ogen open. De eerste maand zijn de ogen blauw van kleur, maar later wordt ze bruin. Als de pups vier weken oud zijn, groeien de neus en oren snel, en komt er een rossige glans over de vacht. Ze eten rond deze tijd hun eerste vaste voedsel. Na zes weken worden de welpen gespeend en na zeven tot acht weken hebben ze het volledige melkgebit. Na zes maanden zijn jonge vossen op het oog niet meer te onderscheiden van volwassen dieren. Tegen de herfst zijn de jongen volwassen en na tien maanden zijn ze geslachtsrijp. In het wild wordt de vos zo'n tien jaar oud. De meeste vossen worden echter niet ouder dan 3 jaar. Meestal is jacht de voornaamste doodsoorzaak. Ook worden veel vossen verkeerslachtoffer. Belangrijke ziektes waaraan vossen kunnen lijden zijnhondsdolheid en schurft. Leefgebied De vos heeft een grote verspreidingsgebied en komt voor over praktisch het gehele Noordelijk Halfrond. De vos kan zich goed aanpassen, en komt in bijna alle leefgebieden voor o.a. in woestijnen, moerassen, gebergten, duinen en op toendra's. Sporen Meestal kan de aanwezigheid van vossen alleen worden vastgesteld aan de hand van hun sporen. In sneeuw of zachte grond blijven de pootafdrukken mooi zichtbaar. Ze lijken op die van de hond, maar zijn smaller. Kenmerkend is dat de buitenste tenen geheel achter de binnenste tenen staan, en dat de afdruk mooi symmetrisch is: bij een onduidelijke afdruk is niet goed te zien wat voor en achter is. De voorvoet is 4,5 cm breed en heeft een lengte van 5 cm. De achtervoet is 4 cm breed en 5 cm lang. De spreiding is minder dan 12 cm en de paslengte bij stap is 30 cm. Bij draf is de paslengte 45 tot 80 cm en bij galop meer dan 60 cm. Soms laten vossen plukjes lange roodbruine haren achter op prikkeldraad daar waar ze er vaak onderdoor kruipen. De uitwerpselen zijn zwart tot donkerbruin, maar krijgen na korte tijd meestal een grijze tot witte kleur. De uiteindelijke kleur is echter afhankelijk van wat de vos gegeten heeft. Vaak zijn lopen de uitwerpselen aan één kant puntig en gedraaid. Ze zijn langgerekt, vingerdik (tot 25 mm) en 6 tot 12 cm lang. Ze zijn dikwijls te vinden op tamelijk opvallende plaatsen, zoals molshopen, graspollen of keien, zodat de geur zich kan verspreiden. Buiten het voortplantingsseizoen verblijft de vos overdag meestal op beschutte plaatsentussen de begroeiing op bosgrond of in greppels. Een vossenleger is ondiep enovaal van vorm, ongeveer 50 cm lang en 30 cm breed. Een vos krabt net als een ree zijn leger in de bodem, welke dan de vorm krijgt van zijn opgerolde lichaam. Er kunnen meerdere van zulke rustplaatsen bij elkaar liggen. De leger van een vos onderscheidt zich van die van een ree doordat een vos meer haren achterlaat. Vossen leven soms in een hol. Het hol is zelf gegraven of van een konijn of een das. Het komt voor dat vossen zelfs hun hol delen met konijnen en dassen. Een zelf gegraven hol bevindt zich meestal in een zandbank, onder een omgevallen boom, tussen boomwortels of onder rotsen, en heeft vaak twee tot vier ingangen. Een groot hol, met meerdere ingangen, wordt een burcht genoemd. Meestal gebruiken alleen drachtige vrouwtjes het hol. Het verschil tussen een vossen- en dassenhol is te zien aan de vorm, de grootte, het nestmateriaal en aan het uitgegraven zand. Bij een vossenhol ligt namelijk het uitgegraven zand aanvankelijk op een min of meer kegelvormige hoop voor de ingang; later wordt hij platgelopen. Dassen deponeren het uitgegraven zand op een halfcirkelvormige 'storthoop' rond de ingang. Als de storthoop hoog wordt, graaft de das er een vaak boogvormige geul doorheen. De ingang is bij een dassenburcht breder dan hoog, waarbij de bodem min of meer vlak is en het de bovenkant rond. De ingang van een vossenhol daarentegen is ovaal, en hoger dan breed. Meestal hebben dassenburchten veel ingangen met grote storthopen, terwijl het merendeel van de vossenholen bescheiden van omvang is. Bij dassen is de aanwezigheid van nestmateriaal, meestal in de vorm van droog gras of droge bladeren, een kenmerk dat het hol bewoond enis voor de bewoning door dassen. De vos kan tenminste 28 verschillende geluiden voortbrengen, en hij kent ook een groot aantal houdingen om mee te communiceren. Onderdanige vossen houden bijvoorbeeld de oren naar achter, de mond lichtelijk open met opgetrokken lippen, en kwispelen bochtig met hun staart. Agressieve vossen plaatsen de oren zijdelings en houden de mond wagenwijd open. Naar boven
Vos
Wolf
De wolf (Canis lupus) heeft een grijze tot grijzige vacht, met een rossig bruine kleur op rug, kop en oren. De verschillen tussen individuele wolven en ondersoorten zijn echter groot en ze komen in allerlei kleurvariëteiten voor, van geheel wit via roodbruin tot geheel zwart. Wolven hebben een lengte van 80 tot 160 cm, en een staart van 30 tot 50 centimeter. De schouderhoogte is 65 tot 80 centimeter. Vrouwtjes zijn zo'n tien procent kleiner dan mannetjes: mannetjes wegen 20 tot 80 kg, vrouwtjes worden gemiddeld 18 tot 50 kg zwaar. Het gehoor, de reukzin en het zichtvermogen zijn goed ontwikkeld. Een wolf kan tegen de wind in andere dieren ontdekken die zich op een afstand van 300 meter van hem bevinden. Ook kan hij uitstekend zien in het donker. Leefwijze en voedsel Wolven zijn dag- en schemeringsdieren, maar door felle bejaging zijn ze in veel gebieden (waaronder Europa) een nachtelijke leefwijze erop na gaan houden. De wolf is een goede renner, maar kan ook goed zwemmen. Ze zijn in staat zich snel te verplaatsen, met een topsnelheid van 45 tot 50 km/u. Het is heel gewoon dat ze op een dag 50 tot 60 kilometer afleggen. Normaal gesproken zullen ze binnen hun territorium blijven, maar als ze op zoek zijn naar een nieuw territorium kunnen ze in hoog tempo nieuwe gebieden verkennen. Wolven zijn sociale dieren die in roedels leven die strikt georganiseerd zijn en geleid worden door een mannetje en een vrouwtje die gewoonlijk met alfa worden aangeduid. Gewoonlijk behouden zij zich het alleenrecht op voortplanting voor. De overige leden zijn meestal (volwassen) nakomelingen van het alfapaar. Een roedel wordt gevormd door een mannetje en een vrouwtje. Hun nakomelingen van het eerste en gedeeltelijk het tweede jaar blijven in de roedel. Bij een gemiddelde worp van 4 dieren bestaat de roedel dan na 2 jaar uit 10 dieren. Omdat een roedel klein begint en eindigt en omdat er ook dieren zullen overlijden heeft de gemiddelde roedel iets van 5 dieren. De oudere jongen worden uit de roedel verstoten of verlaten de roedel uit zichzelf. Vaak trekken ze dan met hun broertjes en zusjes nog een periode op, totdat ze zelf een territorium en een partner gevonden hebben en ook een roedel gaan vormen. Een roedel kan grote afstanden afleggen, honderd tot duizend kilometer, afhankelijk van het voedselaanbod. Dit voedselaanbod is tevens van invloed op de roedelgrootte. Waar veel voedselis leven de wolven in grote roedels die kunnen bestaan uit dertig dieren. In gebieden met weinigvoedselleven de dieren in kleine familiegroepjes, bestaande uit het alfapaar en hun welpjes.De roedel wolven houdt er een territorium op na. De omvang van een territorium is afhankelijk vande voedselsituatie, maar zal tussen de 200 en 2000 km2 liggen. De wolf is een opportunist. Hij eet knaagdieren, haasachtigen, hoefdieren en vogels, maar ookaas en afval worden gegeten. Enkele grotere prooidieren zijn eland, edelhert, wild zwijn, rendier, bever en ree. Indien voldoende aanwezig vormen hoefdieren de belangrijkste prooidieren. Een gemiddelde roedel van ongeveer 10 dieren zal per dier ongeveer twee tot vier kg vlees per dag eten. Op jaarbasis eet een roedel wolven in Europa dus ongeveer 125 reeën, 30 edelherten, 5 wilde zwijnen en nog wat kleinere dieren. Geluid De wolf kent een grote verscheidenheid aan expressies en geluiden. Het bekende huilen is vooral bedoeld om te communiceren over langere afstanden. Afhankelijk van de omstandig- heden kunnen wolven het gehuil van andere wolven op afstanden van zes tot tien kilometer horen. Het afbakenen van het territorium, door middel van te urineren met een opgetilde achterpoot, is voorbehouden aan dominante dieren. De wolven begroeten anderen door onderwerping te laten zien, met neergeslagen ogen en een zacht gejank. Als wolven boos of bang zijn laten ze dat meestal zien met ontblote tanden en gegrom. Voortplanting en leeftijd De paartijd verschilt per gebied. Het nest van een wolf bevindt zich in een grot of een hol, verscholen onder boomwortels of tussen rotsen. Soms graaft hij zijn eigen hol, of vergroot hij het hol van een vos of een dassenburcht. Tussen maart en mei, na een draagtijd van 63 dagen, worden de welpjes -drie tot zeven per worp- geboren. Beide ouders zorgen voor de jongen. Ze krijgen daarbij hulp van de andere roedelleden. De reu brengt voedsel aan het zogende teefje. Wolven beginnen meestal met paren als ze twee jaar oud zijn. Na acht weken zijn de jongen gespeend en ze blijven minstens een jaar bij de roedel. Vaak blijven ze langer bij de roedel, maar soms verlaten één- of tweejarigen de groep, vooral als ze worden gedomineerd door broertjes en zusjes en andere roedelleden en ook afhankelijk van het voedselaanbod en de jachttechniek. In gebieden met grotere prooidieren, zoals eland, bizon en edelhert is het voordelig een grote roedel te hebben. Wolven kunnen in het wild zo'n jaar of tien worden. De in koudere streken levende ondersoorten zijn groter dan de in warmere klimaten levende soorten. Leefgebied Wolven passen zich makkelijk aan allerlei omstandigheden aan en leven in een grote verscheidenheid aan leefgebieden. Zowel op toendra's, steppen en prairies als in dichte bossen komen ze voor, in laagland en in gebergten. Ooit waren wolven een gewone verschijning in het gehele Noordelijk Halfrond, maar door toedoen van de mens is hun leefgebied drastisch ingeperkt. Voor een deel is dat omdat het leefgebied door de mens voor andere doeleinden in gebruik genomen is, maar veelal ook door genadeloze vervolging van een door velen schadelijk en gevaarlijk geachte diersoort. In Europa is de wolf steeds verder terug- gedrongen. Sporen De uitwerpselen van een wolf is afhankelijk wat hij gegeten heeft. Ze zijn langgerekt en bevatten vaak haar en botdelen van hoefdieren. Ze hebben een diameter van 1,5 tot 4 cm of zelfs groter. Vaak lopen ze aan één uiteinde puntig uit. De voorvoet van een wolf is breder en meestal wat langer dan zijn achtervoet. De voorvoet is 10 tot 14 cm lang en 9 tot 13 cm breed. De achtervoet is 9 tot 12 cm lang en 7 tot 11 cm breed. Naar boven
Wolf
Boommarter
De boommarter (Martes martes) of edelmarteris een lang en slank zoogdier dat zich vlug en lenig door bomen verplaatst. De sterk behaarde staart neemt bijna een derde van de totale lengte in beslag. Door de relatief lange achterpoten is de rug bij het lopen licht naar voren gebogen. De kop is spits met vrij grote oren. Poten en snuit zijn bijna altijd donkerder dan de kastanjebruine vacht. Opvallend is de gele, soms bijna witte, bef waarvan het patroon met vlekken en vorm individueel verschilt. De boommarter heeft een lengte van 40 tot 50 cm, een staartlengte van 23 tot 28 cm en heeft een gewicht tussen 0,8 tot 1,8 kg. Wijfjes zijn over het algemeen kleiner dan mannetjes. De boom- en steenmarter lijken sterk op elkaar en komen soms ook in hetzelfde gebied en biotoop voor. De boommarter heeft meestal een gele bef en de steenmarter een witte bef, maar er zijn boommarters met een (geel-)witte bef en steenmarters met een gelige bef. De oren van een boommarter zijn groter en staan meer naar het midden van de kop, die van een steenmarter meer naar de zijkant. De neusdop van een volwassen boommarter is bruin en van een steenmarter vleeskleurig (roze). Verschillen die nogal eens genoemd worden zijn een lichte rand aan de oren bij de boommarter en het doorlopen van de bef op de voorpoten bij een steenmarter zijn vooral individuele verschillen en niet bruikbaar om de soorten uit elkaar te houden. Het enige echt zekere verschil is de ondervacht die bij een boommarter donker (grijsbruin) is en bij een steenmarter licht (wit) is. Leefgebied De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Boommarter komt in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters maken hun nest in konijnenholen, kraaiennesten, eekhoornnesten of gewoon boven op takken of in holle bomen. Vooral de vrouwtjes en hun jongen leven in holle bomen. De opening van de holle boom moet minstens 5 cm groot zijn. Holen van groene specht en zwarte specht komen in aanmerking. Natuurlijk kiest de boommarter ook andere holen als ze maar voldoende groot zijn. Voortplanting De paartijd is van juli tot half augustus. Na de bevruchting deelt de eicel zich een aantal maal en gaat dan in een rustfase. Pas eind vanaf februari tot in maart ontwikkelt het embryo zich en worden de jongen van eind maart tot eind april geboren. Het aantal jongen varieert van 1 tot 5. Leefwijze en voedsel De boommarter is het enige zoogdier dat in staat is een eekhoorn door de boomkruinen te achter- volgen en te vangen. Deze energieverslindende jacht behoort, ondanks de overlevering, niet tot zijn dagelijkse routine. De boommarter eet wat hij tegenkomt. Zijn eten bestaat uit insecten (o.a. hommel- broed), vogels en eieren, kleine zoogdieren (van muis tot halfwas konijn) en aas. In de nazomer en herfst eet de boommarter ook vaak bessen en vruchten. Sporen Doordat boommarterszich zowel met de stappegang als meteen sprongengalop, de zogenaamde 'martersprong',voortbewegen, hebben ze bij de stapeen paslengte van 35 cm en bij de sprongegalop 60 tot 90 cm. Bij de sprongengalop staan depootafdrukkenin groepjes van twee, drie of vier. De voorvoet is35 tot 45 mm breed en heeft eenlengte van34 tot 40 mm. De achtervoet heeft een breedte van ongeveer 40 mmen een lengte van 48mm. De spreidingis tot 10 cm. Boommarters leggen ergens in de nestboom een latrine aan. Soms bevindt de latrine zich ook in een buurboom, maar meestal in de nestboom zelf. Van deze latrine vallen regelmatig uitwerpselen naar beneden. Na het eten van dierlijke voedsel zijn de uitwerpselen van de boommarter zwart of grijs gekleurd, maar in de zomer en in de herfst kunnen er allerlei pitten, schilletjes en zaden van bessen in zitten. De cilindervormige uitwerpselen hebben een duidelijke spiraalvorm. Aan één zijde hebben ze een spits uiteinde en het andere einde is stomp. De prooien beïnvloeden het uitzicht en de kleur van de uitwerpselen sterk. De uitwerpselen van boommarters zijn van 5 tot 12 cm lang en 10 tot 15 mm dik. Een aanwijzing voor de boommarter als roofdier vormen afgebeten veren die op een dikke boomtak liggen of eronder zijn neergedwarreld. Gebalgde (gedroogde) en geheel of gedeeltelijk leeggegeten huiden van konijnen en andere zoogdieren kan het werk zijn van een boommarter, maar ook van een (wilde) kat, vos, das, steenmarter, bunzing, buizerd of een oehoe. Door te kijken naar mogelijke perforaties in de schedel of huid door hoektanden kunnen de roofvogels worden uitgesloten en kan worden achterhaald wie het bewuste dier heeft gedood. Bij de boommarter, en ook de steenmarter, is de afstand tussen de hoektanden 10 tot 13 mm. Afgebeten konijnenhoofden kunnen het werk zijn van een boommarter, maar ook van de vos of de steenmarter. Gebalgde huiden of huidflarden in boomholten of aan de voet van bomen met een holte in de stam geven aan dat het om de boommarter gaat. Boommarters eten ook spitsmuizen, maar dan vooral in de winterperiode. De boommarter haalt geregeld wespen- en hommelnesten uit. Bij het klimmen maken marters dikwijls nagelkrassen op de boomstam. De boommarter is echter niet het enigedierdat nagelkrassen nalaat. Ga er dus niet van uit dat nagelkrassen altijd boommartersporen zijn. Ook steenmartersklimmen in bomen en laten dezelfde sporen achter, net als eekhoorns en spechten. Deze nagelkrassen zijnnormaal gezien niet op de nestboom zelf te vinden. Boommarters klimmen langs een andere boom omhoog en omlaagen steken via de boomkruinen over naar hun nestboom. Vanaf december selecteren de vrouwtjes nestbomen. In de lente betrekken ze de nestboom en worden ze standvastiger. Dat is dus de ideale periode om de nestbomen op te sporen. Na deze periode wonen ze minder in holle bomen en zijn boommarters heel moeilijkop te sporen. Naar boven
Boommarter
Steenmarter
De steenmarter (martes foina) heeft een asgrauwe tot grijsbruine vacht met een (grijs)witte ondervacht (ook wel wolhaar genoemd). De bef is wit of roomachtig en loopt door tot op de poten. Jonge steenmarters zijn eerst grijswit, daarna blauwachtig van kleur. De oren zijn klein en kort behaard, de ogen zijn donker en hij heeft een kleine snuit met roze neus en donkere snorharen. De poten zijn kort en elke voet heeft vijf tenen met scherpe nagels en zoolkussentjes. De staart is rond, lang behaard en wollig. De mannetjes zijn groter dan de vrouwtjes.De mannetjes hebben een lengte van 40 tot 52 cm, een staartlengte van 22 tot 28 cm en een gewicht van 1400 tot 2100 g hebben. Terwijl vrouwtjes een lengte hebben van 37 tot 48 cm, een staartlengte van 21 tot 26 cm en een gewicht van 900 tot 1700 g. Leefgebied De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van boerderijen en dorpenenzelfs ook in grote steden. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. In de bergen komt de steenmarter tot een hoogte van 2400 meter voor. Leefwijze en voedsel De steenmarter is een nachtdier dat van zonsondergang tot zonsopgang actief is. In de zomermaanden is hij soms ook 's ochtends vroeg op pad. Per nacht kan een steenmarter wel 10 tot 15 km afleggen, maar meestal legt een mannetje 5 km af en een vrouwtje 3 km. Bij koud of stormachtig weer verlaat hij soms dagenlang zijn rustplekniet,terwijl regen geen belemmering voor hem vormt. De steenmarter beweegt zich galopperendvoort,kan goed klimmen en hij kan sprongen maken van anderhalve meter. Hoewel hij kanzwemmen,probeert hij dat te vermijden. De steenmarter eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Hij heeft een veelzijdig menu. Hij eet o.a. muizen, ratten, egels, jonge konijnen, vogels, eieren, kevers, rupsen, kikkers en regenwormen. Ook eet hij, vooral tussen juli en december, veel vruchten en bessen, zoals bramen, bessen van vogelkers en zwarte nachtschade, appels, peren en kersen. In de winter eet hij ook wel spitsmuizen. Steenmarters eten ook wel menselijk voedsel, zoals brood. In de buurt van de schuilplaats van de steenmarter zijn soms kleine voedselvoorraden te vinden. Deze zijn vaak onbedekt en zijn te vinden bij hooibergen, in schuurtjes of op zolders of in nissen en spleten van grotten en steengroeven. Leefgebied Zowel het mannetje als het vrouwtje van de steenmarter heeft een eigen territorium. Het territorium van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes. De grootte hangt af van de kwaliteit van het gebied waar hij leeft. In Nederland bedraagt de grootte 80 tot 700 hectare. Oudere steenmarters en steenmarters in de stad hebben kleinere terreinen. Dit komt omdat oudere dieren de betere leefgebieden hebben en dieren in de stad een gunstigere voedselsituatie hebben. De grenzen van een territorium worden gemarkeerd met urine en met geurstof uit kliertjes in de voetkussentjes van de achterpoten. Indringers die zich hierdoor niet laten tegenhouden, worden met heftige gevechten en geschreeuw verjaagd. Deze botsingen vinden vaak in augustus, september en oktober plaats, wanneer jonge dieren hun eigen territorium moeten zien te veroveren. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied soms wel tientallen schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn. Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De steenmarter kan al door openingen van 8 tot 9 cm kruipen om bij een schuilplaats te komen. Voortplanting en leeftijd De paartijd (ook wel ranstijd genoemd) van de steenmarter, loopt van juni tot augustus. De mannetjes leveren dan onder luid gekrijs en geblaas gevechten om vrouwtjes te veroveren. Het vrouwtje is ongeveer 10 dagen loops en wordt soms door meerdere mannetjes gedekt. In deze periode ruiken de steenmarters zeer sterk en zo kunnen de verschillende geslachten elkaar gemakkelijk vinden. Na een verlengde draagtijd, worden in maart of april 1 tot 4 jongen geboren. De jongen zijn dan ongeveer 10 cm groot, hebben een grijswitte vacht en hun ogen gaan pas na 4 weken open. Ze worden 2 maanden gezoogd en vanaf 6 weken krijgen ze ook vast voedsel. Na ongeveer 3 maanden zijn de jongen zelfstandig en dan leren ze onder leiding van de moeder de omgeving kennen. De geurklieren in de voetzolen van de moeder, maken het mogelijk voor de jongen om de moeder te volgen over de marterpaden. In de nazomer zoeken de jongen een eigen territorium. Steenmarters kunnen ruim 10 jaar oud worden. Sporen Vraatsporen die een steenmarter achter kan laten zijn gebalgde (gedroogde) en geheel of gedeeltelijk leeggegeten huiden van konijnen en andere zoogdieren, maar dit kan ook het werk zijn een (wilde) kat, vos, das, boommarter, bunzing, buizerd of een oehoe. Door te kijken naar mogelijke perforaties in de schedel of huid door hoektanden kunnen de roofvogels worden uitgesloten en kan worden achterhaald wie het bewuste dier heeft gedood. Bij de steenmarter, en ook de boommarter, is de afstand tussen de hoektanden 10 tot 13 mm. Afgebeten konijnenhoofden kunnen het werk zijn van een steenmarter, maar ook van de vos of de boommarter. Steenmarters eten ook egels, maar vaak in de vorm van aas. Flarden egelhuid en losse stekels kunnen bij de schuilplaatsen van de steenmarter worden gevonden. Steenmarters, maar ook vos, boommarter en bunzing, zijn in staat om grote eieren, zoals van een eend of fazant, in hun bek mee te nemen zonder dat de schaal beschadigt. Voorraden van steenmarters worden vaak onbedekt gevonden, zoals in schuurtjes of in nisjes en spleten van grotten en steengroeven. De uitwerpselen van de steenmarter zijn 8 tot 10 cm lang en 10 tot 12 mm dik en in een punt uitlopend. Soms zijn ze gevlochten of gedraaid. De kleur hangt af van het gegeten voedsel en kan zwart, bruin tot oranjebruin of grijs - wit zijn. Vaak zijn pitten en zaadjes van vruchten of bessen in de uitwerpselen te zien. In de omgeving van zijn schuilplaats deponeert de steenmarter zijn uitwerpselen in latrines. Uitwerpselen worden langs jachtroutes geplaatst en in de omgeving van de schuilplaats in latrines. De pootafdrukken van de steenmarter zijn echter makkelijk te verwarren met Pootafdrukken van de voorvoet zijn 30 tot 40 mm breed en 30 tot 35 mm lang, die van de achtervoet ongeveer 35 mm en 43 mm breed lang die van andere marterachtigen en dan met name die van boommarter. Bij de stapgang is de paslengte 35 cm, maar bij de sprongengalop is dot 50 tot 100 cm. De spreiding is hetzelfde als bij de boommarter, namelijk tot 10 cm. In mergelgroeves zijn soms krassen van nagels van de steenmarter op de wanden te zien. Deze ontstaan bij het klimmen naar een schuilplek of bij het vangen van prooien, zoals vleermuizen. Rondom woningen zijn soms aangevreten kabels of kapot gevreten isolatie te vinden. Soms zijn in hooibalen gangen te vinden als de steenmarter die heeft gebruikt als rustplaats. Naar boven
Steenmarter
Bunzing
De Bunzing (Mustela putorius) heeft een donkerbruine vacht met een geel, geelwitte of lichtbruine ondervacht, die er vooral op de flanken doorheen schemert. In de winter is zijn vacht langer dan in de zomer. Op de kop heeft hij rondom het donkere haar rond de ogen een band van witte, gelige of grijsachtige haren, ook wel aangeduid als masker. Ook de zijkanten van de neus zijn witbehaard, de snorharen zijn lang en donker. De ogen zijn donker en de oren zijn relatief klein, met grijswitte randjes. De staart is lang en donker behaard. Het mannetje is duidelijk groter dan een vrouwtje en een mannetje kan tweemaal zo zwaar worden als een vrouwtje. Een mannetje heeft een lengte van 30,5 tot 46 cm, een staartlengte van gemiddeld 14 centimeter en een gewicht van 502 tot 1522 gram. Een vrouwtje heeft een lengte van 29 tot 35,5 cm, een staartlengte van gemiddeld 12,5 cm en een lichaamsgewicht van 442 tot 800 gram. Leefgebied en verspreiding De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor. Leefwijze en voedsel De bunzing is vooral 's nachts actief. In de uren na zonsondergang en voor zonsopgang vertoont de bunzing de meeste activiteit. Dan gaat hij op jacht. Dit doet hij vrijwel nooit in de buurt van zijn hol. In de periode juni tot september, wanneer de jongen nog niet zelfstandig zijn, worden bunzingen soms ook overdag gezien. Bij strenge koude verlaat de bunzing zijn schuilplaats soms gedurende enige dagen niet, terwijl regen hem niet deert. Tijdens de paartijd (april, begin mei) en in de tijd dat de jongen opgroeien, leeft de bunzing in familiegroepjes. Dat duurt tot de herfst, waarna de jongen een eigen plek gaan zoeken. Bunzings zijn soms vrij sociaal en verzorgen vaak elkaars vacht. De bunzing klimt zelden, maar zwemmen en duiken kan hij wel goed. Het voedsel van de bunzing bestaat voornamelijk uit allerlei dierlijk voedsel zoals konijnen, hazen, ratten, muizen, mollen, vogels, vogeleieren, reptielen, amfibieën en insecten. De bunzing gaat bij de jacht vooral op zijn neus en oren af. Afhankelijk van de prooi past hij uiteenlopende tactieken toe om deze te doden: een konijn wordt in de neus gebeten, een muis in de kop en een kikker in de nek. De bunzing is een echte grondjager. Soms legt de bunzing een voedselvoorraad aan van kikkers die hij door middel van een beet in de rug heeft verlamd. Territorium en verblijfplaats De grootte van een leefgebied bedraagt 8 tot 1000 hectare. Het varieert in de loop van de seizoenen en door de jaren heen. Het gebied van mannetjes is veel groter dan dat van vrouwtjes en overlapt dat van een aantal vrouwtjes. De territoria zijn het grootst in de zomer, als voedsel voor de jongen wordt gezocht. De bunzing verdedigt zijn territorium tegen seksgenoten. Hij markeert bepaalde punten in zijn leefgebied met een secreet uit zijn anaalklieren (muskus) en soms met uitwerpselen. Jonge vrouwtjes bezetten vaak het woongebied van de moeder of blijven in de omgeving, terwijl jonge mannetjes verder weg trekken. Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn schuilplaats op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. Voortplanting en leeftijd In de paartijd (ook wel ranstijd genoemd) onderneemt het mannetje lange tochten, op zoek naar een vrouwtje. Daarna maakt hij het vrouwtje het hof. Deze hofmakerij neemt veel tijd in beslag. Uiteindelijk laat het vrouwtje zich slap en willoos, als een gedood prooidier, door het mannetje meeslepen, waarna de paring plaatsvindt. Na een draagtijd van circa 6 weken worden 4 tot 10 jongen geboren in een hol. De jongen zijn kaal en blind en worden door de moeder grootgebracht. Ze worden een maand lang gezoogd, daarna gaan ze mee op jacht. Na 3 maanden zijn ze zelfstandig en daarna gaan ze op zoek naar een eigen leefgebied. Als de jongen vroegtijdig sterven, is er soms later in de zomer een tweede worp. De bunzing kan 5 tot 6 jaar oud worden, maar meestal sterven ze veel jonger. Sporen De uitwerpselen van een bunzing zijn 5 tot 10 cm lang, 5 tot 9 mm dik, cilindervormig en gevlochten. Vers zijn ze zwart tot donkerbruin glimmend en oud zijn ze doffer, maar zelden viltig van uiterlijk. Bunzingen hebben aan elke voet vijf tenen met scherpe nagels. De voorvoeten hebben een breedte van 25 tot 35 mm en een lengte van 25 tot 30 mm. De achtervoeten hebben een breedte van ongeveer 25 mm en een leegte van 32 mm. De spreiding is tot 8 cm en de paslengte bij de sprongengalop is 30 tot 50 cm. In sneeuw is soms een sleepspoor van de staart te zien. Vraatsporen die een bunzing achter kan laten zijn gebalgde (gedroogde) en geheel of gedeeltelijk leeggegeten huiden van konijnen en andere zoogdieren, maar dit kan ook het werk zijn een (wilde) kat, vos, das, boommarter, steenmarter, buizerd of een oehoe. Door te kijken naar mogelijke perforaties in de schedel of huid door hoektanden kunnen de roofvogels worden uitgesloten en kan worden achterhaald wie het bewuste dier heeft gedood. Bij de bunzing is de afstand tussen de hoektanden 10 tot 11 mm. Bij grotere prooivogels laat de bunzing de vleugels aan het schoudergewricht vastzitten. Bij de holopeningen van bunzingen blijven soms de muizenstaarten en kleine prooiresten liggen. Van kikkers en padden wordt alleen het achterlijf gegeten. Bij padden wordt ook wel de huid afgestroopt. Nadat de bunzing een vrouwelijke kikker of pad heeft gegeten, braakt hij de eierstokken en het gelatineachtige omhulsel van de onontwikkelde dril uit (ook wel sterrenschot genoemd).Bunzingen verstoppen, net als de vos, hermelijn of wezel, kleine knaagdieren of vogeltjes onder graspollen,moskussens, blad- of humuslaag of achter loszittende stukken boomschors. Naar boven
Bunzing
Otter
De otter (Lutra lutra) behoort tot de marterachtigen.Met zijn gestroomlijnde lichaam is het dier goed aangepast aan het leven in het water. De ogen en de kleine afsluitbare oren en neusgaten liggen op één lijn bovenop de platte kop, waardoor ze boven water blijven als het dier aan het wateroppervlak zwemt. De otter heeft een goed gehoor en zicht- en reukvermogen. De otter heeft zwemvliezen tussen de tenen van alle vier de korte krachtige poten. De lange, ovaalronde staart doet dienst als stabilisator en roer tijdens het zwemmen. De snuit is breed. De otter heeft een glanzende, donkerbruine vacht met een licht gekleurde onderkant en soms met een licht gekleurd vlekkenpatroon op de kin en rond de lippen. Deze vacht bestaat uit een waterdichte buitenste laag van dekharen en een luchthoudende binnenste laag van dichte donsharen, die onder water droog blijft. De dekharen drogen vrij snel en uit het water hechten ze aan elkaar. Een otter beschikt nauwelijks over onderhuids vetweefsel en om in het water op temperatuur te blijven is deze waterdichtheid van groot belang. Een optimale conditie van de vacht voorkomt voortijdige onderkoeling tijdens het jagen onder water. Vrouwtjes zijn meestal kleiner dan mannetjes. Mannetjes hebben een lengte van 60 tot 90 cm, een staartlengte van 36 tot 47 cm en een gewicht van 6 tot 17 kg. Vrouwtjes hebben een lengte van 60 tot 70 cm, een staartlengte van 35 tot 42 cm en een gewicht van 6 tot 12 kg. Leefwijze en voedsel Otters leven voornamelijk solitair en is een schuw dier dat op de meeste plaatsen 's nachts actief is, maar langs de kust waar ze in zee jagen zijn ze echter overdag actief. Overdag verblijft de otter in een rustplaats, ook wel holt genoemd. Deze holts bevinden zich op oevers in struikgewas, dichte oevervegetatiesen bosschages. De otters maken hierbij gebruik van boomstronken en wortelstelsels, oude holen van o.a. muskusratten of konijnen, beversconstructies. De holts hebben een doorsnede van zijn 50 tot 100 cm. Een dier gebruikt vaak meerdere vaste rustplaatsen en holen binnen zijn woongebied. Het territorium loopt langs oevers. De nesten waar de jongen worden geworpen, liggen vaak in rustig gebied en op grote afstand van water. Otters van hetzelfde geslacht leven in gescheiden leefgebieden, waarbij het territorium van één mannetje dat van een aantal vrouwtjes overlapt. De grootte hangt af van de beschikbaarheid van voedsel, dekking en het aantal otters. Zo kan een leefgebied oeverlengte hebben van 1 tot 40 km of enkele tot tientallen km² moerasgebied beslaan. Vooral de dominante mannetjes hebben grote leefgebieden. De doorsnee van een leefgebied van mannetjes is meestal gemiddeld 15 km en dat van vrouwtjes 7 km. De otter houdt geen winterslaap. De otter doorkruist 's nachts zijn leefgebied op zoek naar voedsel. Een otter eet bijna alles wat hij in het water aantreft, zoals amfibieën, watervogels, (woel-)ratten,rivierkreeften, krabben, wormen en insecten, maar hij eet echter voornamelijk vis, zoals snoek, paling, karper, baars, en zalm. Hij heefteen voorkeur voor vissen die kleiner zijn dan 25 centimeter. In de winterperiode zoekt de otter zijn voedsel in stromend water of meren met wakken. In helder water spoort hij zijn prooi met zijn ogen op, maar in troebel gebruikt de otter zijn snorharen, waarmee hij de bewegingen van vissen in het water kan voelen. Om zijn prooi te vangen jaagt de otter het vaak op naar een stuk riet, zodat het moeilijker kan ontsnappen. Als de otter iets heeft gevangen, eet hij het aan het water- oppervlak op. Grote vissen brengt hij aan land om daar op te eten. Verspreiding en leefgebied De otter leeft vooral in zoetwatergebieden zoals rivieren, meren, kanalen, beken en moerassen, maar komt ook aan de kust komt hij voor en dan voornamelijk bij rotskusten en open riviermonden. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater. Voortplanting Otters op het Europese continent krijgen meestal jongen in de lente en zomer (, maar in principe kunnen ze het hele jaar door jongen krijgen). De voortplanting is afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel. In gebieden waar 's winters al het water bevroren is, komen de jongen in de lente, maar er zijn ook gebieden waar de jongen in de zomer geworden geboren wanneer er veel vis is. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwtjes voor het eerst jongen krijgen is 2 jaar. Na een draagtijd van 61 tot 63 dagen worden de jongen geboren. De worpgrootte ligt meestal op 2 à 3 jongen, met een maximum van 5 en minimaal 1 jong per worp. In gebieden met een hoge sterfte door het verkeer of jacht ligt de gemiddelde worpgrootte hoger dan in gebieden met een lagere druk op de populatie. Alleen de moeder zorgt voor de jongen. De jongen worden blind zonder tanden geboren in een met gras of mos gevoerd kraamnest. Het kraambed bevindt zich gewoonlijk in een rustig gedeelte van het territorium van het wijfje. De jongen zijn 15 cm lang en hebben een fijne, grijze vacht.Als ze 35 dagen oud zijn, openen ze hun ogen. Als ze drie maanden oud zijn, nemen ze hun eerste duik. De zoogtijd duurt gemiddeld 16 weken. Op een leeftijd van twee tot drie maanden krijgen ze de volwassen vacht. Zodra de jongen die waterdichte vacht hebben, leert de moeder hen zwemmen. Jonge otters spelen graag met elkaar. Na tien tot twaalf maanden zijn ze onafhankelijk, maar vaak blijven de jongen nog enkele maanden in het territorium van de moeder. Otters zijn na 1 tot 2 jaar geslachtsrijp. De vader helpt niet met het grootbrengen van de jongen. Geluid De otter maakt scherpe, heldere, fluitende geluiden. Bij de paringsroep van een mannetje eindigt dit trillend. Bij onderlinge gevechten klinkt een hees, katachtig geblaas en spelende otters kunnen schreeuwen of krijsen. Wanneer otters elkaar vriendschappelijk ontmoeten maken ze regelmatige knorgeluidjes Sporen Etensresten van de otter zijn te vinden op eetplekjes aan de over. Dit zijn vissenkoppen, schalen, resten van amfibieën en botten. Uitwerpselen van de otter worden ‘spraints’ genoemd. Ze hebben gevarieerde afmetingen, maar zijn meestal 10 tot 15 mm dik en 2 tot 10 cm lang. In de uitwerpselen van de otter zijn vaak visschubben te vinden, maar soms ook haren of botten. Vers zijn de uitwerpselen donkergroen tot zwart, teerachtig en vrij stevig. Hoe ouder, hoe grijzer en brozer. De uitwerpselen hebben een typische geur dat nog lang geroken kan worden. Het is een wat zoete tot levertraanachtige geur.Loopsporen van de otter variëren afhankelijk van de ondergrond en de manier van voortbewegen. De voorvoet is 55 mm breed en 60 tot 65 mm lang en de achtervoet is 55-60 mm breed en 60 tot 90 cm lang. Van de vijf tenen zijn vaak maar drie duidelijk te zien. De nagels zijn goed herkenbaar, maar de zwemvliezen zijn alleen bij een dun laagje sneeuw of zeer zachte ondergrond te zien. Soms is een sleepspoor van de staart te zien, maar de otter verplaatst zich maar weinig via stap en draf. De spreiding is 15 tot 20 cm. De otter markeert met uitwerpselen en een soort gel-achtige substantie de belangrijke plekken in het territorium, de otter. Via deze geursporen maakt hij zijn aanwezigheid bekend. Hij vervangt de oude geursporen met nieuwe. Daarnaast produceert de otter ottergeil en wordt zowel het mannetje als het vrouwtje afgezet. Het heeft een donker- groen tot bruine kleur, is slijmerig en heeft, net als de uitwerpselen, een zoete tot levertraanachtige geur. Wissels van otters zijn te vinden op de plek waar het dier steeds het water in- en uitgaat. Dit kan soms een tunnelin hoge rietvegetatie of een glijbaan zijn. De glijbaan ontstaat als er modder of sneeuw op een hellende oever ligt.De wissels, glijbanen en tunnels hebben een breedte van 15 tot 30cm. Naar boven
Otter
Das
De das (meles meles) heeft een grote brede kop en een zwaargebouwd gedrongen lichaam. Hij heeft korte poten en een korte, brede, bossige staart. De rug en de flanken hebben een zwart-witte vacht en de onderzijde is geelwit. De kop is wit met twee brede zwarte strepen. Deze lopen vanaf het achter- hoofd over de oren en ogen en eindigend in een punt bij de mondhoeken. De das heeft kleine zwarte ogen, kleine wit-zwarte oren en een zwarte neus. Zijn staart is wit en onder de staart zitten geurklieren waaruit een muskusachtige afscheiding kan worden afgegeven. De das heeft stevige tenen met lange, gekromde nagels, waarmee hij uitstekend kan graven. Zijn ogen zijn slecht en alleen op korte afstand ziet hij goed. Dit is wat ongewoon voor een nachtdier. Zijn neus en zijn gehoor zijn daarentegen wel goed ontwikkel.Een das heeft een lengte van 65 tot 80 cm (met staart) en een gewicht van ongeveer 7 tot wel 18 kilo. Mannetjes worden ookberen genoemd en vrouwtjes zeugen. Het mannetje is iets zwaarder en forser, heeft een bredere kop, een dikkere nek en soms een wigvormige staart. Het vrouwtje heeft vaak een meer ovaalvormige staart. In de late zomer en herfst neemt het gewicht van een das flink toe, omdat de das dan een vetlaag opbouwt om de winter door te komen. Leefgebied en leefwijze Het gebied waarin de das leeft, moet afwisselend en kleinschalig zijn, waardoor hij voldoende afwisseling in zijn voedsel- aanbod heeft. Hij heeft voorkeur voor een heuvelachtig en bosrijk gebied om zijn burcht, een uitgebreide zelf gegraven holenstelsel, in te bouwen. In de lager gelegen terreinen vindt hij veel voedsel en water in de buurt is ook een voorwaarde. Hij gebruikt het als drinkwater. Hoewel hij een goede zwemmer is, neemt hij niet graag een bad. Daarbij een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Bovendien moet hij voldoende rust kunnen vinden in het gebied waar hij leeft. Het territorium van de das is meestal zo'n dertig tot vijftig hectare groot. Een territorium bevat de burcht en voedselgronden van een familiegroep. Vaak overlappen de voedselgronden met die van nabijgelegen groepen.De burchten liggen in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen en altijd in de buurt van gras- en akkerland en water. Een burcht heeft meestal 3 tot 10 (soms wel 80) ingangen en bestaat uit holen die door lange gangen, van soms enkele honderden meters lang, met elkaar verbonden zijn. De gangen worden pijpen genoemd en de holen woonketels. Een woongedeelte is bekleedt met droog gras, mos, bladeren, dennennaalden en varens. In droge nachten wordt dit in de omgeving verzameld en achterwaarts de burcht ingetrokken. Dit wordt vaak vernieuwd. In de winter worden de pijpen soms van binnenuit gedicht met nestmateriaal. Ook de kraamkamer van de jongen is bekleed met plantenmateriaal. In de loop van vele generaties wordt een burcht vaak uitgebreid tot een enorm ondergronds gangenstelsel en zo kan een burcht wel een hele hectare beslaan. Het aantal gangen varieert sterk, van enkele tot meer dan vijftig, die dan niet allemaal gelijktijdig in gebruik zijn. Soms bouwt de das foerageerburchten in de buurt waar tijdelijk veel voedselaanbod is of bijburchten als de hoofdburcht is verstoord. Verder hebben de dassen in hun voedselgebieden vluchtpijpen. Dit zijn eenvoudige holen in taluds, greppels en dergelijke waarin ze zich bij gevaar kunnen verbergen. Deze holen worden soms ook gebruikt door dassen die lager in de rangorde staan of door andere dassen om gedurende de nacht even uit te rusten. De das is een nachtdier, dat in de schemering zijn burcht verlaat. Hij begint dan met het uitvoerig verkennen van de omgeving en dan verzorgt hij zijn vacht. Daarna is er tussen de verschillende familieleden uitvoerig contact in de vorm van vlooien, elkaar van muskus voorzien en spelen. Ook wordt er vaak gegraven en nieuw nestmateriaal aangesleept. Tenslotte gaan de dassen samen of apart op zoek naar voedsel, tot op een afstand van een tot twee, soms vier kilometer van de burcht. De das leeft in familiegroepen van gemiddeld 3 tot 6 dieren. Onder gunstige omstandigheden wonen er tot 20 dassen bij elkaar, met meestal een dominant mannetje. Een familiegroep bewoont gezamenlijk een burcht met territorium, waar andere dassen uit verdreven worden. Het centrum en de grenzen van het territorium worden gemarkeerd met mest. De burchten van dassen zijn heel schoon en netjes. De kamers zijn ingericht met mos, blaadjes en gras. En regelmatig houden ze grote schoonmaak. Dan gaan de oude spullen eruit, ze worden gelucht of er worden nieuwe aangevoerd. Dassen bewaren binnen geen voedsel en ze poepen nooit in huis. Voor hun jongen maken ze wc-tjes. Hun eigen uitwerpselen gaan in gaten in de grond, buiten het hol. Hoewel de winterperiode voor de das een hele rustige tijd is, houdt hij geen winterslaap. Hij heeft dus geen vertraagde hartslag en ademhaling. Dat betekent dat hij in deze periode wel voedsel nodig heeft. Omdat dit in de winter sporadisch te vinden is, bouwt de das in de herfst een dikke vetlaag op, waarop hij lang kan teren. Bovendien houdt dit hemwarm. Voedsel Dassen zijn echte alleseters. Ze scharrelen rond in bosjes, weilanden en boomgaarden en ook bij beken en poelen op zoek naar voedsel. Ze zijn slechte jagers en eten dat wat ze direct voor de neus tegenkomen, maar door hun luidruchtige manier van foerageren ontsnapt alles wat alert is. Ze eten voornamelijk regenwormen, die ze 's nachts in weilanden en open gebieden opsporen. Verder eten zenoten, eikels, knollen, maïs, koren, paddenstoelen, gevallen fruit zoals appels, vruchten zoals bramen enaardbeien, en wilde planten. Daarnaast ook dierlijk voedsel, zoals slakken, kevers, bijen, wespen en hommels,mollen, egels, muizen en jonge konijntjes,kikkers, padden, kikkerdril,vogels en eieren en insectenlarven. Voortplanting en leeftijd Dassen zijn niet monogaam, maar vaak blijft een paar de rest van hun leven bij elkaar. De paartijd van de das valt in de vroege lente, maar soms wordt er ook in andere maanden, met name in de zomer, gepaard. In februari-maart worden de jongen geboren. De werkelijke draagtijd bedraagt echter maar 7 weken, aangezien de implantatie van de bevruchte eicel niet meteen plaatsvindt. Een worp bestaat uit twee tot vier, maar meestal uit drie, jongen. Pasgeboren dassen zijn grijswit, met zijdeachtig haar bedekt en vaak zijn de donkere banden over de ogen al zichtbaar. Na enkele weken is hun vacht gelijk aan die van de volwassen dieren. De ogen openen zich na ongeveer vijf weken en na twaalf weken worden de jongen gespeend. In de eerste 6 tot 8 weken van hun leven blijven de jongen ondergronds, daarna gaan ze voorzichtig de wereld boven verkennen. Als ze de burcht uitgaan komt de moeder eerst de omgeving met gesnuffel inspecteren. Dan gaat ze terug om haar jongen op te halen. In het begin blijven ze maar kort buiten en schieten ze bij het minste teken van onraad terug in de veilige burcht. Na een week worden ze wat moediger en beginnen hun omgeving te onderzoeken en ruwe en woeste spelletjes met elkaar te spelen. Later worden ze door de moeder meegenomen en leren zelf hun eten te zoeken. Sommige jonge dieren blijven in de familiegroep, maar andere maken vaak lange trektochten op zoek naar een nieuw territorium. Ze kunnen tien tot vijftien jaar oud worden, maar de meeste dassen sterven eerder. Geluid De das is een zeer stil dier, maar hij kan zeer veel verschillende geluiden maken. In opwinding maakt de das mekkerende, tokkende, snuivende en grommende geluiden. Bij de jongen maakt de das piepende en kirrende geluiden. Bij bedreiging laat de das een diep, zwaar gebrom horen en bij angst, gevechten en hevige pijn schreeuwt hij hard. Sporen Dassen lopen over hun eigen vaste paadjes, wissels, om voedsel te zoeken.Bij oudere burchten zijn vaak 20 tot 30 cm brede wissels tussen de holingangen en foerageergebieden of plekkenmet nestmateriaal te vinden. Soms zijn deze wissels eeuwen oud. Behalve aan de wissels is het territorium van de das ook te herkennen aan krabbomen, mestputjes en geurmerken. Vraatsporen van de das kunnen op maïskolven worden aangetroffen. Ze knakken de stengels, waardoor ze bij de maïskolven kunnen en trekken de schutbladen er in smalle rafels vanaf. De das laat ook graafsporen achter, wanneer hij op zoek is naar voedsel en keert daarbij koeienvlaaien en graspollen om. Dassen graven ook wespen- of bijennesten uit, waarbij in de restanten in de buurt van het nest te vinden zijn en de uitgraving precies de vorm heeft van de snuit van de das. Dassen krabben ook wel eens de bodem aan de voet van dode bomen uit, wanneer ze op zoek zijn naar insecten. Uitwerpselen van de das zijn zwart, donkergroen, vast en worstvormig tot bruin, geel en dik vloeibaar en vormloos.Dit is afhankelijk van het gegeten voedsel. De das graaft kleine, 10 tot 15 cmdiepe, putjes om zijn uitwerpselenin te deponeren. Deze mestputjes maakt de das in de omgeving van de burcht, aan de bosrand, in het foerageergebied en langs territoriumgrenzen. Loopsporen van de das zijn goed herkenbaar. De brede prenten bestaan uit uit een groot, niervormig midden- voetkussen en 5 ovaleteenkussens. De nagelafdrukken staan los van de teenkussens. De das loopt veel in stap,waarbijde achtervoet de voorvoet bijna volledig bedekt. De voorvoet, zonder nagelafdrukken, is 50 tot 55 mm breeden 50 mmlang. De achtervoet is 35 tot 45 mm breed en 45 mm lang. Bij stap is de paslengte 40 tot 50 cm ende spreiding 10 cm.Daarnaast draaft de das ook veel, waarbij de achtervoet voor of op de voorvoet komt. Hierbij isde paslengte 30 cm bijeen langzame draf en tot 70 cm bij een snelle draf. In open terrein of wanneer een dasvluchtgaat hij over in galop ofsprongengalop. De das gebruikt ook bomen in de omgeving van de burcht als krabboom en als speelboom. Een krabboom wordtgebruikt om de nagels aan te slijpen en dat doen ze ongeveer op dezelfde wijze als de kat. Als er jongen zijn, iser vaak ook een speelboom bij de burcht te vinden. Deze is duidelijk te herkennen omdat de bosbodem rondomdeze boom is weggeveegd.Dassenburchten zijn te herkennen aan de grote hoeveelheden zand, waardoor ze te onderscheiden zijn van vossenholen. Op deze stortbergen loopt vaak een geul en er zijn vaak dassenharen en loopsporen op te vinden. De vorm van een niet al te oud en uitgesleten dassenhol is iets breder dan hoog met een diameter van 25 tot 30 cm.Een burcht kan heel groot zijn en eeuwen oud. In de loop van de tijd is hij dan bewoond door vele generaties dassen. De woning bestaat uit verschillende kamers en een aantal verbindingsgangen. Bovendien zijner luchtschachten voor frisse lucht, waardoor de burcht droog blijft. De grond wordt zijdelings uit de burcht weggewerkt. Kenmerkend zijn ook de bochten in de pijpen. Ook de diepe gleuf in de grond van de uitgang vertoonteen bocht. Naar boven
Das
Veelvraat
De veelvraat of warg (Gulo gulo) is krachtig gebouwd en heeft een massief lichaam en korte poten, die ver uiteen staan en eindigen in brede voeten met lange scherpe klauwen. Hij heeft een ruige, donkerbruine tot zwarte vacht met lichtere, gelige vlekken op de kop en een gele streep van de schouders via de flanken naar de lange staart. Hij heeft korte, sterke poten. Een mannetje kan tot 45 kg wegen, met een lichaamslengte van 70 à 90 cm en een staart van 20 cm. Meestal bereikt een volwassen veelvraat een kop-romplengte van 62 tot 67 cm, een staartlengte van 13 tot 25 cm een schouderhoogte van 40 tot 45 cm. Ze wegen meestal tussen de 9 en de 30 kg. Leefwijze Veelvraten graven geen hol en maken geen blijvend leger, maar gebruiken elke beschikbare natuurlijke schuilplaats in het gebied waar ze aan het jagen zijn. Ze zijn zowel overdag als's nachts actief. Na een activiteitsperiode van drie à vier uur volgt een korte rustpauze. Veelvraten leven alleen, behalve gedurende de voortplantingstijd en houden een zeer uitgestrekt maar nauwkeurig begrensd territorium. Het mannetje heeft een enorm woon- gebied van zo'n 600 tot 1000 km². Binnen het woongebied liggen de territoria van twee à drie vrouwtjes. Deze territoria zijn zo'n 50 tot 350 km² groot. De vrouwtjes dulden geen andere vrouwtjes in hun territoria. Ook mannetjes tolereren in een groot gedeelte van hun territorium geen andere veelvraten van hetzelfde geslacht. Een veelvraat is niet erg snel en geen begaafde sluiper. Hij kan zich hoogstens achter een rots in een soort hinderlaag ver- schuilen of zich van een overhangende tak op zijn slachtoffer laten vallen. Hij vertrouwt voornamelijk op zijn ongewone moed bij het verdrijven van andere roofdieren van hun prooi. De veelvraat ontbloot dan zijn tanden, zijn haren op nek en rug gaan overeind staan. Zelfs beren laten bij zo`n dreigend vertoon een karkas liggen en gaan er vandoor. Hij heeft een opmerkelijk sterk gebit en sterke kaken. Leefgebied De veelvraat heeft een voorkeur voor uitgestrekte, koude en vochtige naaldwouden (vlakbij moerassen) en bergachtig bosgebied met rotshellingen. In de zomerperiode wil hij zich ook op de toendra wagen, een gebied zonder bomen aan de rand van het pool- gebied met een begroeiing bestaande uit grassen, mossen en dwergstruiken, maar meestal blijven ze in de naaldbossen. Voedsel De veelvraat is een carnivoor, maar hij is ook opportunistisch en eet ook regelmatig plantaardig voedsel, zoals vruchten. In de winter worden (zieke) herten, reeën, elanden en rendieren gegrepen. Muizen, ratten, allerlei andere kleine zoogdieren, eieren, op de grond nestelende vogels, insecten, eenden en slakken behoren tot het gevarieerde voedsel van de veelvraat. Bovenal leeft hij echter van aas, vooral van gedode prooien van andere roofdieren. Hij heeft de reputatie krachtig genoeg te zijn om een rendier of zelfs een eland te doden en een karkas van drie maal zijn eigen gewicht over enige afstand over een ruwe bodem te kunnen slepen. Een deel van het voedsel wordt opgeslagen en met aarde of sneeuw bedekt of in een oksel van een tak gehangen. Voortplanting en leeftijd De paartijd duurt van april tot augustus. De draagtijd is vertraagd en de vrucht begint pas vanaf november te groeien. In februari of maart worden één tot vier jongen geboren. Deze jongen begeven zich tot begin mei nooit ver van het hol af. Ze worden zo'n acht tot tien weken gezoogd. In augustus verlaten de mannelijke jongen het woongebied van de moeder. Vrouwelijke jongen kunnen de rest van hun leven doorbrengen in of vlakbij het woongebied van hun moeder. Veelvraten zijn in het tweede jaar geslachtsrijp. Ze kunnen tot 13 jaar oud worden.. Sporen De veelvraat heeft relatief grote voeten met een breedte van 7,5 à 10 cm en lengte 10 tot 12,5 cm. De veelvraat heeft vijf tenen, maar soms zijn maar vier tenen in een prent te zien. De loopgang bestaat meestal uit een drie of vier prentenpatroon, bijvoorbeeld bij lichte of stevige sneeuw, maar bij zachte, diepe sneeuw is het een twee prentenpatroon. Veelvraten markeren hun gevonden voedsel met uitwerpselen of haren. Een deel van zijn gevonden voedsel wordt opgeslagen en met aarde of sneeuw bedekt of in een oksel van een tak gehangen. Naar boven
Veelvraat
Hermelijn
Een hermelijn (Mustela erminea) heeft een langgerekt lichaam. De vacht is kastanjebruin van kleur, met een gelig witte buikzijde en een zwarte staartpunt. De hermelijn heeft een zomer- en een wintervacht. In de zomer is de vacht roodachtig bruin en in de winter wit. In het noorden van het verspreidingsgebied wordt de vacht, met uitzondering van het zwarte staartpuntje, geheel wit, maar in de zuidelijke gebieden wordt hij slechts gedeeltelijk wit. Het dier kan 160 tot 310 mm lang worden, met een staartlengte van 95 tot 140 mm en een gewicht van 90 tot 445 gr. Mannetjes zijn veel groter dan vrouwtjes. De kop-romplengte van een mannetje is gemiddeld 297 mm, de staartlengte 117 mm en het gewicht is 200 tot 445 gr. Het vrouwtje heeft een kop-romplengte van 264 mm, met een staartlengte van 110 mm en een gewicht van 140 tot 280 gr. Noordelijke populaties zijn kleiner van formaat. Leefwijze Hermelijnen leven solitair in territoria. Binnen een territorium bevinden zich twee tot tien nesten. Vaak gebruiken hermelijneneen holle boom, een ruimte tussen rotsen of een verlaten hol als nest. De verlaten holen kunnen van prooidieren zijn. Het nest wordt bedekt met de vacht van knaagdieren. De hermelijn is zowel overdag als 's nachts actief met daar tussendoor rustpauzes. Een hermelijn is een carnivoor, die voornamelijk op knaagdieren jaagt, maar ook vogels en haasachtigen worden gedood. Mannetjes doden grotere prooidieren dan vrouwtjes. De prooidieren worden met een beet in de nek gedood. Voortplanting en leeftijd De paartijd valt in mei en juni. Tijdens de paartijd gaat het mannetje zwerven. Zijn woongebied overlapt dan enkele territoria van vrouwtjes. De draagtijd wordt met 280 dagen verlengd waardoor pas in maart de embryo tot ontwikkeling komt, waarna de eigenlijke draagtijd 21 tot 28 dagen duurt. In april en mei worden vijf tot twaalf jongen geboren. De jongen zijn blind en doof, maar zijn al bedekt met een bleke, pluizige vacht. Een donkerbruine maan groeit op de nek. Als de moeder de jongen verplaatst, grijpt ze de jongen in deze maan. Na vier weken krijgen ze hun eerste prooi en worden ze na vijf weken gespeend. Na twaalf weken kunnen de jongen goed jagen. Rond deze tijd zijn ze onafhankelijk. Na een jaar zijn de mannetjes geslachtsrijp, maar de vrouwtjes al na vijf weken. In juli en augustus verlaten de jongen het nest, waarbij de mannetjes verder weg trekken dan vrouwtjes. Sommige volwassen mannetjes paren soms met jonge vrouwtjes, die nog niet zijn gespeend, waardoor deze praktisch hun gehele kindertijd drachtig. Hermelijnen kunnen tien jaar oud worden, maar gemiddeld worden ze slechts anderhalf jaar oud. Sporen Doordat hermelijnenzich zowel met de stappengang als meteen sprongengalop, de zogenaamde 'martersprong',voortbewegen, hebben ze een paslengte van 30 tot 50 cm bij de sprongengalop. Bij de sprongengalop staan depootafdrukkenin groepjes van twee, drie of vier. De voorvoet is11 tot 20 mm breed en heeft eenlengte van20 tot 25 mm, maar kan bij het lopen met gespreide tenen breder zijn. De achtervoet heeft een breedte van ongeveer 10 tot 19 mm en een lengte van 25 tot 40mm. De spreidingis tot 5 cm. De uitwerpselen zijn 3 tot 6 mm dik en 4 tot 8 mm lang. Ze zijn gevlochten, langgerekt en puntig. Indien vers zijn de uitwerpselen glimmend en zwart. Bij het verweren worden ze grijs en viltig. Een hermelijn graaft over het algemeen geen eigen hol, maar nemen door andere dieren gegraven holen over, zoals van konijnen. Hij kan ook een natuurlijke holtes betrekken. De hermelijn heeft holen met een minimale diameter van 5 cm. Hermelijnen slepen hun prooien soms naar hun hol, waarbij de prooiresten dan in de buurt liggen. Naar boven
Hermelijn
Wezel
De wezel (Mustella nivalis) behoort tot de familie der marterachtigen, net als de hermelijn, de bunzing,de boommarter en steenmarter.De vrouwtjes zijn een stuk kleiner dan de mannetjes. Ze zijn zelfs zó klein, dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen. Het lichaam van de wezel is slank en langgerekt met korte poten en een korte staart. De lengte is 13 tot 23 cm, de staartlengte 3 tot 6 cm en het gewicht 40 tot 150 g. De rug is bruin en de buik wit, met een onregelmatige afscheidingslijn. Soms zijn de voetjes wit. De staart van de wezel is kort en geheel bruin, in tegenstelling tot de staart van de hermelijn; deze is langer en heeft een zwarte punt. Leefwijze en voedsel De wezel is een vleeseter. Hij jaagt op de reuk en zoekt continu holtes of holletjes af. Prooien worden zo nodig onder de grond achtervolgd en gedood door een beet achter op de kop. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen (tot 85% van het menu). Daarnaast eten ze ook wel bosmuizen, ratten, mollen, vogeltjes, eieren, slakken, kikkers, insecten en jonge konijnen en haasjes, vooral als het aantal woelmuizen beperkt is. De voedselbehoefte is één à twee muizen per dag. Soms bewaart de wezel zijn voedsel, bijvoorbeeld een dode muis of vogeltje, in een holte, om het later weer op te halen. Leefgebied Wezels leven in veel verschillende biotopen, eigenlijk overal waar muizen voorkomen. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen. Goede schuilmogelijk- heden en de aanwezigheid van voldoenden geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. De grootte van de leefgebieden van de wezels varieert van 1 tot 25 hectare; van de vrouwtjes zijn ze over het algemeen veel kleiner dan van de mannetjes. Wezels doorkruisen hun leefgebied regelmatig en slapen op verschillende rustplaatsen in dat gebied. VoortplantingDe wezel is zowel overdag als 's nachts actief. Hij leeft solitair, behalve in de voortplantingstijd. De paring kan het gehele jaar door plaatsvinden, maar valt meestal in de periode februari-april. De draagtijd is ongeveer zes weken. Meestal worden de jongen in mei geboren, ongeveer vijf tot zeven per worp. Soms is er dan nog een tweede worp. Na twee tot drie maanden zijn de jongen zelfstandig. Sporen De aanwezigheid van wezels is af te leiden uit pootafdrukkenen uit uitwerpselen. Doordat wezels zich voortbewegen in de zogenaamde 'martersprong'hebben wezels een paslengte van 15 tot 30 cm en staan de pootafdrukken, in groepjes van twee, drie of vier.De voorvoet is 7 (tot 15) mm breed en een lengte van 8 tot 13 (tot 20) mm. De achtervoet heeft een breedtevan 6 ( tot 13) mm en een lengte van 15 (tot 30) mm . De spreiding is tot 3 cm. De wezel gebruikt zijn uitwerpselen als markering, zowel voor zichzelf (vertrouwde geur) als voor soort- genoten(afschrikking of aantrekking). De uitwerpselen zijn klein, langgerekt en sterk gedraaid of gevlochten, met eenpuntig uiteinde. Ze zijn ca. 3 mm dik, 3 tot 4 cm lang en zwart tot grijs van kleur. Vooral in de buurt van schuilplaatsen worden veel uitwerpselen gedeponeerd. Wezels graven meestal zelf geen holen, maar betrekken natuurlijke holtes of nemen door andere dieren gegravenholen, zoals van konijnen en ratten, en graven die dan eventueel nog uit. Wezels passen vanwege hun geringeomvangin muizenholen met een diameter van 3 cm. Prooiresten worden af en toe bij de ingang van de schuilplaats achtergelaten, maar zijn meestal niet herkenbaarals wezelsporen. Ze kunnen net zo goed afkomstig zijn van een hermelijn, bunzing of nerts. Wanneer een wezeleen vogel verorbert, worden eerst de grote vleugel- en staartpennen afgebeten op de plaats waar deze het lichaamuitkomen. De veren zijn dan herkenbaar aan het ontbreken van de schacht- punten.Het bijtvlak is vaak een beetjevezelig of ruw. De afstand tussen de hoektanden zijn bij mannetjes 4 tot 5 mmen bij vrouwtjes 3 tot 4 mm.Dode muizen met bijtwonden in lijf of schedel zijn meestal prooien van kleinemarterachtigen.Ook kleine prooidieren met van onderen opengebeten schedels. Wezels verstoppen kleineknaagdieren of vogeltjesonder graspollen, moskussens, blad- of humuslaag of achter loszittende boomschors.Meestal betreft het een enkelprooi, soms zijn het er enkele. Naar boven
Wezel
Wasbeer
De gewone wasbeer (Procyon lotor) is te herkennen aan hun karakteristieke zwart-met-witte gezichtsmasker en de ruige, zwartgeringde staart. Het aantal ringen is meestal vijf, maar varieert van vier tot tien. Het masker valt extra op door de grijze strepen die erboven en onder lopen. Verder heeft de wasbeer een brede kop met een spitsekorte, afgerondeoren, een gedrongen lichaamsbouw en lange poten. De lange, dichte vacht varieert in kleur van grijsachtig bruin tot donkergrijs. De tenen van de voorpoten zijn vrij lang en kunnen wijd uitgespreid worden. De nagels zijn niet intrekbaar. Hij heeft een zonder de staart meegerekend een lengte van 48 tot 90 cm, een hoogte van 30 tot 35 cm en een gewicht van 3 tot 15 kg. De staart heeft een lengte van 20 tot 40 cm. Leefwijze en voedsel Wasberen leven solitair of in kleine familiegroepen. De dieren zijn niet territoriaal, en meestal overlappen de woongebieden van verscheidene dieren. De woongebieden van mannetjes overlappen daarentegen nauwelijks met elkaar. Meestal overlapt het woongebied van een mannetje met één tot drie vrouwtjes. Onverwachte ontmoetingen tussen alleen levende dieren gaan gepaard met veel gegrom en met dreiggedrag. Onverwante dieren mijden elkaar in het algemeen. Ze zijn vooral 's nachts actief, maar soms komen was- beren ook overdag tevoorschijn en ze zijn regelmatig in de schemering aan te treffen. Een wasbeer gebruikt meerdere verblijf- plaatsen. Meestal slaapt de wasbeer overdag in ondergrondse holen, boomholten of verlaten vogelnesten, soms op aanzienlijke hoogte. Ook verlaten holen, omgevallen bomen en ruimtes tussen rotsen worden gebruikt en zelfs in riolen en schoorstenen brengen ze de dag door. Soms neemt hij overdag liggend op een boomtak een zonnebad. Meestal gebruikt maar één wasbeer een verblijfplaats, met uitzondering van vrouwtjes met hun jongen. Wasberen houden geen winterslaap, maar raken wel inactief bij te slecht of te koud weer (bijvoorbeeld als het vriest). Als de zon schijnt zal hij echter tevoorschijn komen. De wasbeer beweegt zich voort in een langzame gang met de kop laag bij de grond, de rug gekromd en de staart laag. Toch kan hij, als het nodig is, zeer hard rennen. De wasbeer is ook een zeer goede zwemmer en klimmer. Tijdens het zwemmen blijft de kop boven water en wordt de staart gebruikt als roer.De reuk- en tastzinzijn goed ontwikkeld en helpen hem bij zijn zoektocht naar voedsel. Met behulp van de gevoelige voorpoten voelt de wasbeer in ondiep water onder stenen en in de modder of er zich voedsel bevindt. Ook brengt hij voedsel in zijn voorpoten naar het water, waar hij het kneedt en omkeert, om oneetbare delen uit het voedsel te verwijderen. Vroeger werd dit gedrag ten onrechte aangezien voor het wassen van zijn voedsel. Hierdoor is de wasbeer aan zijn naam gekomen. Het leervermogen van wasberen is groot en ze zijn in staat eerder opgedane ervaringen te benutten om nieuwe problemen op te lossen. Ervaringen kunnen ook doorgegeven worden aan soortgenoten of aan een volgende generatie. De wasbeer is niet kieskeurig wat betreft zijn voedsel. Vooral kleine dieren, waaronder wormen, schaaldieren als rivierkreeften, weekdieren, amfibieën als kikkers, kleine zoogdieren tot de grootte van een haas, hagedissen, vissen, insectenlarven en zelfs slangen staan op het menu. Verder haalt de wasbeer vogelnesten leeg, waarbij hij de eieren en jongen verorbert. Ook is hij dol op vruchten, noten en granen. Daarnaast voedt de wasbeer zich ook met aas en eetbare afvalresten. Met hun voorpoten kunnen ze voedsel dragen. Voortplanting De paartijd is van januari tot begin februari. Na een draagtijd van 60 tot 73 dagen worden er meestal van maart tot mei vier of vijf jongen (maar variërend van drie tot zeven) geboren. Ook worden er in het begin van de zomer wel eens jongen geboren. De jongen worden geboren in een hooggelegen boomholte. Als de moeder ze wil verplaatsen draagt ze haar jongen bij hun nekvel. Bij gevaar vluchten de jongen snel in een boom en worden ze fel verdedigd door hun moeder. Na een week of tien maken de jongen kleine tochtjes met de moeder en een week later verhuizen de jongen voor de eerste keer naar nieuwe holen. Na anderhalf tot vier maanden worden de jongen gespeend. Gewoonlijk blijven de jongen bij de moeder tot in de herfst, maar bij schaarste aan goede schuilplaatsen brengen ze soms nog samen de winter door in hetzelfde hol. Na één jaar zijn de jongen geslachtsrijp. Een wasbeer kan in het wild tot zestien jaar oud worden, maar de meeste dieren halen de zeven jaar niet. De meeste wasberen sterven aan menselijke activiteiten als jacht en vergiftiging., maar ook honger (in de winter), parasieten en ziekten zijn belangrijke factoren. Jonge wasberen vallen vaak ten prooi aan roofdieren. Leefgebied De voorkeur van een wasbeer gaat toch uit naar bosrijke gebieden, voornamelijk loofwouden, met meren en waterstroompjes. Daarnaast leeft de wasbeer ook in stedelijke gebieden, kuststreken en berggebieden tot 2500 meter hoogte. Wasberen komen in Noord- en Midden-Amerika en komt sinds de vorige eeuw in Europa voor.Wasberen gebruiken de wissels van andere dieren naar meren, kreken en andere waterbronnen.Wasberen gebruiken tunnels om veilig onder wegen door te gaan. Sporen De wasbeer heeft zowel aan de voorvoet als aan de achtervoet 5 lange tenen met lange nagels. De voorvoet heeft een breedte van 34 tot 40 cm en een lengte van 45 tot 50 cm. De achtervoet is 45 tot 60 breed en 50 cm lang. De spreiding is 15 cm.De paslengte is bij stap 35 tot 40 cm. Bij de stap overdekken de prenten elkaar en liggen dichter bij de spooras. Bij een sprongengalop is de paslengte 70 tot 80 cm.Bij draf staan de prenten vande achtervoet schuin naast die van de voorvoet. De uitwerpselen van de wasbeer zijn kruimelig, hebben een platte uiteinde en kunnen een variatie aan voedseldeeltjes bevatten. Ze zijn 7 tot 15 cm lang, maar zijn meestal in segmenten gebroken. De dikte van de uitwerpselen zijn 15 tot 20 mm. De kleur is afhankelijk van wat zij gegeten hebben. Het kan zwart tot roodbruin zijn, oranjeachtig wanneer er deeltjes in zitten van kreeften of schelpdieren of grijswit als er botresten bevat. Wasberen laten hun uitwerpselen achter op bomstammen, aan de voet van bomen. Wasberen markeren binnen hun leefgebieddoor hun uitwerpselen langs wissels en op opvallende plekken te plaatsen. Naar boven
Wasbeer
Bruine beer
De Europese bruine beer (Ursus arctos arctos) heeft over het algemeen een bruine vacht, maar het kan variëren, van licht crème tot zwart. Het uiteinde van de lange haren is vaak blond. Karakteristiek voor de bruine beer zijn de lange nagels aan zijn voorpoten. Mannetjes hebben een lengte van 210 tot 300 cm, een schouder- hoogte van 90 tot 150 cm en een gewicht tussen de 100 tot 315 kg. De vrouwtjes zijn kleiner en hebben een lengte van 170 tot 240 cm, een schouderhoogte van 70 tot 120 cm en een gewicht tussen de 60 en 200 kg. Bruine beren hebben een kleine staart van 6 tot 21 millimeter en kleine, ronde oren. Leefwijze en voedsel Bruine beren zijn solitair, met uitzondering van het vrouwtje dat haar jongen bij zich houdt, maar territoria kunnen overlappen. Het territorium van een volwassen mannetje beslaat meestal de territoria van meerdere vrouwtjes en overlapt soms met de territoria van andere volwassen mannetjes. De mannetjes vechten soms om de vrouwtjes, waarbij ze op hun achterpoten gaan staan om elkaar te imponeren. Op plaatsen waar er voedsel in overvloed is, komen de beren vaak bij elkaar. Jonge beren zijn erg actief en speels, en nemen graag een verkoelende duik in het water. Door met zijn rug tegen een boomstam te wrijven, laat de bruine beer geursporen achter waarmee hij zijn territorium markeert. Vooral jonge beren kunnen uitstekend klimmen en tijdens hun spel vormen zelfs de hoogste takken geen belemmering. Broers en zussen kunnen soms tot 2 jaar nadat ze hun moeder hebben verlaten met elkaar optrekken. De bruine beer is een omnivoor met een uitgebreid menu met bijvoorbeeld vis, maar hij eet voornamelijk plantaardig voedsel, zoals grassen, zaden, noten, bast, wortels en knollen en honing. Een beeris echter in staat omook hoefdieren te grijpen, zoals edelherten, rendieren en elanden. Een bruine beer loopt gemiddeld 5 tot 6 km/u, maar kan 50 tot 60 km/u halen. Bruine beren gaan gedurende circa 5 tot 7 maanden in winterrust. Tijdens zo’n periode vertraagt zijn hartslag, maar blijft zijnlichaamstemperatuur vrij constant, waardoor hij makkelijk wakker kan worden gemaakt. De winterrust wordt gehouden in een ondergronds hol of een grot. Deze bedekt hij met twijgen, mos, bladeren en ander droog materiaal. Vaak maakt hij meerdere holen, en soms graaft hij ze zelf uit. Indien een beer in de winterperiode wordt gestoord gaat hij naar een ander hol. Voordat de beer in winterrust gaat, eet hij zich vol. Leefgebied De Europese bruine beer komt vooral voor in gemengde bossen, maar begeeft zich regelmatig in open gebieden, als toendra's en alpenweiden. Voortplanting en leeftijd De paartijd is van mei tot juli, waarbij de bevruchting 4,5 tot 7 maanden wordt uitgesteld. Daarna volgt een draagtijd van ongeveer zestig dagen, waarna de jongen in januari en februari tijdens de winterrust worden geboren. De 1 tot 4 blinde, kale jongen wegen bij de geboorte tussen de 300 en 500 gram en na 4 maanden verlaten de jongen voor het eerst het nest. Hierna blijven de jongen nog anderhalf tot drieëneenhalf jaar alleen bij de moeder, want het mannetje zorgt niet voor de jongen. Meestal zit er twee tot drie jaar twee worpen. Als de jongen anderhalf zijn, worden ze gespeend. Mannetjes zijn rond 4 à 5 geslachtsrijp en de vrouwtjes vanaf 3 tot 3,5 jaar. De Europese bruine beer wordt ongeveer 30 jaar oud. Sporen De poten van de bruine beren zijn naar binnen gericht met het grootste deel van hun gewicht op de buiten- kant.De afdrukken van de klauwen en de kleinere, binnenste teen zijn niet altijd zichtbaar. De voorpoten hebben een lengte tot 15 cm en een breedte tot 14 cm. De achterpoten zijn tot 25 cm lang en tot 15 cm breed. De spreiding is 43 tot 47 cm en de paslengte 45 tot 50 cm.Beren lopen over dezelfde paden, wissels, als de generatie berenvoor hen waardoor een spoor ontstaat van afdrukken die jaren blijven en dan vooral bij markerings- bomen. Beren van beide seksen en alle leeftijden schuren hun geur op markeringsbomen, maar de meerderheid van deze markeringen worden, gedurende de paartijd, door volwassen mannetjes gedaan. Ze schuren hun schouders, nek en kruin en kunnen ook hun tanden en klauwen gebruiken. Klauwmarkeringen zijn meestal oppervlakkig, maar beten met de snijtanden zijn diep genoeg om stukken schors en hout er uit te trekken. De beten laten een bijna horizontale markering achter en zitten vaan op een hoogt tussen de 150 tot 200 cm. Markeringsbomen zijn meestal te vinden langs de wissels. De gunstigste bomen hebben weinig grondvegetatie, waardoor een beer de boom makkelijk kan benaderen en deze leunen meestal richting de wissel. In de schors of hout zitten vaak de haren op een hoogte van 50 tot 150 cm. Een andere manier waarop beren hun geur achter laten is door over struiken en jonge bomen te lopen en dan tijdenshet passeren er over te urineren. Dit wordt door beide seksen gedaan. Indien jonge bomen bladeren hebben dan kunnen deze gekreukeld of afgescheurd zijn. Ook zijn er haren op waar te nemen. Bij het maken van een leger tijdens koud weer, vooral in de lente wanneer de grond nog bevroren is, gebruiken beren bladeren of plaatsen conifeertakken op de grond om zich van de grond te isoleren. Soms ook het schors van bomen. Bij warm weer liggen ze direct op de grond en dan vaak op koele, vochtige, mosachtige plaatsen. Beren verblijven op verschillende plekken in verschillende soorten holen. Een beer bedekt vaak zijn hol met allerlei materiaal, zoals twijgen, mos en bladeren. Een holte in een bladerbed met een doorsnede van 60 tot 120 cm en de aanwezigheid van haren geeft aan dat zo´n hol door een beer is gebruikt. Een manier om de aanwezigheid van haren na te gaan is het vochtig maken van de handen, ze over de bladeren te vegen en dan kijken of er haren aan blijven hangen. Vorm en vastigheid van de uitwerpselen wordt bepaald door het voedsel dat een beer zoal heeft gegeten. Beren eten vaak veel van een overvloedige voedselbron. Wanneer beren vruchten of andere vegetatie hebben gegeten kunnen de uitwerpselen een aangename lucht verspreiden. Naar boven
Bruine beer
Wilde kat
De Europese wilde kat (silvestris Felis silvestris) is fors gebouwd, heeft een forsere, bredere kop, langere poten, zwarte of grijze strepen over het lichaam en een dikke pluimstaart met 3 tot 5 zwarte ringen en een ronde, zwarte eindpunt. De ogen zijn vaalgeel van kleur. De vacht is vaak geelgrijs, maar hierop zijn vele variaties. Wilde katten hebben een kop-romplengte van 60 tot 85 cm en een staartlengte van 25 tot 35 cm. Ze wegen 1,6 tot 8 kg en hebben een schouder- hoogte van 35 tot 40 cm. Leefwijze en voedsel De Europese wilde kat is voornamelijk een nacht- en schemeringsdier en onderneemt dan verre strooptochten op zoek naar prooidieren. Hij jaagt alleen of in paren vooral in de avond en vlak voor zonsopgang. Hij bespringt en besluipt zijn prooi vanuit een hinderlaag. Een wilde kat kan goed klimmen, waarbij hij achterwaarts uit een boom klimt. Bij bedreiging kromt hij zijn rug en zet hij zijn haren op, om groter te lijken. Vrouwtjes hebben een vast territorium, terwijl de meeste mannetjes, voornamelijk jonge dieren) nomadisch zijn en zich vaak door de territoria van vrouwtjes begeven. In de winter en het paarseizoen vestigen de katers zich in een vast woongebied. Volwassen katers houden er soms het gehele jaar door een vast territorium op na, die vaak overlapt met dat van drie tot zes poezen. Als hol gebruikt hij meestal een holle boom of een spleet tussen rotsen, maar ook verlaten konijnenholen of dassen- burchten worden gebruikt. Hij gebruikt voornamelijk in koud weer een hol, voornamelijk tussen november en februari. Een wilde kat krabt niet alleen aan een boom om zijn nagels te scherpen, maar markeert tevens zijn territorium met geurstoffen uit klieren aan de voet en door te sproeien (urineren). In de herfst vormen wilde katten een vetlaag als reservebrandstof om de vaak strenge koude van hun woongebied te doorstaan. In de winter en in de voortplantimgstijd komt het mannetje ver buiten zijn eigen gebied op zoek naar voedsel of een partner. Een wilde kat jaagt voornamelijk op konijnen, kleine knaagdieren en ook op vogels. De Europese wilde kat vult zijn dieet aan met gras, amfibieën, vissen, insecten en jonge hoefdieren, zoals reekalveren. Hij jaagt voornamelijk in meer open terrein. Leefgebied De wilde kat heeft een voorkeur voor open plekken in laaggelegen loofwouden en aan de rand van uitgestrekte wouden. Hij komt voor in afgelegen streken in middelgebergten en hoogveengebieden, in gevarieerde droge bossen en in heidevelden. Voortplanting en leeftijd Het paarseizoen valt in de late winter en de lente. Het wijfje maakt een haar nest, zonder nestmateriaal, in een afgelegen rotsspleet of holle boom. De meeste jongen (kittens) worden in mei geboren, maar geboorten komen van april tot september voor. Na een draagtijd van ongeveer 63 tot 69 dagen komen 1 tot 8 (gemiddeld 3 à 4) jongen ter wereld. De jongen zijn bij de geboorte blind en bedekt met een donkere vacht. Ze wegen 100 tot 163 gram bij de geboorte. Na tien tot dertien dagen gaan de ogen open. Ze hebben dan blauwe in plaats van gele ogen. Als ze ongeveer 10 weken oud zijn leert de moeder hen jagen. Ze krijgen moeder- melk tot ze 4 maanden oud zijn. De jongen zijn op een leeftijd van circa vijf maanden onafhankelijk en verlaten dan hun moeder.Na 10 maanden zijn ze volgroeid. In de herfst of de winter verlaten de jonge mannetjes het territorium van de moeder, terwijl jonge vrouwtjes vaak in of nabij het geboortegebied blijven. Mannetjes zijn na één jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na negen tot tien maanden. Kittens vallen ten prooi aan roofvogels, vos, hermelijn en marters. Veel dieren sterven aan verhongering in de wintermaanden en aan ziekten. Wilde katten worden hoogstens 12 jaar. Sporen De voorvoeten hebben 5 tenen, maar doordat de duim hoog aan de voet zit, is deze nooit in een prent waar te nemen. Aan de achtervoeten hebben de wilde katten maar 4 tenen. De prenten vormen een vrij ronde afdruk, waarbij de tenen in een halve cirkelvorm staan en boven de voetkussen. De voeten hebben een voet- breedte van3,5 tot 4 cm en een voetlengte van 4 tot 4,5 cm. Bij het afzetten voor een sprong zijn soms de afdrukken van de nagels te zien. Bij stap is de paslengte 25 tot 30 cm. Bij draf komen de prenten van de achtervoet op die van de voorvoet, waardoor het lijkt alsof er slechts één prent staat met vijf prenten. De pas- lengteis hierbij 35 tot 40 cm. Wilde katten bijten bij grote prooien, zoals reekalfjes de kop af en gaan deze dan verstoppen. De schedel wordt hiervan open gemaakt, waarbij de hersens en tong worden aangevreten.Bij de grote prooien worden de ingewanden en het spierweefsel van de voorpoten en de dijen niet gegeten. Bij kleinere prooien laten wilde katten geen vleesresten aan de botten zitten en zijn er soms beschadigingen van hun klauwen waar te nemen, zoals op de schouderbladen.Wilde katten verstoppen hun prooiresten soms onder struiken of bedekken het met bladeren, gras of aarde. De uitwerpselen van een wilde kat zijn cilindervormig, 1 tot 2 cm dik en hebben een lengte van 2 tot 8 cm. Bij het indrogen kunnen de uitwerpselen bij de insnoeringen uit elkaar vallen waardoor er korte en harde uitwerpselen ontstaan. De uitwerpselen zijn hard en bestaan uit haren of veer- en botresten. De kleur is donker- tot lichtgrijs. Een wilde kat deponeert zijn uitwerpselen op bepaalde markeringsplekken, zoals graspollen, boomstronken, maar worden ook langs wissels gedeponeerd. De wilde kat maakt gebruik van vaste wissels. Naar boven
Wilde kat
Lynx
De Euraziatische lynx of los (Lynx lynx) heeft karakteristieke bakkebaarden, gepluimde oren en een kort staartje. Hij staat hoog op de poten. De vacht van de lynx is in de zomer geel- bruin. 's Winters is de vacht bleker en dikker. Verspreid over zijn lichaam liggen enkele kleine, bleke vlekken. Lynxen zijn goed tegen kou bestand, dankzij de dichte vacht en de haarkussens aan hun voeten. De gepluimde oorschelpen zijn uiterst nuttig voor het opvangen van zelfs de zwakste geluiden. Ze hebben als het ware de functie van antennes. De lengte ligt bij een volwassen lynx tussen de 80 en 130 cm, de schouderhoogte tussen de 60 en de 75 cm, gemiddeld 65 cm. Het staartje wordt 11 tot 25 centimeter lang. Lynxen wegen 18 tot 25, soms tot 38 kg. Leefwijze Elk dier heeft zijn eigen territorium die in grootte kunnen variëren van 30 km 2 tot meer meer dan 1000 km2. Het gemiddelde ligt ongeveer tussen de 100 tot 250 km2. Het territorium van een mannetje en vrouwtje kunnen elkaar grotendeels overlappen. Ook de territoria van twee mannetjes kunnen elkaar gedeeltelijk overlappen, maar dan houden ze zich wel in verschillende delen op zodat ze elkaar niet kunnen treffen. De grootte van het territorium van het mannetje hangt onder andere af van de verdeling van de vrouwtjes, terwijl het voor het vrouwtje bepaald word door voedselfactoren. De lynx bakent zijn territorium af met geurvlagen en met visuele sporen. Het kan zijn dat de lynx zijn uitwerpselen ervoor gebruikt of met krabsporen. De lynx krabt dan met zijn nagels in bomen wat door een andere lynx word gezien en die weet dan dat hij in een ander zijn territorium komt. Ook maken lynxen geluid. Het lijkt een beetje op de geluiden van de kat. Zo kunnen ze met elkaar communiceren. Hij is een uitstekend klimmer en zwemmer. Een lynx is voortdurend bezig met de evaluatie van zijn territorium op basis van prooidieractiviteit. Bekend is dat lynxen wildwissels voortdurend op recente betreding inspecteren. Het leger van een Lynx bevindt zich meestal in dicht struikgewas, in een ondiep hol of in een rotsspleet. Voedsel en jachttechniek Lynxen jagen voornamelijk in de schemering. Het zijn geen opportunisten en ze jagen voornamelijk op hazen, reeën en gemzen. Ook knaagdieren, jonge hoefdieren en hoendervogels als patrijs, korhoen en sneeuwhoen worden gegrepen. Een enkele keer worden ook grotere hertensoorten gedood. De meeste dieren, waaronder hazen worden vanuit struiken beslopen. Lynxen rennen zelden, maar zijn onvermoeide lopers, die vele kilometers lang het spoor van hun prooi kunnen volgen. Lynxen jagen bij voorkeur vanuit een hinderlaag. Ze liggen achter een omgevallen boom of rots te wachten tot een prooidier langs komt en doen dan een korte uitval. Omdat het ook goede klimmers zijn liggen ze ook wel op de loer in bomen en laten zich op een voorbijkomend prooidier vallen. Een grote prooidier als een ree wordt dan vaak vanuit een hinderlaagboom 'geslagen', waarna het dier in de keel wordt gegrepen waardoor de nek gebroken wordt, of door een dubbele beet, in de schouders en in de nek. Bij beide methoden volgt de dood onmiddellijk.Een klein gedeelte van de aanvallen is succesvol (1 op de 6), want als zehun prooi niet binnen enkele meters te pakken kunnen krijgen laten ze hem lopen. Hierdoorzijn de aangevallen dieren snel oplettend geworden, waardoor de lynx zich moet verplaatsen naar een ander gedeelte van het territorium waar de prooien eenvoudiger te vangen zijn. De lynx eet gemiddeld één kilogram per dag. Omdat een ree te groot is om in een keer op te eten kan een lynx soms 6 dagen achter elkaar terugkomen naar een prooidier om hier nog van te eten. Leefgebied De lynx leeft veelal in bergachtig gebied en is een echte bosbewoner. In omgevallen bomen maakt hij een hol. Hij komt niet graag in open terrein. Voortplanting en leeftijd Aan de geur van de urine van een vrouwtje herkent het mannetje of zetot paren bereid isen andere vrouwtjes ruikenof zij jongen heeft. De paartijd loopt van januari tot maart, waarna na een draagtijd van ongeveer 74 dagen de jongen in mei of juni worden geboren. De lynx krijgt per worp tussen de één en de vijf, meestal twee à drie jongen. De oogjes gaan na 16 à 17 dagen open. De zoogtijd duurt twee tot vijf maanden. Ze verlaten het nest voor het eerst na 4 maanden. Ze blijven ongeveer 12 maanden bij de moeder. Het mannetje helpt de eerste twee maanden mee met de zorg, door voedsel voor de moeder te brengen. Moeders met jongen zijn erg agressief. Een mannetje is na ongeveer 30 maanden geslachts- rijp, een vrouwtje na 22 maanden. Het wordt maximaal 20 jaar oud, ongeveer 15 jaar. Sporen Bij de lynx zijn de achtervoeten iets langer en smaller van vorm dan de voorvoeten. De prenten zijn licht asymmetrisch. Soms zijn de nagelafdrukken zichtbaar waardoor ze op die van de hondachtigen lijkt. Bij de lynx zijn de teenkussens naar verhouding klein en ze staan minder dicht op elkaar. De voetbreedte is 5,5 tot 6 cm en de lengte 6,5 tot 8 cm. Bij de stapgang ligt de prent van de achter- voet over de voorvoet en is de paslengte 80 cm, maar bij de draf is deze al 135 cm. In tegenstelling tot andere roofdieren eet de lynx niet van de kop, hals of buikholte, maar eet hij vooral van de spierrijke delen. Nadatde haren en stukken vel met de tanden worden losgescheurd, sleept de lynx zijn buit na de eerste eetpartij vaak een stukje weg, waarna het aangevreten deel met losse aarde en bladeren wordt bedekt. De uitwerpselen van de lynx zijn tot 3 cm dik en dikwijls langer dan 10 cm. De vorm is afhankelijk vanhet voedsel dat de lynx heeftgegeten wat altijd dierlijk is. Dikwijls zijn ze zeer vast en kegelvormig, maar op de insnoeringen van elkaar losgeraakt, waardoor losse segmenten ontstaan. Indien deze segmenten nog aan elkaar zitten dan zijn de uitwerpselen cilindervormig. De losse segmenten zijn aan éénkant stomppuntig en aan de andere ronder. Vers zijn de uitwerpselen nog met een dunne slijmlaag bedekt, maar als de uitwerpselen opdrogen worden ze mat. Bij de vrouwtjes kleuren ze geel tot geelbruin, bij de mannetjes donkerbruin en bij jongere dieren wit tot witgeel. (De uitwerpselen worden niet op de verhoogde plekken geplaatst, maar er juist naast. Ze worden ook bijuitzichtplaatsen gelegd. De uitwerpselen worden soms bedekt met aarde, humus of bladeren.) De krabsporen van de lynx worden in bomen geplaatst, zodat deze door een andere lynx wordt gezien en dan weet dat hij in een ander zijn territorium komt. Naar boven
Lynx
Eekhoorn
De Rode eekhoorn (Sciurus vulgaris)is een knaagdier. Eekhoorns hebben kromme klauwen waarmee ze makkelijk in bomen kunnen klimmen. Als ze springen strekken ze alle ledematen uit, waardoor de huid helpt het dier in de lucht te zweven. De staart dient als evenwichtsorgaan. Eekhoorns zijn ook goede zwemmers. Eekhoorns leven alleen en hebben een eigen leefgebied waarbinnen voedsel wordt gezocht. Deze territoria kunnen elkaar overlappen. De territoria van mannetjes zijn groter dan die van vrouwtjes. Deze eekhoornsworden 18 tot 24 cm lang en het gewicht varieert van wegen zo'n 230 tot 415 gram. Eekhoorns zijn zonder staart 21 tot 25 cm lang. De pluimstaart is 14 tot 20 cm lang. Mannetjes en vrouwtjes zijn even groot. Eekhoorns vallen op door hun gepluimde oren, rote pluimstaart,grote ogen en lange tenen met lange, scherpe nagels. De vachtkleur van rug en staart is rood of donkerbruin. Ze hebben een witte buik, die in de winter meer grijs tot donkerbruin is. Hoe ouder de eekhoorn, hoe grijsachtiger hij wordt. Leefwijze en voedsel De eekhoorn is een dagdier, maar meestal waarneembaar vlak na zonsopgang. Tijdens de schemering zijn ze het meest actief. Eekhoorns zijn vooral in de vroege ochtend en de namiddag actief. Voedsel zoeken ze in de bomen en op de grond. Ze kunnen goed springen en klimmen en bewegen zeer behendig tussen bomen en takken. Bij eekhoorns zitten de onderkaakhelften niet vast aan elkaar, waardoor ze hun onderkaken afzonderlijk kunnen bewegen en gebruiken als een soort hefboom om noten open te wrikken. Eekhoorns bijten een hazelnoot meestal in keer in de lengterichting middendoor of bijten er in een keer een groot stuk uit. In tegenstelling tot bij bosmuis en rosse woelmuis zijn er dan ook geen tandafdrukken op de breukrand. Enkel aan de top van de hazelnoot is er vaak een vrij grote tandafdruk te zien. Deze vraatsporen zijn niet alleen onder een hazelaar te vinden, maar ook aan de basis van een grote boom (zo kan de eekhoorn bij gevaar snel de boom invluchten of op de stronk van een omgezaagde boom (hoger gezeten kan de eekhoorn sneller onraad bespeuren). Eekhoorns maken nesten. Een nest heeft vaak een doorsnede van ongeveer 30 tot 50 cm. Ze maken deze in bomen, op minstens 6 meter hoogte, en ligt meestal op een brede takbasis tegen de stam of in een stevige takvork vlakbij de boomstam. Deze nesten worden gemaakt van twijgen, zowel van loof- als naaldhout, dennennaalden, blad en mos. Van binnen zijn de nesten bekleed met zacht materiaal zoals bast, gras, dennennaalden, mos of wol. Naast één hoofdnest zijn ook vijf tot zes kleinere 'reservenesten' in gebruik. Eekhoornnesten worden vooral in naaldhout en gemengd bos gevonden, maar ook wel in loofbos of boszomen. Een eekhoorn houdt geen winterslaap. In plaats daarvan houdt hij zich bij gure dagen in zijn nest verborgen en bezoekt hij op betere dagen 's ochtends zijn wintervoorraad. Een winter- slaap kennen eekhoorns niet, want ze blijven warm in hun nest en leggen voedselvoorraden aan. Wel zijn ze 's winters minder actief. De voedselvoorraden worden in de zomer en de herfst aangelegd. De plek waar ze hun voorraad hebben verstopt, vergeten ze vaak, maar dankzij hun reukvermogen sporen ze die meestal weer op. Doordat eekhoorns niet alle voorraden terugvinden, dragen ze bij aan de verspreiding van boomzaden in het bos. Eekhoorns eten voornamelijk plantaardig materiaal, zoals eikels, noten en kegels van naaldbomen, maar ze eten ook knoppen, bladeren, bessen, paddestoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Leefomgeving en leeftijd Eekhoorns komen vooral voor in naaldbossen en gemengde bossen, waarin veel naaldbomen staan.Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40 tot 80 jaar), omdat daar meer voedsel en nest- gelegenheid is. De belangrijkste predatoren zijn voornamelijk marters en roofvogels, zoals de havik. Eekhoorns worden 6 tot 7 jaar oud. Voortplanting De voortplantingsperioden zijn van december tot februari en van mei tot juni. Verschillende mannetjes achtervolgen éénzelfde vrouwtje en proberen met haar te paren. Na de paring leven ze weer apart. De draagtijd duurt 5 tot 6 weken. In deze periode bouwt het vrouwtje haar kraamnest dat steviger is dan een gewoon nest. Per worp worden er één tot acht jongen geboren. Gemiddeld zijn dit er drie. De jongen zijn bij de geboorte kaal en tien tot vijftien gram. Met drie weken zijn ze behaard en na vier weken gaan de ogen open. Na zeven tot acht weken komen de jongen voor het eerst buiten het nest. Als ze dan tien tot zestien weken oud zijn, zijn ze onafhankelijk. Na drie maanden worden ze door de moeder uit haar territorium gejaagd. En na tien tot twaalf maanden geslachtsrijp. Sporen Bij de loopsporen van eekhoorns is te zien dat de voorvoeten uit vier lange tenen met flinke nagels bestaanen de achtervoeten vijf tenen, waarvan de twee buitenste enigszins opzij gericht zijn. De achtervoet worden bijna altijd voor de voorvoet geplaatst. Bij de spreiding staan de achtervoeten verder uit elkaar dan de voorvoeten. De voorvoet heeft een breedte van 20 tot 25 mm en een lengte van 40 mm. De achtervoet is 25 tot 35 mm breed en is 40 tot 50 mm lang. De paslengte zitten tussen de 45 tot 100 cm. De spreiding is voor de voorvoeten 40 tot 50 mm en bij de achtervoeten 90 mm. Het spoor loopt vaak van boom tot boom. Wanneer eekhoorns op de grond heeft zitten eten, ontstaan er duidelijke eetplaatsjes. Wanneer de eekhoorns op een boomtak hebben zitten eten, liggen de restanten verspreid onder de boom. Bijvoorbeeld bij naaldboomkegels bijten eekhoorns de schubben van de spil af en laten daarbij de rafelige schubresten achter. Het is hem hierbij te doen om de zaadjes. Eekhoorns kunnen in een korte tijd enorme hoeveelheden onrijpe hazelnoten eten. Daarbij knagen ze onrijpe hazelnoten aan de zijkant of aan de top open. Vaak als de noten nog in een trosje bij elkaar zitten. Bij beukennootjes doorboren eekhoorns één van de drie zijkanten met de snijtanden. Wanneer er bij paddestoelen parallel lopende afdrukken van snijtanden te zien zijn, kan dit door eekhoorns zijn gedaan. Dit is aan de hand van de snijtandbreedte te bepalen. De snijtandbreedte van de eekhoorn is 3 tot 5 mm. Eekhoorns hebben keutels met een diameter van 4 tot 6 mm en een lengte van 5 tot 8 mm.Het zijn meestal kogelronde tot ovale keutels. Soms zijn ze meer langwerpig als enkele keutels aan elkaar kleven. Ook aan de bomen en struiken kunnen de vraatsporen van eekhoorns worden waargenomen. Bij de denworden de knoppen van de vrouwelijke kegel leeggegeten. Daarnaast bijten eekhoorns de scheuten vannaaldbomen af en eten dan de zijknoppen. Naar boven
Eekhoorn
Bever
Bevers vormen de grootste knaagdieren van Europa en Noord-Amerika.Er zijn twee soorten bevers: Canadese bever (C. canadensis)en Europese bever (C. fiber). De Canadese bever heeft echter een donkerder vacht en een kortere snuit. De volwassen dieren hebben een gewicht tussen de 15 tot 35 kg en zijn meer dan 1 meter lang, inclusief de staart. De lengte van het lichaam is 70 tot 100 cm en van de staart 25 tot 35 cm. Op het land bewegen de dieren zich onbeholpen voort, maar in het water zijn ze snel. Ze zwemmen en duiken uitstekend en kunnen met gemak 5 minuten onder water blijven. Bevers zijn dan ook goed aangepast aan het leven in het water. Ze hebben tussen de tenen van de achterpoten zwemvliezen zitten en de doorgaans bruine vacht bestaat uit haren die zo dicht op elkaar zitten dat er geen water tot op de huid kan doordringen. Daarbijkunnen de kleine oren en de neusgaten worden afgesloten. De platte 'geschubde' staart wordtgebruikt om in het water te kunnen sturen, maar ze gebruiken hun staartook om hun soortgenoten bij gevaar te waarschuwendoor met kracht hun staartop het water te slaan. Opvallend bij bevers zijn de grote voortanden. Deze zijn bedekt met een harde laag oranje glazuur. Het oppervlak aan de voorkant is harder dan de achterkant en daarom slijt deze kant minder snel. Hierdoorontstaat er een scherpe rand, waarmee bevers in staat zijn vrijwel alle houtige gewassen door te knagen of bij het eten het schors er af te trekken. De tanden groeien hun hele leven door, maar slijten af doordat ze tegen elkaar aan schuren, door het neerhalen van bomen en het eten. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren waar hun voedselvoorkeur goed aanwezig is. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. In gebieden waar er geen diep en kalm water aanwezig is, worden dammen gebouwd om de gewenste waterstand te krijgen. Bevers die in een gebied leven met een constante waterhoogte bouwen echter geen dammen. Bevers zijn vooral 's nachts actief. Overdag brengen ze de tijd voornamelijk slapend door op legers, in holen of in burchten. Het leger van de bever is een plek met platgetrapte vegetatie of een kuiltje, soms bekleed met houtsnippers. Op het land bewegen de dieren zich onbeholpen voort, maar in het water zijn ze snel. Ze zwemmen en duiken uitstekend en kunnen met gemak 5 minuten onder water blijven. De bever leeft solitair of in een kleine familie en doorgaans blijven een mannetje en vrouwtje hun hele leven bij elkaar. Na 3 jaar zijn ze volwassen en kunnen van april tot juli, na een draag- tijd van 3½ maand, een nest van gewoonlijk 1 tot 8 jongen krijgen (gemiddeld 4). Het aantal jongen is mede afhankelijk van de hoeveelheid voedsel en de leeftijd van het vrouwtje.In de zomer komen de jongen, die in een hol of burcht worden geboren, naar buiten. Bij de opvoeding van de jongen worden de volwassen dieren bijgestaan door de jongen van de voorgaande twee jaar die meehelpen om voedsel voor de kleintjes te verzamelen. Op 2- tot 3-jarige leeftijd verlaten jonge bevers het ouderlijk territorium en gaan ze op zoek naar een eigen leefgebied. De gemiddelde levensduur is 8-12 jaar. Vanwege hun grootte, hun leefwijze en- omgeving hebben bevers maar weinig vijanden. Bevers kunnen echter bij het eten aan de waterkant of tijdens het zich verplaatsen op het land. worden gedood door o.a beren, lynx en wolven. Andere doodsoorzaken, naast de mens,vormen heftige winterweer, verhongering tijdens de winter, waterschommelingen en overstromingen, en vallende bomen. Burchten en holen Zoals veel knaagdieren maken bevers onderkomens als beschutting om warm te blijven, om te bevallen, hun jongen op te voeden en voor bescherming tegen roofdieren. Een onderkomen kan bestaan uit: · holen in een oever · burchten aan een oever · burchtenomringd doorwater. Burchten omringd door water worden in gebieden gebouwd waar de oevers of de waterstanden onvoldoende zijn om een veilige hol of burchtte kunnen maken. Een burcht is gebouwd van op elkaar gestapelde takken, waartussen vaak modder is aangebracht en hebben vaak één of meer toegangen onder water. Midden in de beverburcht ligt het hol (de ketel). Op de bodem liggen blaadjes, houtsnippers en dunne takjes. Recht boven het hol is geen modder tussen de takken gesmeerd. Daar kunnen frisse lucht en een heel klein beetje licht naar binnen komen. De holen worden uitgegraven in de oevers van beken, rivieren en grote meren. Soms bouwen bevers boven de plek van de hol een burcht. De holen kunnen ook onder boomstronken of houtblokken worden gebouwd. Een beverfamilie kan verschillende burchten of holen hebben, maar gebruiken er maar één tijdens de winterperiode. Een rustplaats voor een bever is een plek met platgetrapte vegetatie of een kuiltje, soms bekleed met houtsnippers. Dammen Bevers laten gebieden niet alleen onderlopen als beschermingtegen roofdieren, maar ook als toegang voor hun voedselvoorraad en om te zorgen voor een doorgang onder water naar hun hol of burcht. Tevens zorgen ondergelopen gebieden ervoor dat de bodem nat wordt en groei stimuleert van hun favoriete voedsel. Het gevoel en het geluid van stromend water stimuleert bevers om dammen te bouwen. Dammen worden gemaakt en onderhouden met alle beschikbare materialen, zoals hout, stenen, modder en plantendelen en variëren in grootte van een kleine hoop hout- materiaal tot bouwwerken van 3 meter hoog en 50 meter breed. Bevers laten gewoonte getrouw een lek in de dam ongehinderd stromen en zeker tijdens periodes met hoog water. Bevers onderhouden hun dam goed en vergroten constant hun dam als het waterstand hoger wordt. Een beverfamilie bouwt en onderhoudt een of meer dammen in hun gebeid. In koude gebieden is het onderhoud aan een dam erg belangrijk. Dammen moeten in staat zijn om genoeg water tegen te houden om te voorkomen dat het meer tot de bodem dicht vriest, waardoor de toegang tot hun wintervoorraad wegvalt. Voedsel Bevers eten de bladeren, binnenschors en twijgen van populier, els, berk, wilg en andere loofverliezende bomen. Bevers eten ook struiken, varens, waterplanten en gras. Naaldbomen, zoals spar en pijnboom, worden soms gegeten, maar vaak ontschors en gedood om de groei te stimuleren van planten die ze liever eten of gebruiken ze als bouwmateriaal voor een dam. Wanneer het wateroppervlak is bevroren eten bevers boomschors en takken van een bewaarplaats die ze op de bodem hebben verankerd. Bevers trekken aan het eind van de zomer honderden takken met groene blaadjes onder water en steken die rechtop in de modder. Zo maken ze een hele onderwatertuin. De bladeren drogen daar niet uit en blijven bijna de hele winter groen. Ze zwemmen ook onder het ijs om de dikke wortels en stengels van waterplanten, zoals van waterlelies en lisdodden, te krijgen. In gebieden waar de winter is mild zijn niet altijdbewaarplaatsen te vinden. Sporen Bevers hebben zowel bij de voor- als achtervoetenvijf tenen. Tussen de tenen van de achtervoet zittenzwem- vliezen dieechter alleen op zachte ondergrond zichtbaar zijn. De tenen van de voorvoet heeft scherpe nagels. De voorvoet is45 mm breed en 55 mm lang. De achtervoet heeft een lengte van 150 mm of meer en een breedte van 100 mm.De spreiding van de achtervoet is kleiner dan van de voorvoet. Het meest in het oogspringende spoor van beveractiviteit vormt een beverburcht zelf. Verder knagen bevers bomen, struiken en ander beschikbare planten om voor voedsel en bouwmateriaal. Bij het omknagen van een boom wordt de bekende zandlopervorm gemaakt, waarbij de boomstronken 30 tot80 cm hoog zijn. Stammen die te groot zijn om mee te slepen worden meestal over een periode van dagen van hun bast ontdaan. De tandafdrukken, die ongeveer 8 mm breed zijn, zijn duidelijk zichtbaar op zowel stronken, takken als op spaanders. Bij afgeknaagde takken ontstaat een schuin snijvlak. Takken en twijgen beneden de 2 cm worden over het algemeen helemaal opgegeten. Er wordt het meest verzameld binnen 50 meter van de waterrand. In gebieden met weinig roofdieren, maar met een karig voedselaanbod, worden omgevallen bomen en andere aanwijzingen soms op twee keer deze afstand gevonden. Eind herfst concentreren alle familieleden zich op het repareren en bouwen van dammen en de familieburcht als voorbereiding op de winter. In moerasgebieden gebruikt een bever kanaaltjes om afgeknaagde stukken hout gemakkelijker naar de burchten ofdammen te brengen. Deze kanaaltjes zijn 30 tot 60 cm breed en hebben een diepte van 30 tot 50 cm. Sommigekanaaltjes kunnne wel 100 meter lang zijn. Naar boven
Burcht aan de oever Burcht omringd doorwater Hol in de oever (met burcht)
Bever
Muskusrat
De muskusrat (Ondatra zibethicus), ook wel bisamrat genoemd, is de grootste water- bewonende soort van de woelmuisfamilie. Het vrouwtje wordt moer genoemd en het mannetje ram. De muskusrat is grotendeels bruin van kleur (de rug) en hij heeft een zilverkleurige buik, een grote stompe kop met korte oren en vrijwel geen nek, en een verticaal afgeplatte, kale en geschubde staart, die bij het zwemmen als roer dienst doet. De achterpoten zijn van korte zwemvliezen voorzien. De mannelijke dieren hebben een muskusklier, waarvan het produkt gebruikt wordt om het woongebied te markeren. Het dier heeft een lengte tussen 25 en 40 cm en een sterke, zijdelings afgeplatte staart met een lengte van 19 tot 28 centimeter. Het kan een gewicht bereiken van 1700 gram. Hij is het eenvoudigst te onderscheiden van andere in het water levende knaagdieren door zijn grootte: de bruine rat en de woelrat zijn kleiner, de bever en de beverrat worden groter. De achter- poten zijn langer dan de voorpoten, en hebben een franje van stijve borstelharen. De tenen aan de achterpoten zijn elk gedeeltelijk van een zwemvlies voorzien. Leefwijze en voedsel Muskusratten zijn het hele jaar door actief. Het dier leidt een overwegend ondergedoken bestaan en verplaatst zichvooral in de ochtend- en avondschemering. Gedurende de dag is hij aan het eten of koestert zich in de zon wanneer de temperaturen laag zijn. Een muskusrat wordt zelden ver van water gezien en meestal wordt hij zwemmend gezien. De muskusrat is een zeer goede duiker en zwemmer, waarbij hij de staart gebruikt voor de voortstuwing. Onder water kan hij zo lange afstanden afleggen. Wanneer hij opgeschrikt wordt gaat de muskusrat met een luide plons het water in. De muskusrat kan zich onder schaarse begroeiing, met alleen zijn neus en ogen boven water, voor 20 minuten beweegloos houden. Een muskusrat kan op twee verschillende manieren een nest bouwen. Allereerst kan hij van plantenmateriaal een soort "beverhut" bouwen aan de rand van water, waar het redelijk ondiep is. Doordat de hut uit plantenresten bestaat, die na verloop van tijd gaan broeien, blijft het binnen in de hut redelijk warm. Deze hutten worden ook wel winterhutten genoemd. De meest voorkomende nestvorm is echter het nest gebouwd in de walkant van het water. Hierbij graaft de muskusrat via gangen, waarvan de ingang onder water ligt ook wel pijpen genoemd, een of meerder kamers, die uiteraard boven de waterspiegel liggen. Het aantal pijpen en kamers is afhankelijk van het aantal inwonende jongen. Hoe groter de familie des te meer kamers er nodig zijn om iedereen te huisvesten. In het voorjaar trekken jonge mannetjes eropuit om een vrouwtje te zoeken, dan worden de muskusratten seksueel actief. Het zijn dan vooral de rammen die gaan uitzwemmen, op zoek naar een geschikt territorium. Daar waar ze aan de grens van hun ver- spreidingsgebied leven, bewegen ze zich in hoofdzaak in de richting van de gebieden met de laagste populatiedichtheid, en zo mogelijk ook in de richting van de afwatering van dat gebied. De meeste dieren leggen daarbij slechts betrekkelijk korte afstanden af, maar een klein gedeelte trekt echt ver, tot wel veertig kilometer in een paar maanden tijd. Deze periode van grote trekactiviteit duurt in het algemeen tot begin mei. In de periode augustus t/m oktober is er weer een trek, in deze periode zwermt het merendeel van de jongere ratten maar ook een deel oudere ratten uit. In deze zogenaamde najaarstrek, gaan de muskusratten niet zover weg als zij dat in het voorjaar plegen te doen. De muskusrat eet een wijde variatie aan planten, zoals lisdodde, zegge, riet,waterlelies en pijlkruid. Ze eten ook akkergewassen die ze in hun territorium. Ofschoon een muskusrat ook slakken, schaaldieren, vis, kikkers en salamanders vormt dit voedsel een klein deel van hun dieet en worden gewoonlijk gegeten als plantenvoedsel schaars is. Het knaagdier eet 's winters voornamelijk wortels van riet en andere water- planten en eet 's zomers veel gras en oeverplantenvegetatie. Een muskusrat eet gewoonlijk binnen 50 m van zijn woonplaats. Leefgebied De muskusrat leeft langs zoetwater, zowel stilstaand als stromend water (bijv. rivieren, meren), met begroeide oevers. In de oever graaft hij een gang, waarvan de ingang meestal onder het wateroppervlak ligt. Een tweede gang dient als ventilatieschacht. 's Winters legt hij een burcht aan van gras en riet, die minstens twee kamers en een opslagkamer heeft. Deze burcht ligt op een kalm, in het binnenland gelegen water, en bestaat uit een platform met een koepelvormig dak. De muskusrat leeft overal waar water is, mits voldoende diep (ca. 10 cm) en niet te zout. Voortplanting en leeftijd De voortplantingstijd duurt van maart tot november. Een paartje vestigt zich in een nieuw hol bij ondiep water. Nadat de jongen zijn geboren, trekt het mannetje in een aparte kamer. Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen. In het najaar zoeken ze een plek om te overwinteren bij dieper water. Een vrouwtje kan tussen april en november elke 28 dagen een nest werpen, maar meestal heeft een vrouwtje één tot drie worpen per jaar. Na een draagtijd van 25 tot 30 dagen worden één tot elf jongen geboren (gemiddeld vijf tot zeven). Na 21 tot 28 dagen worden de jongen gezoogd. Jongen verspreiden zich zelden ver weg van het ouderlijke woongebied. Een burcht wordt meestal zo'n acht meter van het ouderlijk nest aangelegd. Een jonge moer is na 6 maanden geslachtsrijp (kan dus in het jaar van geboorte al haar eerste jongen werpen) en een jonge ram na 12 maanden. Afhankelijk van seizoen en temperatuur zijn er, na een draagtijd van ongeveer 5 weken, per jaar 3 tot 5 worpen van 6 tot 8 aanvankelijk hulpeloze en blinde jongen. De maximum levensduur is ca. 4 jaar. Twee muskusratten van verschillende sekse in het voorjaar betekent ca. 30 exemplaren in de late herfst. Ze bezitten dus een hoge voortplantingssnelheid. Sporen De holen van een muskusrat hebben een doorsnede van 10 tot 15 cm. De ingangen van de holen worden onder water gemaakt, maar zijn soms zichtbaar wanneer de waterstand laag is. De gangen lopen van onder de waterspiegel schuin omhoog de oeverzone in en zitten op een diepte van 10 tot 70 cm. Onder water is soms de uitgewerkte aarde te zien. Voor de winter bouwen muskusratten winterhutten van afgeknaagde stukken riet en zegge. Deze hutten bevinden zich in het water of tegen de oever en hebben een doorsnede van ongeveer anderhalve meter en zijn ongeveer 1 m hoog (boven de waterspiegel). Ookhierbij bevindt zich de ingang onderwater. Muskusratten leggen in een kamer een voedselvoorraad aan van afgeknaagde planten- stengels en -wortels aan. In de omgeving van hun woonplaats zijn wissels en glijbaantjes te vinden. De wissels van muskusratten zijn ongeveer 10 cm breed en gaan vaak over in de glijbaantjes. Als een muskusrat vaak op dezelfde plek het water in en uit gaat ontstaan er aan de modderige oevers modderbanen ofwel glijbanen. De glijbanen van een muskusrat zijn ongeveer 15 cm breed. Bij loopsporen van de muskusratis het verschil tussen de voorvoet en achtervoet niet zo groot. De voorvoet is25 tot 30 cm breed en heeft een lengte tot 30 cm. De achtervoet heeft een breedte van 35 cm of groter en een lengte tot 65 centimeter. Zowel de voorvoeten als de achtervoeten hebben vijf tenen, maar bij de voorvoet drukt de duim vaak niet af. De nagels zijn lang en slank en vormen één geheel met de lange teenindrukken. Vaak is er een sleepspoor van de afgeplatte staart te zien in de vorm van een scherpe, smalle afdruk. De gladde en glanzende uitwerpselen ofwel keutels van muskusratten zijn cilindervormig en zijn 12 tot 14 mm lang, hebben een doorsnede van ongeveer 5 cm en de uiteinden zijn stomp. De kleur is groen, beige tot groen- bruin en zijn zeer zacht. Oude, ingedroogde keutels worden zwart en hebben allerlei indeukingen. De keutels van muskusratten worden (drijvend) in het water gevonden, langs kustlijnen of oeverbanken, op uit het water stekende objecten en op voedingsplaatsen. Ze gebruiken regelmatig deze plaatsen en soms ook door meerdere. Vraatsporen van muskusratten bestaan uit tot stompjes geknabbelde planten, drijvende lisdoddenwortels of andere afgeknaagde vegetatie en stapels van afgeknaagde vegetatie onder overhangende vegetatie of in goed- verborgen plaatsen aan de waterkant. Muskusratten gebruiken soms zelfgemaakte voedselhutten of eetplatforms van modder en compacte vegetatie. Voedselhutten zijn eruit als kleine kamers ongeveer 30 cm boven het water- niveau en zijn hol van binnen; voedselplatforms zien eruit als kleine stapels afgeknaagde vegetatie. Ze zijn allebei dichtbij de nesten en holen te vinden. Naar boven
Muskusrat
Beverrat
De beverrat (Myocastor coypus) ofmoerasbeveris een zwaar gebouwd knaagdier met een brede hoekige kop. Zijn vacht bestaat van nature uit een glanzend bruine tot geelbruine bovenvacht en een grijze ondervacht. De buik is wat lichter van kleur. De ondervacht is water- dicht en de wintervacht is dikker dan de zomervacht. De snuit en kin van jonge dieren zijn licht van kleur, soms houdt dit stand. De meeste snorharen zijn wit, behalve de bovenste snorharen, die zwart zijn. De snorharen worden tot 130 millimeter lang. Hij heeft een schaars behaarde staart die uitloopt in een punt en die korter is dan het lichaam.De beverrat heeft een lengte van 42 tot 65 cm, een staartlengte van 30 tot 45 cm en een gewicht van 4 tot 8 kg. Mannetjes worden groter en zwaarder dan vrouwtjes. De voorpoten hebben klauwen en tussen de tenen op de achterpoten heeft een beverrat zwemvliezen tussen de 4 binnenste tenen. Zowel de voorvoet als de achtervoet heeft vijf tenen. De neusgaten en de mond (achter de snijtanden) kunnen worden gesloten, en de ogen, neusgaten en kleine oren zijn klein en zitten hoog op de kop. De ogen zijn donker en de oren behaard en duidelijk zichtbaar. De neus, oren en ogen liggen op één lijn. De beverrat heeft duidelijk zichtbare snijtanden die oranje van kleur zijn; bij mannetjes donkeroranje en bij vrouwtjes geeloranje. De tepels van de vrouwtjes bevinden zich niet aan de buikzijde, maar aan de zijkant/rugzijde. Leefgebied De beverrat leeft in gebieden met water, zowel stromend als stilstaand, en met een rijke oevervegetatie. Dit zijn rivierlopen, klei- putten, grindgaten, moerassige gebieden, kleine en traag stromende rivieren, estuaria en kusten. Ook leeft de beverrat wel in zoute milieus. Leefwijze en voedsel De beverrat is voornamelijk in de schemering en 's nachts actief. Maar hij houdt ook erg van zonnen. In koude winters en in gebieden of terreindelen zonder predatoren is hij ook overdag actief. Hij kan goed zwemmen en duiken. Zo kan hij tot 5 minuten onder water blijven en als hij zwemt, maakt hij krachtige slagen afwisselend met de voorpoten en achterpoten. Op het land beweegt hij zich waggelend en langzaam voort. De beverrat leeft in familiegroepjes van verwante vrouwtjes, waarvan de woongebieden gedeeltelijk overlappen. Ook overlappen de woongebieden van de vrouwtjes met dat van het dominante mannetje. Ondergeschikte mannetjes leven meer aan de rand van de woongebieden en oudere dieren leven solitair. Zogende vrouwtjes zijn dominant over mannetjes, en kunnen zich tegen hen agressief gedragen. De beverrat besteedt veel tijd aan het verzorgen van de vacht. Met de tanden en de voorpoten wordt de vacht gekamd. De beverrat is een echte planteneter en zijn voedselvoorkeur is afhankelijk van de tijd van het jaar, maar hij eet voornamelijk water- en oeverplanten zoals riet. In het voorjaar zijn dit de scheuten, stengels, bladeren en vruchten, maar ook (schijn)grassen en zeggen. In de winter zijn dit de wortelstokken en daarnaast bast van bomen en struiken, waaronder verschillende soorten wilg. Hij eet ook allerlei landbouwgewassen zoals maïs, suikerbiet, wortels, koolsoorten en knollen. Soms eet hij zoetwatermosselen. Ook eet hij zijn eigen ontlasting, omdat, net als bij konijnen, niet alle voedingsstoffen meteen worden opgenomen. De beverrat haalt veel voedsel van onder water en eet zijn voedsel op de oever op. Hij zit meestal op zijn achterpoten om zijn voedsel op te eten. Bij het zoeken naar voedsel, worden honderden meters oever afgezocht. De beverrat verplaatst zich vrij snel over grotere afstanden, om voedsel te zoeken, om onrust te ontlopen of om luwteplekken op te zoeken. Op het land gaan de dieren vaak niet verder dan 50 m uit de oever, maar ze gaan ook wel honderden meters landinwaarts. Territorium en verblijfplaats Iedere beverrat heeft een eigen leefgebied, maar er is veel overlap. De grootte van een leefgebied is afhankelijk van de kwaliteit van een leefgebied en is 50 tot 85 ha groot. Gemiddeld over 8 dieren per 13,5 ha.In oeverzones, moerassig terrein, oude kleiputten of grindgaten, graaft de beverrat gangen met een doorsnede van 20 tot 25 cm en kamers van 30 tot 100 cm in doorsnede. Tezamen vormen ze een burcht en die bestaat uit een stelsel van meestal enkele gangen met daarin één of enkele kamers. De ingangen hiervan liggen meestal op of iets boven de waterspiegel, maar als de beverrat een woning van de muskusrat overneemt, blijft de toegang ook wel onderwater liggen. Soms worden oude holen van muskusratten verwijd en in gebruik genomen. Bij kou worden de gangen met droog plantenmateriaal dichtgestopt. In een kamer maakt de beverrat een plat nest van dode grassen. Bij gebrek aan steile oevers maken beverratten nesten,legers,tussen de vegetatie aan oevers of akkerranden. De legers liggen vaak op enige afstand van het water en meestal in de buurt van voedselbronnen. Ze bestaan uit bladeren, takken of plat gevouwen stengels en zijn 45 tot 55 cm in doorsnede en soms heeft de plantenhoop ook gangen. In getijdengebieden wordt het nest zo in elkaar gezet, dat het plateau hoog in de vegetatie ligt en steeds droog blijft. Voortplanting en leeftijdDe beverrat kan zich het gehele jaar door voortplanten. Als er echter te weinig voedsel te vinden is of het drachtige vrouwtje verkeerd in slechte conditie, wordt soms ongeveer de helft van de embryo's niet geboren. Voortplanting en leeftijd Na een draagtijd van 127 tot 138 dagen worden 2 tot 9 jongen geboren. De jongen worden volledig behaard en met de ogen open geboren en wegen 200 tot 225 gram. Ze worden alleen door het vrouwtje verzorgd. Zij zoogt de jongen en hierbij kan het vrouwtje op haar buik liggen, omdat de tepels opzij zitten. Door deze hoge ligging van de tepels kan het vrouwtje ook in het water zogen, maar meestal worden de jongen in het nest gezoogd. Binnen enkele dagen kunnen de jongen zwemmen en lopen. Ze spelen veel in het water. Na 6 tot 10 weken worden ze gespeend. Vrouwtjes zijn na 3 tot 8 maanden geslachtsrijp, mannetjes na 4 tot 10 mnd. Na twee jaar zijn de dieren volgroeid. De beverrat kan 12 jaar worden, maar meestal worden beverratten niet ouder dan enkele jaren. In populaties die bestreden worden, is er een onnatuurlijk verloop en sterven de dieren vroegtijdig. Geluid De beverrat kan grommende, blatende of miauwende geluiden maken. Ook kan hij met de tanden klapperen. Sporen In modderige oevers, waar de beverrat vaak op dezelfde plek het water in- en uitgaat, ontstaan glij- banen ofopgangen van 20 tot 30 cm breed. Door de afwijkende kleur ten opzichte van de rest van de oever, zijn ze vaak duidelijk herkenbaar. Soms staan er sporen van de nagels in. Ook in riet- vegetaties en andere oeverbegroeiingen kunnen zo tunnels ontstaan van 30 cm breed die gemaakt zijn door de beverrat en die duidelijk herkenbaar zijn. Bevers en otters maken vergelijkbare opgangen en in gebieden waar deze soorten naast elkaarvoorkomen zijn de soorten door elkaar te halen en moet naar aanvullende sporen gezocht worden. Vraatsporen van de beverrat zijn te vinden op stengels, blad en kolven van maïs. Op suikerbieten zijn duidelijke afdrukken van de brede snijtanden te zien. Ook afgebeten stengels van water- en oeverplanten kunnen het werk zijn van de beverrat. De beverrat knaagt ook aan de bast van stammen en enkele cm's dikke takken van bomen(met name wilgen) in het water of aan de oever. Ook knaagt hij takken af. Het snijvlak van de afgeknaagde takkenis scherp en schuin. Op zoetwatermosselen laten beverratten krassen achter en vaak zijn de zijranden flink gehavend. De snijbreedte van de voortanden is rond de 7 mm (dit is ongeveer het dubbele van de snijbreedte bijde muskusrat en een tot twee millimeter minder dan de snijbreedte van een voortand van de bever). Uitwerpselen van de beverrat zijn 15 tot 55 mm lang en 10 tot 15 mm in doorsnede. Ze zijn cilindrisch, vaak in de lengte gegroefd, groenbruin tot zwart en bestaan uit fijne plantenresten. Aanvankelijk glimmen ze als gevolgvan de aanwezigheid van een oliefilmpje dat er tevens voor zorgt dat ze blijven drijven. Na verloop van tijd verdwijnt dit olie filmpje en zinkt de keutel. Beverratten deponeren hun uitwerpselen inhet water of langs de waterkant. De afdrukken van de voorvoet en de achtervoet van de beverrat verschillen sterk in formaat. De voorvoet is 40 tot50 mm breed en 50-60 mm lang en de achtervoet is tot 7-9 cm breed en ongeveer 12 tot 16 cm (tot het eerste gewricht) mm lang. De nagels zijn duidelijk zichtbaar. De achtervoet heeft bovendien ook zwem- vliezen (behalvetussen teen 4 en 5), waarvan de afdruk vaak te zien is. Naast de pootafdrukken is ook vaak een sleepspoor vande staart te zien. Naar boven
Beverrat
Ree
De ree (Capreolus capreolus) is een klein, algemeen soort hert dat voornamelijk in Europa voorkomt. De ree heeft een zandgele tot roodbruine zomervacht, 's winters is deze meer grijsbruin tot zwart van kleur. Volwassen dieren hebben geen vlekken, maar op de romp is een duidelijke witte tot gelige rompvlek zichtbaar. Bij een mannetje (reebok) is deze vlek 's zomers vrij onduidelijk. De neus is zwart en de kin is wit. De staart is vrij klein en enkel zichtbaar tijdens het ontlasten. 's Winters steekt bij het vrouwtje (reegeit) een bosje witte haren tussen de achterpoten naar achteren dat op een staart lijkt. Het volwassen mannetje heeft een eenvoudig gewei, welke tot 25 cm lang kan worden. 's Winters groeit het gewei en tussen oktober en januari wordt weer afgeworpen. De ree heeft een lengte van 95 tot 140 centimeter, een lichaamsgewicht van 16 tot 35 kilogram en een schofthoogte tussen de zestig en de negentig centimeter. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben gemiddeld een schofthoogte van 64 tot 67 centimeter, vrouwtjes van 63 tot 67 centimeter. Leefwijze en voedsel De ree is voornamelijk in de schemering actief. Van september tot april is hij voornamelijk 's nachts actief en van mei tot augustus is hij ook meer overdag actief. Mannetjes en vrouwtjes hebben het grootste deel van het jaar een territorium. Meestal overlapt het territorium van een mannetje met dat van een of meerdere vrouwtjes. De grenzen van de mannetjes territoria overlappen elkaar niet, maar worden juist bepaald door de grenzen van andere mannetjes. Hetzelfde geldt voor de gebieden van de vrouwtjes, maar soms overlapt het territorium van een ouder vrouwtje geheel of gedeeltelijk met dat van haar dochters. Reeën leven over het algemeen alleen. Soms leven reeën in kleine groepjes van een vrouwtje, haar kalveren en soms een bok. Eenjarige reeën leven meestal ook in groepjes. Eenjarige geiten leven meestal in groepjes van twee, eenjarige bokken in groepjes van twee tot vier, soms met oudere bokken zonder een eigen territorium. 's Winters zijn reeën minder territoriaal, mogelijk omdat de dieren energie moeten besparen door voedselschaarste, of omdat door voedselschaarste dieren vaker hun eigen territorium moeten verlaten om voedsel te vinden. Ze kunnen zich dan zelfs samenvoegen in kudden van tot wel dertig dieren, met een duidelijke hiërarchie tussen de bokken. De ree eet bramen, bessen, twijgen, scheuten, knoppen en loten van struiken en bomen als rozenstruiken en coniferen, kruiden, grassen, bladeren, noten, paddenstoelen en ook landbouwgewassen als tulpen, granen en kroppen. 's Zomers voedt hij zich ook met jonge blaadjes en in de herfst ook met eikels. In de winter eet de ree meer knoppen en twijgen en eet dan alleen de meest voedzame delen van een plant. Leefomgeving en leeftijd De ree leeft bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden. Soms is hij ook te zien in hoge heidevelden. Hij heeft behoefte aan beschutting en rust in dicht struikgewas als bramenstruiken, heggen en coniferen. In de schemering waagt hij zich ook in meer open terrein. De ree wordt maximaal twintig jaar oud, maar de meeste dieren worden in het wild slechts zeven of acht jaar oud. Vrouwtjes worden iets ouder dan mannetjes. Voortplanting De bronsttijd valt in juli en augustus en het duurt tot eind mei, begin juni voordat het kalf wordt geboren. Vrouwtjes die niet in de zomer drachtig waren, raken in oktober voor een tweede keer bronstig, maar werpen rond dezelfde tijd als de drachtige dieren in de zomer. De zomerdrachtige dieren hebben namelijk een verlengde draagtijd. Driekwart van alle worpen zijn tweelingen, maar ook eenlingen en drielingen komen voor. Het jong is bij de geboorte 1,3 tot 2,3 kg zwaar en heeft een bruinig zwarte vacht met rijen witte vlekken over de rug en de flanken. Na zes weken vervagen de vlekken en in oktober zijn de vlekken verdwenen. De zoogtijd duurt zes tot tien weken. Jonge kalveren worden zo'n zes tot tien keer per dag gezoogd voor zo'n enkele minuten, oudere kalveren slechts twee tot drie keer per dag. De rest van de tijd zijn de kalveren alleen. Tweelingen worden meestal apart van elkaar gezoogd, zo'n twintig meter uit elkaar. Het jong blijft bij de moeder tot de volgende worp, waarna het wordt weggejaagd. Meestal zijn dieren na veertien maanden geslachtsrijp. In de voortplantingsperiode wrijft de reebok met zijn gewei langs bomen en struiken om ze van zijn geur te voorzien en zijn gebied af te bakenen. Vijanden Voor de ree vormen de lynx, de wolf en de bruine beer een gevaar. Jonge kalfjes vallen wel eens ten prooi aan arenden, de vos, de wilde kat en het wilde zwijn. Vooral in de eerste weken na de geboorte zijn de kalveren gevoelig. Ook sterven veel dieren in de winter door infecties aan de luchtwegen of voedselgebrek. Geluid De ree kan klagelijk schreeuwen of schor piepen. Tijdens de bronst maakt een ree korte hese blafjes. En een geit slaakt klagelijke kreten, fiepen, wanneer ze haar kalf naar zich toeroept en in de paartijd. Jonge kalveren op zoek naar hun moeder maken een vergelijkbaar geluid. Sporen De hoefafdrukken van de ree zijn 3-4 cm breed en de lengte is 4,5 cm of groter, wanneer de bijhoeven te zien zijn,zijn de prenten tot 7 cm lang. De afstand tussen verschillende afdrukken kan tot 140 cm bedragen,wanneer de ree zich in draf voortbeweegt. Doordat de dieren hoeven bezitten kunnen vele bodemsoorten worden betreden. Vraatsporen van reeën zijn te vinden op bieten en knollen en zijn te herkennen aan afdrukken van de onder- snijtanden: elke snijtand is 4-5 mm breed. Vraat aan jonge boompjes, zoals sparren, is vaak te zien aan dichte vertakkingen aan de voet van deze boompjes. Wanneer een ree een stengel of twijg afbijt, ontstaat een schuin snijvlak dat aan de bovenkant gerafeld of vezelig is. Verder kunnen reeën vraatlijnen aan bosranden veroorzaken, deze is tot ongeveer 150 cm hoog. De uitwerpselen van een ree zijn 7-10 mm dik en 6-13 mm lang en eikel- of capsulevorming. Ze zijn donker van kleur en hebben vaak een holle pool. Vaak liggen ze in kleine hoeveelheden bij elkaar. De ree maakt gebruik van wissels; regelmatig of veelvuldig belopen paadjes. Soms worden ze door eenindividu gebruikt, soms door meerdere, maar vaak door diverse diersoorten. Aan de hand van prentenen/of haren die blijven hangen aan struikgewas of prikkeldraad is te zien of deze daadwerkelijk door reegebruikt wordt. De wissels die een ree gebruikt, zijn 30 cm of meer breed. Naar boven
Ree
Rendier
De vacht van een rendier (Rangifer tarandus) bestaat uit een ondervacht van donsharen en een bovenvacht van holle met luchtgevulde dekharen. Een rendier is volledig behaard, zelfs onder de staart, op en onder de snuit en aan de binnenkant van de oren. Het haar is lang, dik krullend en golvend, luchtig en bros. Alleen aan de voorkant van de hals, aan de kop en de poten is het buigzamer en meer blijvend. Aan de voorkant van de hals zitten manen, die soms tot op de borst afhangen en ook bij de kaken is het haar langer. In de winter wordt het haar 6 cm lang, zodat het rendier zelfs felle kou goed kan verdragen. De zomervacht is donker-grijsbruin en aan de poten nog donkerder. Onder langs de witte buik zit een donkere streep en de onder-kant van de hals is witachtig. ’s Winters groeien er steeds meer haren tussen totdat het hele dier de grijswitte kleur van de smeltende sneeuw heeft aange- nomen. Het rendier verhaart tweemaal per jaar en de mannetjes het eerst. Vanaf het eind van de lente tot het begin van de zomer verliezen ze hun vacht in plukken. Vervolgens krijgen ze een nieuwe vacht. De haren groeien de hele zomer door tot aan de herfst. De jonge dieren verharen vanaf het aanbreken van de zomer en daarna pas verharen de vrouwtjes. Vóór de bronsttijd, aan het eind van de zomer, hebben alle dieren een nieuwe vacht. De voeten van de rendieren zijn diep en breed gespreid. De hoeven zijn zo verbreed dat de dieren zonder moeite over sneeuw, glad ijs en door moerassen kunnen lopen. De holle onderkant van de hoeven en de plukken haar daarop, geven het rendier houvast op gladde oppervlakten. Tijdens het lopen zijn de pezen in de rendierpoten te horen doordat ze een klikkend geluid maken. De reden hiervoor is dat tijdens de periode waarin rendieren van het ene gebied naar het andere trekken de dagen niet alleen extreem koud zijn, maar ook zijn de nachten erg lang. Door het geklik van de pezen kunnen de rendieren elkaar horen en bij de kudde blijven. Zowel mannetjes als vrouwtjes rendieren dragen een groot en wijd uitstaand gewei, dat sterk vertakt kan zijn en gekenmerkt wordt door een schoffelvormige oogtak. Het gewei van het mannetje is wel groter dan die van het vrouwtje en wordt gebruikt bij gevechten om een vrouwtje. De mannetjes met het grootste gewei zijn de baas. Na de bronstijd werpen de mannetjes het gewei af vóór de vrouwtjes en dan worden de vrouwtjes met de grootste geweien de baas. De vrouwtjes hebben hun gewei nog nodig, omdat tijdens de winterperiode het kalf bij zijn moeder blijft en eet uit de plek die zijn moeder sneeuwvrij heeft gemaakt, zodat ze bij het voedsel kunnen. Als ze geen gewei meer zouden hebben, zouden moeder en kind mogelijk verdreven worden door andere leden uit de kudde, die op zoek zijn naar een makkelijk maaltje. Het rendier is een imposant dier. De kop-romplengte is ongeveer 130 tot 220 cm, staartlengte 7 tot 20 cm en de schouder- hoogte van 80 tot 150 cm., Volwassen bokken kunnen een gewicht van 120 tot 150 kg bereiken. Leefwijze en voedsel Rendieren leven altijd in kuddes en meestal gaat het om koeien met hun kalveren en halfwas dieren. De mannetjes vormen kleinere groepen, die pas in de vroege herfst in de bronsttijd grote harems. Alleen oude dieren leven alleen. Een kudde kan soms uit duizenden dieren bestaan. Rendieren verenigen zich tot deze reusachtige groepen als de ene naar de nadere voederplaats gaan. De sociale rangorde verandert met het seizoen, maar vaak geldt dat hoe groter het gewei van het mannetje, des te hoger staat hij op de maatschappelijke ladder. Tijdens de bronstijd zijn de volwassen mannetjes met hun grote geweien de baas. Na de bronstijd werpen de mannetjes het gewei af vóór de wijfjes, en in die tijd worden de wijfjes de baas. Bovendien deelt elk kalf de status van zijn moeder. Rendieren zijn goede zwemmers en door de bovenvacht van holle met lucht- gevulde dekharen kunnen ze makkelijk drijven. De rendieren kunnen een topsnelheid bereiken van ± 65 km/u. Rendieren voeden zich voor een belangrijk deel op de grond met kruiden en kruidachtige planten, zoals boterbloemen, zegge en zuring. Daarnaast worden boombast, knoppen, bladeren en twijgen gegeten. In de winter eten ze korstmossen, zoals rendier- mos, en droge grassen, die ze tevoorschijn halen door met hun hoeven de sneeuw weg te krabben. Het rendier is de enige hertensoort die gedomesticeerd is. Het houden van deze dieren heeft het leven in het hoge noorden voor deze mensen mogelijk gemaakt. Rendieren leveren alles wat de mens nodig heeft: vlees, melk, kaas, leer voor kleding, schoeisel, bedekking van boten en beschutting, dekens, touw gevlochten van hun lange haar, gelatine van de hoeven, geneesmiddelen uit de maaginhoud, draad uit de pezen en naalden van de botten, vet gesmolten voor lampenolie, geweien als tentharingen, stoelen en speelgoed. De kudden worden slechts voortgedreven of gevolgd en tegen roofvijanden beschermd. Leefgebied Het rendier is een bewoner van de toendra en noordelijke bosgebieden. Voortplanting en leeftijd Eind oktober, begin november is de bronsttijd, die een dag of tien duurt, en vindt de paring plaats. In mei-juni van het volgende jaar worden de kalveren geboren. Meestal één, zelden tweelingen. Het jong weegt 5 tot 9 kg en heeft een bruine vacht. De moeder likt het kalf zo snel mogelijk droog, om bevriezing te voorkomen en om het van haar geur te voorzien. Drie minuten na de geboorte kan het kalf al lopen en drinken. De eerste melk zorgt ervoor dat het beschermd wordt tegen allerlei ziekten. Na 4 à 5 maanden wordt het kalf gespeend, maar de band tussen moeder en kind blijft soms langer dan 6 maanden bestaan. Het vrouwtje helpt en beschermd het kalf en brengt het de sociale regels van de kudde bij. Gedurende de winter blijft het kalf bij de moeder en foerageert uit de "krater" die zijn moeder in de sneeuw heeft gemaakt. Als zij geen gewei zou hebben zou zij mogelijk worden verdreven door andere leden van de kudde die op zoek zijn naar een gemakkelijk maal en het kalf zou dan van de honger omkomen. Mannetjes zijn met 3 tot 4 jaarvolwassen en de vrouwtjes al naar 18 maanden. Rendieren worden 12 tot 15 jaar oud, zelden 20 en meer. Bosrendieren Wilde bosrendieren (Rangifer tarandus fennicus) lijken erg op gewone rendieren. Het bosrendier heeft echter lagere poten, is groter en slanker, en het gewei is minder gebogen dan het gewone rendier. Die langere poten zijn handig om over takken en braamstruiken te springen als ze moeten vluchten. En bij verdediging zijn langere poten ook makkelijker als er naar een tegen- stander wordt geschopt. De hoeven van het bosrendier zijn een stukje groter dan die van de tamme soortgenoten. Ook hebben ze een grotere kop dan de tamme rendieren en daarin zit o.a. een flink vergroot reukorgaan. Hiermee kunnen ze voedsel op de reuk vinden als het zicht beperkt is. Bovendien doen de grote neuzen ook dienst als warmte- en vochtwisselaar voor de ademlucht. Bosrendieren trekken in kleine groepjes door de bossen, in tegenstelling tot toendradieren en gedomesticeerde dieren, die in grote groepen leven. Indien de bosrendieren zich bedreigd voelen, lopen ze niet weg, maar vallen aan. Sporen De hoeven zijn breed en plat met diep gespleten hoeven, zodat de dieren vrijwel met vier tenen per poot op de grondstaanwat het lopen op sneeuw en moerassige grond vergemakkelijkt. De holle onderkant van de hoeven en de plukken haar daarop, geven het rendier houvast op gladde oppervlakten. De prenten hebben een lengtevan 10 tot 13 cm en hebben spitse hoefpunten, zoals alle hertachtigen. Naar boven
Rendier
Muskusos
De muskusos (Ovibos moschatus) is een plomp holhoornig hoefdier met een grote kop en een brede snuit. Hij dankt zijn naam aan de muskusachtige geur van zijn urine, die de muskus over zijn achterste vacht verspreidt. Ze hebben een erg langharige vacht, bestaande uit haren van zo'n 70 centimeter lang. Deze vacht bedekt de staart en de oren, en hangt 's winters tot op de brede hoeven. De vacht is 's zomers donkerbruin en 's winters zwartbruin. Tussen april en juni verliest de muskusos de dikkere wintervacht. Beide geslachten hebben hoorns. Deze hoorns zijn aan de basis breed en dik, buigen langs de kop naar beneden en aan de punt weer omhoog. De hoorns van mannetjes (stieren) zijn breder dan die van vrouwtjes (koeien). De muskusos weegt 225 tot 400 kg. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben een kop-romplengte van 200 tot 245 cm en de vrouwtjes tot 190 cm. De schofthoogte is bij mannetjes 130 tot 165 cm en bij vrouwtjes tot 110 cm. De lange behaarde staart is 10 tot 12 cm lang. Leefwijze en voedsel Muskusossen zijn dagdieren. 's Zomers leven ze in harems van ongeveer tien dieren, geleid door een ouder mannetje, maar 's winters leven ze in gemengde kudden van zo'n vijftig dieren. De stieren zijn solitaire dieren en leven gescheiden van de kudde. Tijdens de winter neemt het aantal dieren in een dan gemengde kudde toe tot ongeveer 50 dieren. De muskusos is bestand tegen extreem koude temperaturen (tot onder 50 °C) dankzij hun lange, dikke wolvacht. Deze buitenste vacht behouden ze ook tijdens de zomer, maar de onderste vacht verliezen ze in mei en juni. In de zomer trekt de muskusos naar een vallei of meeroever waar op een dunne laag vruchtbare grond volop gras, mos, kleine bodemplanten, dwergberk en wilgen groeien. Omdat het lang licht is, kan het dier zich ook tijdens de nacht voeden en reserves op- bouwen voor de winter, waarin sneeuwstormen en periodes van slecht weer het moeilijker maken om zich te voeden. Doordat hij zich beperkt tot onbeschutte grond die alleen 's winters met een dunne laag sneeuw bedekt is, eet de muskusos grassen zegge en taaie planten zoals vossebes en besheide. De zomers en winterse voedselgebieden liggen nog geen honderd kilometer uit elkaar, zodat het dier niet ver hoeft te trekken en energie kan sparen. Leefgebied De muskusos leeft op de arctische toendra waar de grond het grootste deel van het jaar bevroren is en waar het zomers niet warmer wordt dan 10°C. Vijanden De belangrijkste natuurlijke vijand is de wolf. Bij gevaar vormen de volwassen muskusossen een ondoordringbare kring om de kalveren heen, met de hoorns naar de buitenzijde. De muskusos wordt maximaal 23 jaar oud. Voortplanting Tijdens de bronsttijd in juli en augustus scheiden de stieren via de klieren boven hun ogen een sterke muskusachtige geur af en vechten met elkaar om het recht om te paren. Een rivaal die de dominante stier uitdaagt, stampt snuivend en met dreigende blik op de grond, waarna ze met ongeveer veertig kilometer per uur op elkaar afstormen en hun hoorns met een daverende klap op elkaar slaan. De verliezers vormen vrijgezel- lenkuddes of trekken alleen verder, op zoek naar een andere kudde om over te nemen. In de herfst sluiten ze zich weer aan bij gemengde kuddes. Tussen eind april en midden juni worden de kalveren geboren, na een draagtijd van acht à negen maanden. Het vrouwtje krijgt één kalf per worp, slechts zelden twee. Het kalf heeft een krullerige vacht. Het kalf kan al na een week grazen, maar voedt zich het eerste jaar nog met de moedermelk. Mannetjes zijn na vijf jaar geslachtsrijp, vrouwtje na twee jaar. Naar boven
Muskusos
Eland
De eland (Alces alces) is een zeer groot dier met een opmerkelijk grote snuit. De vacht is ruw en grijsbruin van kleur. De rui valt in de lente. De poten zijn grijzig wit en bij vrouwtjes (koeien) loopt deze kleur over tot bij de staart. Volwassen mannetjes (stieren) hebben een baard en een gewei. De stieren hebben over het algemeen een breed, bladvormig gewei met korte uitsteeksels, maar er zijn ook individuen met een takvormig gewei. De eland heeft een lengte van 200 tot 290 centimeter. Het vrouwtje is ongeveereen kwartkleiner dan het mannetje. Het mannetje heeft een schofthoogte van 180 tot 220 cm en een lichaamsgewicht van 320 tot 800 kg. Het vrouwtje een schoft van 150 tot 170 cm en een gewicht van 275 tot 375 kg. De staart is vrij klein en wordt slechts 7 tot 10 cm lang. Leefwijze en voedsel Elanden leiden meestal een solitair bestaan, maar in de winter komen een aantal dieren samen en vormen een `yard`, een woongebied waarin ze de sneeuw vertrappen, meestal gelegen op een beschutte plaats omgeven door hoge pijnbomen en met veel struiken voor de voedselvoorziening. Zij blijven daar tot het voedsel op is en trekken dan verder om elders een nieuwe `yard` te zoeken. Elanden zijn gebouwd om op een bepaalde hoogte te eten. Als een eland gras of paddestoelen wil eten moet hij op zijn knieën of zijn poten spreiden. Aan de andere kant maakt het voor deze dieren mogelijk om bij de hoogste twijgen te komen en zelfs de takken met een dikte van 3 cm te breken om bij de jonge twijgen te komen. Elanden zijn eigenlijk (als ze kunnen kiezen) erg kieskeurig wat betreft hun keuze aan planten, maar hebben eenhoge aanpassingsvermogen om te kunnen overleven. In de zomer brengen zij veel tijd wadend in meren en rivieren door, om waterlelies en andere planten te eten. De zomerperiode bied een eland nog veel meer, zoals bessen, wilde bloemen, struiken, zaden, varens, zegge, paddestoelen, gras en knollen.Hierdoor ontsnappen ze ook enigszins aan muskieten en vliegen. Om bij de wortels en stengels van de waterplanten te kunnen komen, moeten zij geheel onderduiken. In de winter hebben ze profijt van hun grote afmetingen om bij de jonge loten, bladeren en takken van jonge bomen te kunnen. Ook eet hij wel schors, zoals vooral die van wilgen, witte berk, zwarte populier, hazelaar. Vaak leunt een eland tegen de stam van een jonge boom aan, zodat deze buigt en de takken binnen zijn bereik komen. 's Winters eet een eland gemiddeld zo'n tien kilogram aan twijgen en scheuten. Leefomgeving en leeftijd Elanden voelen zich het meest thuis in vochtige bossen met wilgen en struikgewas, poelen, meren of moerassen met aangrenz- ende open gebieden als bergweiden en grasvelden. De eland heeft een voorkeur voor meer drassige streken als riviervalleien en meren. De eland is een goede zwemmer en is regelmatig in het water te vinden. Hij zal in het water gaan om daar voedsel te zoeken en voor moeilijker bereikbaar voedsel zal hij zelfs duiken. 's Winters komt hij in droger gebied voor. Elanden kunnen wel een leeftijd van 20 jaar bereiken.Voortplanting Het mannetje, de stier, is een echte ‘solitair’ en maakt graag grote zwerftochten. Vanaf september begint echter de bronsttijd. De stier brult dan om de wijfjes te lokken en stoot hij met zijn gewei luidruchtig tegen bomen.Ook koeien hebben roepgeluiden waarmee ze contact leggen en onderhouden met een geslachtsrijpe stier. De benadering en later de toenadering van de stier is zeer omzichtig. Met zeer rustige, haast onderkoelde, bewegingen, ondertussen lucht snuivend en zorgvuldig zijn omgeving verkennend,komt hij tergend langzaam naderbij. Vaak zal de stier met het gewei struiken en bomen molesteren, daarbij kraak en slaggeluiden veroorzakend. Door deze uitvoerig inleidende verkenningen zal zo'n elandstier eventuele rivalen tijdig ontdekken. Er vinden namelijk in deze periode veel gevechten plaats tussen de stieren, waarbij ze elkaar met het gewei te lijf gaan, maar gewoonlijk weinig schade aanrichten. Stieren zijn polygaam: een volwassen stier dekt een aantal koeien. De stieren brullen naar de wijfjes en als ze antwoord krijgen, stormen ze luidruchtig door het struikgewas op het geluid af. De stier blijft soms bij de koe van zijn keuze totdat haar kalf 10 dagen oud is. De draagtijd bedraagt 240 tot 270 dagen, waarna 1 tot 3, gewoonlijk 2 jongen worden geboren. De eerste maal dat een koe werpt krijgt zij slechts één kalf, maar daarna schijnen tweelingen regel te zijn, met heel af en toe een drieling. Het kalf is geheel roodbruin gekleurd en na tien dagen trekt hij met zijn moeder mee. De eerste drie dagen is hij niet in staat veel te lopen en de koe blijft dicht in de buurt. Kalveren blijven gedurende 2 jaar bij de moeder, totdat ze seksueel volwassen zijn. Sporen Elandstieren werpen hun gewei af in december, na de bronst. In april en mei begint het nieuwe gewei op tekomen en tegen augustus is dat volledig uitgegroeid. In deze groeiperiode zijn de geweitakken omgevendoor een fluweelachtige, doorbloede basthuid die, zodra het gewei volgroeid is, afsterft en los gaat zitten.Vanwege de ontstane jeuk vegen de elanden de losse huidflarden van het gewei af. Door het gewei o.a.tegen stammetjes te vegen ontstaan hierin krassen, waardoor het schors gaat rafelen en er uiteindelijk helestukken vanaf worden getrokken. De afgeschuurde basthuid zijn niet terug te vinden, omdat ze wordenopgegeten. Aanvankelijk is het ontblote gewei wit, maar nadat de stier het goed tegen struiken en takkenheeft gewreven, wordt het glanzend bruin. Het gewei wordt ieder jaar tussen december en maart afgeworpen. Elanden hebben platte, wijd spreidbare hoeven en grote bijhoeven. Het draagvlak wordt daardoor aanzienlijk vergroot zodat de zware dieren niet ver wegzakken in de moerassige grond of in sneeuw. De twee hoofdhoeven zijn de middelste en sterkst ontwikkelde tenen en de kleinere bijhoeven bevinden zich aan de achterzijde van de voet. De bijhoeven drukken vaak af. Een eland loopt meestal in stap- of drafgang, maar het spoor heeft een duidelijke spreiding. De afdruk van de voorvoet is iets groter en zwaarder dan die van de achtervoet. De voorvoet heeft een lengte en breedte van 13 tot 15 cm., terwijl deachtervoet in de breedte minder is dan 11 cm en de lengte minder dan 15 cm. Elanden produceren geelbruine tot zwarte keutels. De formaat van de keutels is variabel en hebben een doorsnede tussen de 10 en 20 mm en zijn 20 tot 35 mm lang. In de winter zijn de keutels lichter van kleur en daarbij droger en compacter dan in de zomerperiode. De losse keutels zijn ei- of capsulevorming, soms eikelvormig. Elanden eten bast wat te herkennen is aan de slordig geschilde stammetjes. Het vraatbeeld van elanden is vooral onder aan de stam te vinden, waarbij de snijvlakken dwars op de stam staan. Dit is ook het geval bij omgevallen bomen. Ze eten ook graag de jonge blaadjes uit de toppen van de wilgen. Om erbij te kunnen lopen ze door de struiken heen. De takken buigen onder hun borst waardoor de toppen mooi op eethoogte komen. Struiken met gebroken, half opgegeten takken zijn het eenvoudig te herkennen. Elanden maken net als herten zoelbaden, diep in bossen of aan randen van moerassen en plassen, waarin zowel de mannelijke als vrouwelijke dieren zich wentelen.Tijdens de bronsttijd maken elanden op de bronstplaatsen met hun gewei en voorpoten ondiepe modderputten of gebruiken daarvoor natte plekken in het terrein waarin ze urineren en sperma spuiten. De elanden wentelen zich hierin om daarmee zich te kunnen uiten bij de koeien. Naar boven
Eland
Edelhert
Een edelhert (Cervus elaphus) isna de eland het grootste hert. In de zomer zijn de dieren roodbruin van kleur, in de winter grijsachtig bruin. De buikzijde is wit en het staartstuk is roomkleurig. In september begint de zomervacht plaats te maken voor de wintervacht en in december is deze volledig vervangen. De zomervacht komt weer terug in mei en is in juli of augustus compleet. Alleen het mannetje, de bok, draagt een gewei. Elk jaar, meestal in maart of april, wordt het gewei afgeworpen, waarna meteen de groei van een nieuw gewei begint. Gemiddeld is het nieuwe gewei in juli voltooid. In augustus verwijderen de mannetjes de buitenste rand (basthuid) van het gewei door deze langs takken en boomstammen te schuren. Het gewei is 71 cm en 1 kg zwaar, maar kan uitgroeien tot 91 cm en 3 kg (soms wel 10 kg). Aan het gewei kan men enigszins de leeftijd aflezen. Een jong edelhert heeft gewoonlijk een kleiner gewei met weinig vertakkingen, maar een hert in zijn laatste levensfase zal ook weer een kleiner gewei met minder takken krijgen. Mannetjes zijn groter dan de vrouwtjes. De lichaamsgrootte wordt verder door meerdere factoren beïnvloed. Edelherten uit bosgebieden zijn kleiner dan die uit meer open gebieden, en de lichaamsgrootte neemt toe van het westen naar het oosten.De lengte ligt tussen de 165 en de 260 centimeter en de schouderhoogte tussen de 114 en de 140 centimeter. Mannetjes worden tot 255 kg zwaar en devrouwtjes tot 150 kg. Edelherten uit bosgebieden zijn kleiner dan die uit meer open gebieden. In het oosten van zijn verspreidingsgebied is het edelhert groter. Ook zijn mannetjes groter dan vrouwtjes. Leefwijze en voedsel Het edelhert is de gehele dag door actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit zijn ze vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond actief. 's Ochtends trekken ze meestal naar de graslanden om daar te kunnen grazen. Bij harde wind blijven ze liever in de dekking. Ook houden edelherten niet echt van regen. Na regen zijn ze dikwijls op een open stuk te vinden, zeker als de zon schijnt, want het zijn echte zonaanbidders. De zintuigen van een edelhert zijn uitstekend ontwikkeld. Tijdens de bronst kunnen de mannetjes de vrouwtjes op geur op- sporen, maar ook bij het zoeken naar voedsel en het ontdekken van vijanden is hun reukvermogen van groot belang. Ze kunnen tot een afstand van wel 300 m ruiken. Hun gezichtsvermogen is zo goed ontwikkeld, dat ze zelfs de kleinste beweging op grote afstand kunnen waarnemen. Dit komt omdat hun ogen zo ver uit elkaar staan dat ze zonder hun kop te bewegen een aanzienlijke terreinbreedte kunnen overzien. Edelherten kunnen een object dat niet vertrouwd wordt, minuten lang onbeweeglijk blijven aankijken. Geluid kunnen ze op grote afstand waarnemen en de richting trefzeker bepalen. De gemoedstoestand bij edelherten zijn aan de stand van de oren af te lezen. Bij onderlinge onenigheid leggen ze de oren plat in de nek. Ze verzorgen hun vacht door deze te likken en met de voortanden van de onderkaak te kammen. Het edelhert gebruikt zowel het gewei als de hoeven om zich te krabben. Edelherten slapen per dag maar 2 uur, verder rusten ze zo’n 5 uur, herkauwen ze 6 uur en zijn ze 4 uur bezig met persoonlijke verzorging, letten op gevaar (ook wel zekeren genoemd) en sociale contacten. De overige 7 uur zijn ze bezig met voedsel zoeken en opeten. Edelherten kunnen snel vluchten en kunnen een vlucht lang volhouden. Maar meestal lopen ze in stap of draf. Verder kunnen ze, indien nodig, zwemmen. In de zomer en in de winter vormen de herten roedels. De vrouwelijke herten (hinden) en onvolwassen mannetjes en vrouwtjes vormen aparte roedels. Hindenroedels worden meestal geleid door een dominant vrouwtje met een kalf; de leidhinde. Zij loopt altijd voorop en bij het verlaten van een bos soms wel 20 meter voor de andere dieren. In kritieke situaties wordt zij altijd gevolgd. Verliest zij haar kalf, dan zal een andere hinde, met kalf, haar plaats innemen. De volwassen mannelijke dieren vormen afzonder- lijke en van de hinden gescheiden roedels. Deze roedels zijn bovendien vaak ook minder gestructureerd zijn en kunnen meer wisselende samenstellingen hebben. In de aanloop naar de paartijd (bronst) vallen de mannelijke roedels volledig uiteen en zoeken de herten de roedels met hinden op. Minder sterke herten leiden dan een vaak zwervend bestaan. Na de paartijd vormen de herten weer nieuwe roedels. Edelherten zijn planteneters. Ze eten allerlei soorten planten(delen) zoals: gras, zegge, bies, wortels, boomschors, knollen, heide, vruchten, zaden, knoppen, scheuten en loof van bomen en struiken zoals wilg, spar en hulst. Ook eten ze landbouw- gewassen. Grassen en kruiden vormen overal het grootste aandeel van het menu van het edelhert. In bosrijke gebieden is het aandeel schors, knoppen, zaden en scheuten groter dan in meer open gebieden. Het edelhert is een herkauwer dat zijn voedsel eerst opslaat en later herkauwt en verteerd op een plek met dekking. Ze passen hun menu aan de biotoop en het seizoen aan, al eten ze het hele jaar door gras. Wanneer gras maandenlang, door een dikke sneeuwlaag, onbereikbaar is, sterven veel kalveren en teren volgroeide dieren op hun vetreserves. Naar boven Voortplanting en leeftijd De bronsttijd valt in de tweede helft van september tot half oktober. De mannetjes proberen dan harems te vormen. Dit doen ze door luid te burlen (een soort loeien) om hun motieven duidelijk te maken en door hun krachten te meten met rivalen. Rivalen lopen dan dikwijls langzaam naast elkaar. Vaak zal er één weglopen, maar als ze even sterk zijn, kan een gevecht losbarsten. Tijdens een gevecht trachten de herten elkaar met hun gewei weg te drukken, waarbij dikwijls verwondingen en afgebroken geweien voorkomen. Hoe sterker en gezonder het mannetje, hoe groter zijn harem. Het succesrijkst zijn herten van een jaar of acht. Deze kunnen harems vormen van 10 à 20 hinden. Herten onder de vijf jaar zijn meestal niet sterk genoeg om een harem bijeen te houden en dieren boven de elf zijn te oud. De winnaar, ook wel plaatshert genoemd, dekt de hindes. Hij blijft daarvoor enige tijd bij de groep, de leidhinde blijft de groep echter leiden. In de bronsttijd maken mannetjes ondiepe modderputten met hun gewei of ze gebruiken natte plekken in het terrein, waarin ze urineren en sperma spuiten. Hierin wentelen ze zich, waardoor een dun laagje van modder, urine en sperma op hun huid ontstaat waarmee ze de vrouwtjes willen imponeren. Als een hinde wil paren, brengt zij een speciale geur voort. Het mannetje wordt door deze geur aangetrokken. Hij achtervolgt de hinde en besnuffelt haar van alle kanten. Het hert steekt zijn tong naar buiten en maakt een typische beweging met zijn lippen (ook wel flemen genoemd) om de geur van de hinde te analyseren en zo te weten te komen of het vrouwtje bereid is om te paren. Na de bronst zijn de meest actieve mannelijke dieren vaak uitgeput. Niet alleen vanwege de forse inspanningen, maar ook omdat ze gedurende deze periode, die rond een maand kan duren, nagenoeg geen voedsel (maar juist wel veel vocht) tot zich nemen. Hun lichaamsgewicht kan dan tot dertig procent zijn afgenomen. De periode direct na de bronst is daardoor van nature een kwetsbare fase in het bestaan van een edelhert. Eind mei, juni, na een draagtijd van acht en een halve maand, wordt één kalf geboren. Tweelingen zijn zeldzaam. Hinden die een kalf verwachten, zonderen zich rond zeven tot veertien dagen van het roedel af om zich daar later weer bij te voegen. Een kalf heeft witte vlekken op zijn vacht die na twee maanden weer verdwijnen. Het kalf kan al na enkele minuten lopen en na 7-10 dagen kan het zijn moeder al volgen. De eerste twee weken blijft het jong echter vaak alleen en komt de moeder alleen terug om het jong te laten zogen. Gedurende deze tijd drukt het jong zich tegen de grond, verscholen in hoog gras of tussen het struikgewas. Het jong wordt zo'n zes tot tien maanden gezoogd, maar eenjarige kalveren worden ook gezoogd indien de moeder niet opnieuw drachtig is. Binnen de roedel vormen zich soms crèches van meerdere jongen, die vaak met elkaar spelen. Het kalf blijf twee jaar bij de moeder, dus vaak heeft een hinde een jong én een eenjarig dier bij zich. Na ongeveer zeven jaar zijn de jongen volgroeid. Mannetjes zijn na een tot drie jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na een à twee jaar. Dit is voor beiden afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. Jonge herten zullen vaak hun geboortegebied verlaten zodra ze zelfstandig zijn. Hinden blijven meestal trouw aan hun geboorteplek en de woongebieden van deze hinden overlappen meestal met dat van hun moeder. Edelherten kunnen maximaal vijfentwintig jaar oud worden, maar worden vaak niet ouder dan vijftien jaar. Het sterftecijfer is het hoogst onder kalfjes tussen de acht en de elf maanden. Aan de hand van de groeistatus en de slijtage van het gebit, kan de eerste 2 jaar vrij nauwkeurig (in maanden) de leeftijd van een edelhert bepaald worden. Leefomgeving Edelherten komen in allerlei soorten gebieden voor. Van drogere loofbossen en heidevelden tot zeer vochtige milieus als vennen en moerassen, maar ook in hooglanden en berggebieden. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden die grenzen aan grasgebieden en rivierdalen met ooibossen. In de winter moet er gras binnen bereik zijn en ook de aanwezigheid van water is belangrijk. De grootte van het leefgebied van een edelhert hangt af van de kwaliteit van het gebied. In cultuurbossen is het 200-400 hectare groot, maar in bergachtige gebieden kan het tot wel 24000 hectare groot zijn. In de winter is het kleiner dan in de zomer. Als een edelhert rust, zoekt hij de dekking op. Deze dekking kan bestaan uit een dicht bladerdak van struiken of dicht op elkaar staande dennen. Ook een heuvelachtig terrein is geschikt om dekking te bieden aan herten. Naderend gevaar kan vanaf een grote afstand worden waargenomen en de herten kunnen zich tijdig uit de voeten maken. Ze liggen dan op open plekjes(legers). Geluid Edelherten maken niet veel geluid. De hinden maken bij verstoring een scherp blaffend of grommend geluid. De jongen blaten, wat door de moederdieren met een schaapachtig geluid wordt beantwoord. In de bronsttijd maken de mannetjes een brullend of loeiend geluid,burlen. Buiten deze tijd maken de mannetjes weinig geluid. Sporen De hoefafdrukken van een mannetje zijn een stuk groter dan die van een vrouwtje. Een mannetje heeft 6-7 cm brede en 8-9 cm lange prenten en een vrouwtje 4-5 cm brede en 6-7 cm lange prenten. Afhankelijk van de manier van voortbewegen, zijn soms ook de bijhoeven te zien.Het edelhert maakt gebruik van wissels, regelmatig of veelvuldig belopen paadjes. Soms worden ze door een individu gebruikt, soms door meerdere, maar vaak door diverse diersoorten. Aan de hand van prenten en/of haren die blijven hangen aan struik- gewas is te zien of deze daadwerkelijk door edelhert gebruikt wordt. De wissels die een edelhert gebruikt, zijn 30 cm of meer breed.Vraatsporen van edelhert zijn te vinden aan korenaren. Edelherten rissen deze vaak af, ook wanneer het graan nog niet rijp is. Dit gebeurt vooral bij akkers die aan grote bosgebied grenzen. Ook trekken zebieten uit en vreten ze deze aan. Of ze vreten de bovengrondse delen van volgroeide bieten aan. De brede snijtand- afdrukken zijn danvaak goed te zien. Ook eten edelherten van grassen en kruiden. Bij het edelhert ontstaat een schuin snijvlak dataan de bovenkant gerafeld of vezelig is, ze hebben namelijk alleen snijtanden in hun onderkaak. De edelhertendrukken hun ondersnijtanden tegen de boomschors en trekken naar boven toe een lange reep los. Hierbij ontstaat aan de onderkant van de reep een scherp snijvlak en aan de bovenkant een rafelige rand. Vooral in de lente komthet voor dat bomen goed ontschorst zijn en dan meestal aan één kant van een boom. In de winter zit de schors vaster, waardoor het hert met zijn tanden over het schors schraapt. Over het algemeen staan de staan de snijvlakken in de lengterichting. Van de stam. De breedte van de mid- delste ondersnijtanden zijn samen tot 25 mm, maar de breedte is afhankelijk van de leeftijd. Uitwerpselen van een edelhert zijn 13-18 mm in doorsnee en 15-30 mm lang. Het zijn dikke korte keutels met aan een kant een puntje. Ze zijn donkerbruin tot zwart en die van een vrouwtje zijn kleiner dan die van eenmannetje. De uitwerpselen van edelhert zijn vaak in groepjes te vinden, in grasland waar ze gegraasd hebben ofin bosrijk gebied. In de lente is het edelhert in de rui en kunnen flinke plukken haar worden gevonden. Aan prikkeldraad, in legers en soms tegen de stam van schuurbomen. De haren zijn grijsbruin, dik en 55 mm lang. Ze voelen stroef aan en breken gemakkelijk (ze zijn nl hol, wat warmte-isolerende functie vergroot). In het voorjaar verliezen edelherten hun gewei.Oudere herten doen dat gedurende de laatste wintermaanden, jongedieren meestal in maart of april. (De geweien zijn echter moeilijk te vinden doordat ze nauwelijks opvallen in de bladlaag en doordat ze door knaagdieren worden geknaagd en zo uiteindelijk verdwijnen.) Daarna groeit meteen het nieuwe gewei dat gemiddeld in juli voltooid is. In augustus begint de basthuid te jeuken en verwijd- eren de mannetjes die door het gewei langs takken en boomstammen te schuren. De veegsporen zitten op een hoogte van 1 meter of meer. Tijdens de bronstperiode slaan de herten met hun geweien tegen struiken en boom- stammen. Waar bij het verwijderen van de basthuid slechts één kant van een stam beschadigt werd,wordt in deze periode een boom aan alle kanten “aangevallen”. Edelherten maken gebruik van modderbaden, ook wel zoelen genoemd. Deze bevinden zich diep in de bossen of aan randen van moerassen en plassen. Zowel mannetjes als vrouwtjes maken hier het gehele jaar door gebruik van en in de omgeving zijn soms schuurbomen te vinden. De schuurbomen die de edelherten gebruiken kunnen tot op wel twee meter hoogte compleet ontschorst of gepolijst zijn. Bij gebrek aan modderige plekken, gebruiken edelherten ook wel zandige plekken waarin ze zich wentelen als hun vacht door de regen nat is geworden. In de bronsttijd maken mannetjes ondiepe modderputten met hun gewei of ze gebruiken natte plekken in het terrein, waarin ze urineren en sperma spuiten. Hierin wentelen ze zich, waardoor een dun laagje van modder, urine en sperma op hun huid ontstaat waarmee ze de vrouwtjes willen imponeren. Naar boven
Edelhert
Damhert
De vacht van een damhert (Dama dama) kent een grote variatie aan kleuren van wit via lichtbruin tot bijna zwart, maar meestal is de rugzijde roodachtig geel tot kastanjebruin van kleur en de buikzijde geelwit. De dominante kleur verschilt echter per gebied. In de winter is de vachtkleur grijzer. Het damhert ruit twee keer per jaar, een keer in mei of juni en een tweede keer in september of oktober. De vacht is meestal bezaaid met witte vlekjes, welkein de winter minder opvallen. Bepaalde kleurpatronen, bijvoorbeeld geheel witte dieren, hebben geen vlekken. Bij zwarte dieren zijn de vlekjes eerder bruinzwart van kleur, lichter dan de rest van de vacht. De romp heeft een patroon van zwart en wit en een zwarte streep, die doorloopt tot de bovenkant van de staart. Deze zwarte streep ontbreekt bij geheel witte en geheel zwarte dieren. Een damhert is groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De kop-romplengte is 130 tot 170 cm en de schouderhoogte 85 tot 110 cm. Het damhert weegt tussen de 45 tot 100 kgen bij hoge uitzondering tot 130 kg. De staart is 16 tot 19 cm lang. Het mannetje (hert of hertenbok genaamd) wordt over het algemeen zwaarder dan het vrouwtje (hinde). Het gewei van damherten zijn de takken met elkaar verbonden door platen en vormen het kenmerkende schoffelgewei. Het wordt in april en mei afgeworpen, waarna het gelijk weer begint aan te groeien. De basthuid wordt in augustus en september afgeschuurd. Het gewei groeit naarmate het dier ouder wordt. Bejaarde mannetjes hebben weer kleinere geweien. Leefwijze en voedsel Damherten leven in gescheiden roedels. Na de paartijd leven de volwassen mannetjes in aparte vrijgezellengroepjes, terwijl de vrouwtjes (hinden) met hun nakomelingen van dit en voorgaande jaar in groepjes van vijf tot zeven dieren leven. Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje. Jonge mannetjes blijven meestal bij zo'n groep tot ze twintig maanden oud zijn, waarna ze naar de vrijgezellengroepjes trekken. Op open voedselrijke plaatsen kunnen de roedels zich samenvoegen tot groepen van tot wel tachtig dieren. In sommige (meestal meer open) gebieden komen het gehele jaar door gemengde roedels voor. Het damhert is buiten de bronsttijd niet territoriaal, waardoor de leefgebieden elkaar overlappen. Het woongebied van de mannetjes is vaak groter dan dat van de hinden. Damherten zijn over het algemeen dagdieren, maar in verstoorde gebieden zijn ze meer schemeringsdieren. Oudere mannetjes hebben echter de neiging vooral 's nachts te leven. Het damhert is een goede zwemmer. Het damhert voedt zich voornamelijk met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge bladeren, bessen (rozenbottel, braam, bosbes), eikels, granen, wortelen en 's winters schors, hulst en heide. Leefgebied Het damhert komt van nature voor in volwassen loofbossen en gemengde bossen, zelden in naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor bossen met een dichte onderbegroeiing. De bossen dienen voornamelijk als schuilplaats, terwijl de meer open gebieden als graasplek dienen. Voortplanting en leeftijd De bronsttijd valt in de tweede helft van oktober en duurt tot begin november. Tijdens de aanloop naar de bronsttijd gaan de mannetjes gevechten aan voor een territorium. Meestal bestaat dit uit schijngevechten, maar echte gevechten komen voor. Er vallen echter zelden doden. Het veroverde territorium dient als strijdperk, lek genoemd, en ligt in ongeveer hetzelfde gebied als de voorgaande jaren. Met de hoeven krabt een hert een ondiepe kuil in de grond, die hij besproeit met urine. Het territorium wordt gemarkeerd door langs de bomen te schuren en met luide brullen lokt een hertenbok de hinden. Vrouwtjes zijn na zestien maanden geslachtsrijp en mannetjes na 7 tot 14 maanden, maar jonge mannetjes hebben echter weinig kans bij het voortplanten, omdat nog niet sterk genoeg zijn om een territorium te veroveren. Na een draagtijd van 230 dagen wordt in juni en juli één kalf (zelden twee) geboren. Het kalfje weegt ongeveer 4,5 kg en heeft eenzelfde kleurenpatroon als volwassen dieren. Damherten die op volwassen leeftijd wit zijn, worden echter met een zandkleurige vacht geboren. Een kalf houdt zich de eerste weken meestal in de vegetatie verscholen, maar het kan zijn moeder al volgen. De zoogtijd duurt gemiddeld zo'n twaalf weken. Het damhert kan meer dan zestien jaar oud worden. . Sporen De voorvoeten van een damhert heeft een lengte van 8 cm en een breedte van 5 cm. Bij de hinde is de voorvoet 5 tot 6 cm lang en 3 tot 4 cm breed. Bij de stappengang is de paslengte 60 cm, maar in galop is de paslengte van het hert tot 250 cm en bij de hinde 150 tot 200 cm. Damherten maken gebruik van wissels, regelmatig of veelvuldig belopen paadjes. Soms worden ze door een individu gebruikt, soms door meerdere, maar vaak door diverse diersoorten. Op plaatsen waar de wissel een beek of greppel kruist zijn vaak prenten te vinden, omdatde dieren dan een aanloop moeten nemen om naar de overkant te komen. De wissels die een damhert gebruikt, zijn 30 cm of meer breed. Damherten drukken hun ondersnijtanden tegen de boomschors en trekken naar boven toe een lange reep los. Hierbij ontstaat aan de onderkant van de reep een scherp snijvlak en aan de bovenkant een rafelige rand. Vooral in de lente komt het voor dat bomen goed ontschorst zijn en dan meestal aan één kant van een boom. In de winter zit de schors vaster , waardoor het hert met zijn tanden over het schors schraapt. Over het algemeen staan de staan de snijvlakken in de lengterichting. Van de stam. De breedte van de middelste ondersnijtanden zijn samen tot 25 mm, maar de breedte is afhankelijk van de leeftijd. De uitwerpselen van een damhert bestaan uit donkergroene, bruine of zwarte keutels. Ze zijn eikelvormig en zijn ongeveer 15 mm lang met een diameter van ongeveer 10 mm bij het hert en 8 mm bij de hinde. In de bronsttijd maken de herten ondiepe modderputten met hun gewei of ze gebruiken natte plekken in het terrein, waarin ze urineren en sperma spuiten. Hierin wentelen ze zich, waardoor een dun laagje van modder, urine en sperma op hun huid ontstaat waarmee ze de hindenwillen imponeren. Damherten verliezen hun gewei in april en mei afgeworpen, waarna een nieuwe gewei gaat groeien datgemiddeld in julivoltooid is. In augustus begint de basthuid te jeuken en verwijderen de mannetjes die door het gewei langs takken en boomstammen te schuren. De veegsporen zitten op een hoogte van 1 meter of meer.Tijdens de bronstperiode slaan deherten met hun geweien tegen struiken en boomstammen. Waar bij het verwijderen van de basthuid slechts één kant van een stam beschadigtwerd, wordt in deze periode een boom aan alle kanten “aangevallen”. Naar boven
Damhert
Wisent
De wisent of Europese bizon (Bison bonasus) is een stevig dier met een korte, brede kop en een hoge rug. De hoge rug van wisenten wordt door verlengde botten van de borstwervels gevormd. Ruwe, warrige manen bedekken het voorste gedeelte van het lichaam, waardoor dit vooral bij de stier zwaarder lijkt. De vrijegale kast anjebruine vacht vormt een goede schutkleur in de schaduw van een volwassen bos. In de zomer hebben ze een korte gladharige zomervacht. Tegen de winter worden de haren langer en ruiger en groeit er een fijne ondervacht tussen. Ook komt er een baard aan de keel, hals en kin en een brede haardos bij het achterhoofd. De rui valt in de lente of aan het begin van de zomer. Beide geslachten dragen boven gekromde hoorns, waardoor het gemakkelijker door een dicht stakenwoud kan vluchten. Bij koeien zijn de horens korter, smaller en minder sterk aan de basis dan bij stieren. De wisent heeft een kop-romplengte van 250 tot 270 cm en een schouderhoogte van 180 tot 195 cm. Mannetjes (stieren) worden zwaarder dan vrouwtjes (koeien). Het mannetje weegt tussen 800 en900 kg en het vrouwtje tussen 500 en 600 kg. Leefgebied De wisent komt voor in loofwouden of in gemengde bossen waar loofbomen domineren, maar ze leven ook in moerassige, bosachtige streken. Ze zijn goed aangepast aan een leven in een bosrijke omgeving, want door de donker- bruine vacht en hun slanke, hoge bouw vallen ze niet op tussen de donkere stammen van een bos. Leefwijze en voedsel De wisent leeft in kuddes van met vrouwelijke dieren en hun nakomelingen en worden geleidt door een oudere koe. Zij beslist wanneer waar naartoe wordt gegaan en wat te doen: rusten, herkauwen, grazen of drinken. Op drie- vierjarige leeftijd krijgt een koe haar eerste kalf. Zijn er meerdere kalfjes in een groep, dan rusten deze meestal in een crèche met een ouder dier als oppas. Wanneer een koeien-groep te groot wordt splitst éé van de oudere koeien zich af en vertrekt met haar dochters en nakomelingen om een nieuwe koeiengroep te stichten. Jonge stieren vertrekken tijdens hun pubertijd uit de koeiengroep en sluiten zich aan bij een stierengroep. Met vier jaar zijn ze volwassen. Stieren en stierengroepen hebben leefgebieden die elkaar deels kunnen overlap- pen. De onderlinge rangorde wordt in gevechten bepaald. De wisent is voornamelijk 's nachts actief, maar laat zich ook overdag zien. De wisent zijn herkauwers en leven van knoppen, bladeren, bast en twijgen van struiken en bomen, grassen en kruiden. Daarnaast wordt hun voedsel aangevuld met eikels in de herfst en hei en altijdgroene bomen in de winter. Voortplanting en leeftijd In de voortplantingstijd, van augustus tot oktober, zoeken de stieren de koeiengroepen op. Dominante stieren dulden dan geen concurrenten in hun nabijheid. De sterkste stieren hebben hun leefgebieden op plekken waar zich meerdere koeiengroepen ophouden. Jonge stieren of erg oude dieren ontlopen de dominante stieren en leven in leefgebieden nauwelijks koeiengroepen komen. Kalveren worden geworpen in mei of juni. Een koe verlaat de kudde als ze gaat werpen. Een wisent krijgt één kalf per worp die bij de geboorte slechts dertig kg weegt en is dan roodachtig grijs gekleurd. Na een week is het sterk genoeg om mee te lopen met de kudde en sluiten moeder en kalf zich weer bij de groep aan. Als een kalf 6 tot 7 maanden oud is, krijgt het de kastanjebruine kleur van volwassen dieren.Kalfjes kunnen slecht tegen teveel zonlicht en hebben schaduw nodig. Een kalf wordt zo'n zeven maanden gezoogd en blijft drie jaar bij zijn moeder. Een wisent kan zo'n 22 jaar oud worden. Sporen Wisenten bewegen hun kop van achter naar voren om met hun baard de sneeuw van het gras weg te vegen. De vorm van de uitwerpselen van een wisent is afhankelijk van het voedsel. In de winter vormen zij aaneen- gedrukte“platen”. De ronde prenten hebben een doorsnede van 10 tot 13 cm. Aan de binnenkant van een hoef (binnenhoefwand) is meer hol in tegenstelling tot de buitenkant (buitenhoefwand) die meer bolvormig is. Een wisentpoel is een ondiepe kuil in de grond in zowel droge als nattere gebieden. Het stof en de modder doendienst als een afweermiddel tegen vliegen en andere parasieten. Door zich te rollen in een kuil of te schuren tegen bijvoorbeeld een steen of boomstam proberen ze omvan hun wintervacht,de jeuk vaninsecten- beten en van deparasieten af te komen. Vaak blijven er dan ook plukken haar achter. Naar boven
Wisent
Wild zwijn
Het wilde zwijn (Sus scrofa) is bruin tot zwart van kleur en heeft een donkere, borstelige vacht met een dikke ondervacht. In de lente verhaard het wild zwijn en krijgt hij een kortere en lichtere vacht.. Zwijnen hebben een gedrongen romp en een wigvormige kop. Zijn oren zijn breed, rechtopstaand en behaard en hij heeft kleine ogen. De vrouwelijke dieren worden zeugen of baggen genoemd en de mannelijke dieren beren of evers. De mannetjes zijn goed te herkenen aan de twee opvallende slagtanden. Het zijn de twee hoektanden in de onderkaak die naar boven gericht staan. Ook de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en wijzen omhoog. Hoe ouder een mannetje is, hoe verder deze hoektanden naar boven uitsteken. De jonge biggen worden frislingen genoemd en hebben een roodachtige huid met geelachtige strepen. De strepen lopen van voor naar achter over de rug. Mannetjes worden groter dan vrouwtjes.Een mannetje wordt gemiddeld 105 tot 167 cm lang, 64 tot 109 cm hoog en 33 tot 148 kg zwaar. De staart kan 17 tot 30 cm lang worden. Een vrouwtje wordt gemiddeld 100 tot 146 cm lang, 59 tot 89 cm hoog en 30 tot 80 kg zwaar. De staart van het vrouwtje wordt 16 tot 28 centimeter lang. In het noorden worden zwijnen zwaarder dan in het zuiden, mannetjes wegen daar soms wel 200 kg. Het lichaamsgewicht is ook afhankelijk van de leefomstandigheden. Deleeftijd is 30 jaar of meer. Leefwijze en voedsel Een wild zwijn is een nacht- en schemerdier dat vanaf de schemer actief op zoek gaat naar voedsel. Op zoektochten kan hij in de nachtelijke uren vrij grote afstanden afleggen, soms meer dan vijftien kilometer. Wilde zwijnen leven in kleine troepen, rotten genoemd, in loof- en gemengde bossen van maximaal 20 dieren. Daarbij zijn de evers en zeugen van elkaar gescheiden, maar leven wel in elkaars nabijheid. Mannetjes leven vanaf hun derde levensjaar alleen. Wilde zwijnen houden ervan als er moerassige plaatsen in het bos zijn. Daar kunnen ze in ondiepe poelen, zoelen, modderbaden nemen. Het laagje modder dat na het baden op de huid van de wilde zwijnen achterblijft, biedt bescherming tegen muggen en vliegen. De huidparasieten drogen op in het modderlaagje en vallen van de huid af als de wilde zwijnen tegen een boom schuren. De schuurbomen staan vlakbij het modderbad, zijn 50-60 cm boven de grond afgeschuurd en zijn door het veelvuldig gebruik verkleurd en gepolijst. Een modderbad wordt gemaakt op van nature natte plekken en door het veelvuldig gebruik, zijn ze geheel ontdaan van plantengroei en vaak van veraf herkenbaar. Vaak zijn er ook prenten, schuurbomen met haren, uitwerpselen en wroetplekken in de omgeving te vinden. Wilde zwijnen zijn niet territoriaal. Wel hebben ze een redelijk vast leefgebied. Overdag rust het wild zwijn in dichte dekking, bij voorkeur in jonge ongedunde naaldhoutaanplant. Hij bouwt daar een rustplaats. Dit is een uitholling in de bodem die ze in de bladlaag of in de kale grond uitschrapen en soms bedekken met takken. In de winter liggen wilde zwijnen vaak met meerdere bijeen in een dergelijke plek en valtdeopstijgende warme waterdamp goed op. Vooral 's nachts en vroeg in de ochtend gaan ze op zoek naar voedsel. Ze wroeten in de grond op zoek naar voedsel. Een wild zwijn kan heel goed ruiken en horen, maar het gezichtsvermogen is echter slecht.Zijn lange, sterke snuit en driekantige hoektanden zijn uitstekend geschikt voor het omwoelen van de bosbodem.Wilde zwijnen hebben een brede eetpatroon. Ze eten voornamelijk plantaardig voedsel zoals eikels, kastanjes, knollen, vruchten, bessen en groene planten- delen. Maar hij eet ook dierlijk voedsel zoals aas, regenwormen, insectenlarven, amfibieën en kleine knaagdieren. Meestal wroeten ze met hun snuit in de bosbodem om naar voedsel te zoeken. Voedsel onder de grond kunnen ze op geur vinden. Voortplanting De paartijd valt in de late herfst.De draagtijd is 110 tot 120 dagen. In februari, maart of april maakt een vrouwtje een kraamkamer. Dit is een kuil van een enkele decimeters diep waar ze achteruitlopend allerlei plantenmateriaal zoals gras, loof en mos in sleept en afdekt met omgebogen en van boven met speeksel en modder aan elkaar gelijmde twijgen. Vier maanden laterwerpen dezeugen in april-mei hun 3 à 12 frislingen (biggen). Ze behouden hun in de lengte gestreepte jeugdkleed ongeveer een half jaar lang. De frislingen zijn direct na de geboorte al zeer beweeglijk, maar mogen het door de moeder gemaakte leger, een ondiep kuil, indicht struikgewas deeerste week niet verlaten. Na drie weken kunnen ze zelf de grond omwoelen, maar ze worden nog ca. twee maanden gezoogd. LeefgebiedHet wild zwijn komt voor in voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beuken bossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes te vinden zijn. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen.Wilde zwijnen hebben een aantal natuurlijke vijanden, zoals beren, wolven, lynxen en oehoe's (uilen). Sporen De afdrukken van de hoeven van wilde zwijnen zijn tot 12 cm lang en 5-7 cm breed. Hoe ouder het dier, hoe groter de afdruk en hoe stomper de hoeven. De bijhoeven zijn vrijwel altijd zichtbaar, al kunnen ze bij pootafdrukken van jonge dieren ontbreken. Het wild zwijn maakt gebruik van wissels, regelmatig of veelvuldig belopen paadjes. Soms worden ze dooreen individu gebruikt, soms door meerdere. Vaak worden ze gebruikt door meerdere diersoorten. De wisselsdie wild zwijn gebruikt, zijn 30 cm of meer breed. Aan de hand van prenten en/of haren die blijven hangen aanstruikgewas, prikkeldraad of schuurbomen is te zien of deze daadwerkelijk door wild zwijngebruikt wordt.De haren zijn zeer stug, dik, zwarten tot 10 cm langmet soms bruine delen. De haren zijn aan de top gespleten. Op zijn zoektocht naar voedsel, laat het wild zwijn wroetsporen achter. Met zijn snuit en poten heeft hij dande bodem opengekrabd, graspollen omgelegd en zoden uitgetrokken. Vaak zijn veel wroetsporen bijeen te zienen vallen ze al op van grote afstand. Deze wroetsporen kunnen zowel in de humuslaag in bosgebied, grasland,in wegbermen en op akkers worden aangetroffen. De vorm is zeer onregelmatig en variabel in diepte en breedte.Ook omver gestoten paddenstoelen of brokken daarvan, in combinatie met omgewoelde aarde, wijzen op wroetsporen van het wild zwijn. Uitwerpselen van wild zwijn hebben een variabel uiterlijk. Ze kunnen tot 7 cm dik zijn, maar zijn meestal dunner. De kleur hangt af van het gegeten voedsel, donkergroen, zwart tot geel en bruin- tot geelgroen. Het zijn soms losse, maar meestal in strengen of klonten aan elkaar gekleefde bolvormige, zijdelings afgeplatte keutels, soms zijn ze halfvloeibaar of gedeeltelijk klonterig. Vaak zijn er duidelijke planten- of dierenresten in te herkennen, zoals dekschilden van kevers of dopfragmenten van eikels en beukennootjes. Uitwerpselen van wild zwijn kunnen in bosrijke gebieden, soms grenzend aan agrarisch gebied, gevonden worden. Naar boven
Wild zwijn
Mieren
Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen. Waar ze voorkomenvormen demieren de dominante levensvorm op de bodem. Geschat wordt dat de totale biomassa van alle mieren groter is dan die van alle andere dieren op aarde. Omdat mieren overal ter wereld voorkomen, zijn ze één van de succesvolste diergroepen. Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken. Mieren hebben een grote kop met daarop een paar samengestelde ogen. In de antennen heeft de mier haar reukzin en de tastzin, die beide erg goed ontwikkeld zijn. De bovenkaken van de mier zijn uiterst sterk, terwijl de onderkaak eerder zwak is. Het vloeibare voedsel likt ze met de onderlip op. Sommige mieren maken gebruik van mierenzuur en spuiten het zuur met het achterlijf. Wanneer een mierenkolonie wordt verstoord, nemen ze hun gevechts- houding aan. Ze zetten hun achterste paar poten stevig op de grond en richten hun bovenlijf omhoog, waarna de mieren mierenzuur gebruiken om te spuiten. Net als bij de bij bestaat de kolonie uit mannetjesdieren, vrouwtjesmieren, de werksters en één of enkele koninginnen. De grootste groep zijn de werksters die opgesplitst worden voor de verschillende taken. De koningin legt onbevruchte eitjes waaruit, net als bij de bij, de mannetjes groeien. Samen met de mannetjes verlaten jonge koninginnen vliegend het nest. Dit gebeurt op warme, zwoele dagen. In de lucht bevruchten de mannetjes de koninginnen en sterven kort daarna. De koninginnen verliezen hun vleugels, graven zich in en beginnen een nieuw volk. Ze leggen wat eitjes en de larven diehieruit voortkomenkweekt de koningin op met een afscheiding uit de speekselklieren. Na enige tijd verpoppen de larven, ook wel ‘miereneieren’ genoemd. Uit die eieren komen kleine mieren die het eten nu gaan verzamelen en voor de kroost van de leggende koningin gaan zorgen. Pas wanneer het volk groot genoeg is, komen er soldaten om de kolonie te beschermen. De soldaten beschikken over een grote kop met sterke kaken De mieren graven gangen en leggen in die gangen hun nest aan. Vaak wordt dit nest een heuse heuvel, bijvoorbeeld bosmieren wonen in zo’n mierenhoop. Hiervan bestaat de buitenste laaguit dennennaalden en in de bodem hebben de bosmieren gangen en kamers gemaakt. Mieren beschikken over een ingenieus systeem om de temperatuur in het nest te regelen. Wanneer het te koud wordt buiten dan sluiten ze de buitenuitgangen af om de nestwarmte te behoudenen wanneer er moet worden afgekoeld, zetten ze de ingangen open. Omdat de temperatuur niet overal gelijk is, sleuren de mieren de eieren en larven door de kamers en gangen heen naar de juiste plaatsen. Sommige mieren doen ook aan een vorm van slavernij. Ze stelen larvepoppen van andere mierennesten om in hun eigen volk als slaven te gebruiken. De mieren leven van andere insecten, van nectar uit bloemen en ook van honingdauw. Dit is een afscheiding van de bladluis. De mierenkolonie houdt er bladluizen op na om ze te melken. Daartoe wordt op het achterstuk van de bladluis geduwd. Naast het gebruik van bladluizen hebbenmierenvaak kortschildkevers in het nest engeven ze zelfs te eten. De mieren gebruiken een afscheiding van de kevers als een genotsmiddel. Mieren ruimen veel ongedierte en ook dode en rottende dieren op. In de buurt van mierenhopenzijn er altijd'mierenpaadjes'. Dat zijn de wegen die de jaagmieren gebruiken om voedsel te halen. Als de mieren elkaar onderweg tegenkomen, betasten en beruiken ze elkaar. Op deze manier geven ze elkaar berichten door over een goede voedselbron, over dreigend gevaar of als ze hulp nodig hebben. Verzamelen Mieren verzamelen zich snel rond een beetje voedsel en daar kunnen ze worden verzameld. Een andere manier is door in te breken in het nest. Hierbij kunnen dan niet alleen demieren, maar vooral de larvepoppen worden verzameld. Door eerst een doek op de grond te leggen en de zijkanten een deel naar binnen te vouwen, kunnen zo snel mogelijk delen van het nest op het doek worden geworpen en daarbij moet steeds dieper in het nest worden gegraven.De mieren willen delarvepoppenbeschermen en verzamelen ze onder overhangende zijkanten. Na een poosje kunnen de larvepoppen worden opgeschept en rauw of gebakken worden gegeten. Mieren zelf kunnen ook worden verzameld, maar moeten daarna minstens 6 minuten worden gekookt om zo de eventuele mierenzuur kwijt te raken. Na het koken kunnen ze worden gegeten of eerst worden gedroogd om aan anderemaaltijden te worden toegevoegd. Naar boven
Mieren
Sprinkhanen
Sprinkhanen zijn tamelijk grote, groene insecten met lange achterpoten en lange voelsprieten. Ze komen op allerlei plaatsen voor met een wat hogere vegetatie, zoals ruigten, struikgewas, akkers en vrijstaande bomen. Ze worden tot 4 cm groot, maar de (grote) groene sabelsprinkhaan heeft een grootte van 10 cm. De vrouwtjes gebruiken een sabelvormige legboor om eitjes aan het eind van de zomerin de bodem te kunnen leggen. Na de winter ontwikkelen zich hieruit eerst larven. Het larvenstadium gaat direct over in het stadium van de volwassen vorm. Sprinkhanen eten planten, kleine insecten, voedselresten en kadavers. De sprinkhaan vangt zijn prooi door er op te springen. Vervolgens doorboort hij de prooi met zijn krachtige mondwerktuig. Veel soorten lijken sprekend op elkaar en zijn niet makkelijk uit elkaar te houden.Ze worden verdeeld in twee groepen: de langsprieten en de kortsprieten. De kortsprieten zijn allemaal planteneters, de meeste langsprieten zijn alleseters. Bijna alle sprinkhanensoorten kunnen geluid maken door hun voorvleugels langs elkaar te wrijven of door met hun voorvleugels over de achterpoten te strijken. Wel is het getsjirp per soort verschillend. Alleen het mannetje tsjirpt.Het dient om de vrouwtjes te lokken. De gehoororganen zitten niet op de kop, maar in de poten. Het grotere vrouwtje legt aan het einde van de zomer haar eitjes in pakketten in de grond. De eipakketten kunnen enkele tientallen tot meer dan honderd eitjes bevatten. Ze heeft vrij droge grond nodig om haar eitjes af te zetten. Het volgende voorjaar komen de larven uit de grond. Ze lijken meteen op de volwassen sprinkhaan. Net als hun ouders kunnen ze zich voortbewegen door te springen. Hun vleugels ontstaan pas na de derde van in totaal vijf tot zeven vervellingen. De laatste vervelling leidt tot het volwassen stadium. Jonge sprinkhanen worden nimfen genoemd. De oudere larven kun je herkennen door de draaiing van de vleugelstompjes. Wanneer de vorst invalt sterven alle sprinkhanen. Verzamelen Mep de sprinkhanen met een tak met bladeren. Verwijder de vleugels, antenne en pootsporen. Ze zijn rauw eetbaar, maar door ze te roosteren worden niet alleen de parasieten gedood, maar krijgen ze ook een betere smaak. Naar boven
Sprinkhanen
Bijen
Bijen leven in een groep, genaamd volk. Aan het hoofd staan de werksters, de vrouwtjes. Zij zorgen dat er in het volk één koningin aanwezig is. Deze wordt goed verzorgd, want van haar hangt het voortbestaan van het volk af. Wanneer de oude koningin minder eitjes begint te leggen, zullen de werksters een nieuwe koningin aanmaken. Zij zullen een aantal grotere cellen bouwen. Daarin legt de oude koningin dan een eitje. Het is een eitje net zoals de andere, maar vanaf het begin krijgt de larve die uit het eitje komt koninginnenbrij. Door dit speciaal eten wordt deze bij een koningin. De oude koningin zal even voor de geboorte van de nieuwe koningin vertrekken. Wanneer een nieuwe koningin daglicht ziet, gaat ze eerst haar concurrenten vermoorden. De werksters leggen voor alle zekerheid immers een aantal koninginnecellen aan. Deze koningin blijft dan als alleenheerser in het volk.De helft van het volk vliegt met de oudere koningin mee en vormt daneen zwerm. Vooral in mei kun je de zwermen zien. Duizenden bijen wriemelen door elkaar in de lucht en midden in de zwerm zit de koningin. Wanneer zij zich neerzet, komen alle andere bijen als een bol rondom haar gekropen of hangen ze als een tros aan een tak. Ondertussen zoeken verkenners een nieuwe plek voor het volk. Naast werksters en de koningin zijn er ook mannetjes, darren. Ook zij komen uit een gewoon eitje, maar dit eitje is niet bevrucht. Wanneer de koningin te oud is zal het merendeel van de nieuwe bijen mannetjes zijn. Zij zijn lui en halen geen stuifmeel en nectar. De darren zijn echter wel nodig. De nieuwe koningin moet bevrucht worden. Die nieuwe koningin gaat nu de bruidsvlucht aan. Ze schiet de lucht in en trekt naar een plaats waar de darren samenkomen. De koningin wordt vanaf verre afstand geroken. De darren haasten zich om de eerste bij de dame te zijn. De sterkste dar wint het en dan paren ze in de lucht. De dar gaat na het paren dood. Andere darren proberen vervolgens hun geluk. De koningin heeft nu zaadcellen voor jaren. De darren die terugkeren leven met het volk mee. Even voor de herfst hebben de werksters er genoeg van en jagen de darren buiten. Zij die toch binnenkomen worden afgeslacht. De darrenslag is nodig, omdat het volk de honing nodig heeft om te overwinteren. Een volk kan bestaan uit zo'n 20.000 tot 80.000 bijen. Hiervan legt dus alleen de koningin eieren. De koningin kan per dag 1500 tot 3000 eieren leggen, welke netjes in cellen gelegd. De cellen zijn zeshoekig en vormen samen de raat. Rondom het nest met eitjes zitten de cellen met stuifmeel en daar rondom verzamelen ze de honing. Bijen kunnen niet zonder nectar en stuifmeel. Nectar is een dunne, suikerhoudende vloeistof die wordt afgescheiden door de nectarklieren van de plant. De plaats van deze klieren verschilt van plant tot plant. De nectar wordt door de bijen verwerkt tot honing. Deze honing is een van de belangrijkste voedingsstoffen voor de bijen. Stuifmeelkorrels bevatten de eiwitten,vitaminen en vetten die de bijen nodig hebben voor het vormen van hun weefsels. Honing is het brandstofdeel van hun voedsel en stuifmeel het bouwstofdeel.Om een bijenvolk een jaar in stand te houden is 35 tot 50 kg stuifmeel nodig. Dit natuurlijke stuifmeel is onvervangbaar door welke andere stof dan ook.Zijn de bijen niet in staat deze hoeveelheid te verzamelen, dan verzwakken ze en gaan onherroepelijk dood. Koningen en werkbijen dragen een angel met een gifklier. Daarnaast bezitten werkbijen inrichtingen aan de achterpoten voor het verzamelen van stuifmeel. Zij bestaan uit korfjes en borstels. De bloemennectar wordt in de honingmaag verzameld. Heeft een werkbij een rijke honingbron ontdekt, dan voert zijop de raten bepaalde dansen uit. Daardoor geeft zij aan op welke afstand van de woning en in welke richting ten opzichte van de zon de juist ontdekte voedselbron gelegen is. Een werkbij ontwikkelt zich in 21 dagen uit een bevrucht ei. In de eerste tijd zijn haar voedselklieren werkzaam, daarna gaan de wasklieren werken en wordt zij een week lang bouwbij. Ze bouwt dan wascellen, die met grote nauwkeurigheid in verticale lijnen gerangschikt zijn. Daarop volgen 3 dagen wachtdienst bij het vlieggat. Ongeveer vanaf de 21ste levensdag wordt de jonge bij een haalbij en enkele weken later sterft zij. Bijen maken 4 soorten wascellen: ♦ honingcellen, welke ook voor de opname van het broedsel wordt gebruikt. ♦ darrencellen, waarin de darren zich ontwikkelen. ♦koninginnecellen. ♦ steuncellen, welke voor de versteviging van de koninginnecellen zorgen.VerzamelenZowel de poppen, de larven als de volwassen exemplaren zijn eetbaar. De bij is ook nog de leverancier van honing. Honing is lichtverteerbaar en heeft een hoge voedingswaarde. Overdag gaan de werkbijen weg van het nest, maar ze komen daar 's avonds allemaal weer bij elkaar. Dat is de beste moment om toe te slaan.Maak eerst een fakkelvan een bos droog gras en houd hem zeer dicht bij de opening, zodat het nest zich met rook vult. Sluit dan het gat af en dit zal de wespen doden. Verwijderde vleugels, de poten en vooral deangel. Knijp zachtjes in het achterlijf en hierdoor komt de angel met het gifblaasjes naar buiten.Door ze te koken of te roosteren verbetert de smaak. Naar boven
Bijen
Wespen
Het kenmerk van wespen vormt de geel met zwarte tekeningen over het hele lijf en de smalle lichaamsopbouw. Mannetjes hebben langere voelsprieten dan de werksters. Wespen komen voor in bossen en houtwallen, maar ook in bewoonde gebieden. Wespen zijn sociale dieren die in een kolonie leven. In het najaar verlaten jonge koninginnen het nest waarin ze opgegroeid zijn, paren en zoeken een schuilplaats voor de winter. De jonge koninginnen verblijft daar gedurende 6 of 7 maanden. Laat in het voorjaar komt de koningin weer te voorschijn en gaat op zoek naar een geschikt plek om een nest te maken. Vaak betreft dit spleten of holletjes in de grond of muur. De koningin graaft dit dan verder uit met haar kaken. Als bouwmateriaal voor het nest gebruikt de koningin houtvezels, die ze van een paaltje van een hek of een oude boom afknaagt. De houtvezels worden fijngekauwd en met speeksel vermengd. Hierdoor verhardt het tot een soort papier of kart. Als er een voldoende stevige aanhechting is gemaakt, wordt daaraan een steel gemaakt. Dan maakt de koningin een raat van enkele zeshoekige cellen, die aan de onderkant open zijn. Als volgt legt de koningin in elke cel een ei en bouw om deze eerste raat een papieren omhulsel. Gedurende de bouwwerkzaamheden heeft de koningin zich gevoed met nectar. Als de kleine witte larven uit het ei komen, verdeelt ze haar tijd tussen het voeden van de larven en het bouwen van nieuwe cellen aan de raat, waarbij het papieren omhulsel steeds groter wordt. De larven worden door de koningin gevoed met een papje van fijngekauwde insecten. De koningin grijpt ze in de vlucht met haar kaken. Tegen de tijd dat de larven uit de eerste eieren volgroeid zijn en zich verpopt hebben, heeft de koningin soms al een tweede verdieping gebouwd. Die zit met kleine steeltjes onderaan de eerste raat vastgemaakt. Om bij een ondergrondse nest meer ruimte vrij te maken voor een groter nest moet ze de holte verder uitgraven en de aarde verwijderen. Als de eerste werksters verschijnen nemen ze de bouwwerkzaamheden van de koningin over. De werksters maken nieuwe, steeds grotere, raten onder elkaar. Na een tijdje worden weer kleinere raten gemaakt, zodat het nest een bolvorm krijgt. De koningin blijft nu in het nest en wordt gevoed door haar dochters, die ook het voedsel verzamelen voor de opgroeiende larven. Een kolonie bestaat uit ongeveer 5000 wespen. Het totale aantal nakomelingen van de koningin kan 5x zo groot zijn. Het afgebouwde nest is een holle bol met een doorsnede van 20 tot 25 cm en bestaat uit 6 tot 10 raten. De binnenkant van het nest wordt voortdurend afgeknaagd en weer fijngekauwd tot een brij, die samen met nieuw bouwmateriaal gebruikt kan worden bij de uitbouw van nieuwe raten. Tegen het einde van de zomer wordt een generatie van mannetjes en vruchtbare wijfjes geboren. De wijfjes worden de nieuwe wespenkoninginnen. Ze zijn iets groter dan de werksters. De eieren waaruit de werksters en koning- innen komen, zijn altijd bevrucht door sperma dat de koningin na de paring in haar lichaam bewaart.Uit de onbevruchte eieren komen alleen mannetjes. Na de paring gaan de mannetjes dood en de koninginnen gaan overwinteren. Op het eind van de zomer worden de werksters traag en verwaarlozen zij de werkzaamheden aan het nest. De werksters en de oude koningin sterven in de herfst bij de eerste nachtvorst. De werksters voeden zich met nectar en sap uit vruchten.De larven en de koningin worden door de werksters gevoed met dierlijk- voedsel, voornamelijk gevangen insecten,zoals vliegen. De wespenlarve is een witte pootloze made, die zich in de hangende cel tegen de wanden aandrukt. Als de larve volgroeid is, spint zij een papierachtig deksel over de opening van de cel. De larve gaat nu veranderen in een zachte witte pop. De wespen komen 3 tot 4 weken nadat de eieren gelegd zijn uit. De angel van een wesp is eigenlijk een legboor voor het leggen van eieren, maar die veranderd is in een angel. De angel is verbonden met een gifklier. Bij de koningin komen de eieren uit een opening aan de basis van de legboor. Wespen steken alleen als ze worden vastgepakt of in het nauw gebracht. VerzamelenZowel de poppen, larvenals de volwassen exemplarenzijn allemaal eetbaar. Overdag begeven de wespen zich ver van het nest, maar 's avonds komen ze allemaal weer terug.Maak eerst een fakkelvan een bos droog gras en houd hem zeer dicht bij de opening, zodat het nest zich met rook vult. Sluit dan het gat af en dit zal de wespen doden. Verwijder bij de wesp de vleugels, de poten en vooral de angel. Knijp zachtjes in het achterlijf enhierdoor komt de angel met het gifblaasjes naar buiten.Door ze te koken of te roosteren verbetert de smaak. Naar boven
Wespen
Fazant
Een fazant is een grote, hoog op de poten staande vogel met een lange staart. Het mannetje is prachtig bruin of koperkleurig gekleurd met zwarte banden. Zijn kop is blauwgroen met naakte rode huidplooien in het gezicht. Hij heeft verlengde oorpluimen.De vrouwtjes en jonge dieren zijn bijzonder goed gecamoufleerd en zijn bruin met lichte en donkere vlekken. De fazant komt van nature voor in laaglandbossen en cultuurland of op woeste gronden met voldoende dekking. Hij is gespecialiseerd in het vangen van insecten, hagedissen en soms muizen, zaden en aas op de bosbodem, maar eet vooral zaden, vruchten, groende plantedelen. De jongen eten de eerste weken klein gedierte, zoals insecten en spinnen. Fazantenhanen hebben een territorium, welke hij vaak met meerdere vrouwtjes deelt, zijn harem. Het nest is meestal een ondiepe kuil, welkegoed bekleed is met takjes of riet. Het vrouwtje broedt in 23-24 dagen 8 tot 12 bruine eieren uit. De jongen kunnen na 10 tot12 dagen al enkele meters ver vliegen. Zezijn na 4 tot 7 weken zelfstandig en tot dat moment worden ze door het vrouwtje geleid. Sporen De uitwerpselen van een fazant vormt een dikvloeibare of soms steviger gedraaide geheel. Ze zijn donkergroen van kleur met de witte urinekapje. In verse toestand zijn de uitwerpselen twee maal zo groot als in de gedroogde vorm, waarbij ze grijszwart gekleurd zijn. De grootte van de uitwerpselen variëren en in verse vorm zijn ze 5 tot 20 mm dik en 2 tot 5 cm lang. Ze zijn vooral te vinden in bosrijke gebieden (bij slaapbomen) of in agrarisch gebied. De loopsporen bestaan uit drie gespreide en naar voren gerichte tenen met duidelijke, stompe nagelafdrukken, waarbij de segmenten van de teen goed te zien zijn. De middenvoet is niet altijd goed waar te nemen. De grootte is 5 tot 6 cm en met de achterteen tot 7 cm. Naar boven
Fazant
Patrijs
Een patrijs komt in vrijwel geheel Europa. Een volwassen patrijs is ongeveer 30 cm groot en weegt rond de 400 gram. Ze zijn schitterend getekend en gekleurd. Hun poten zijn grijs, de kop en de keel zijnkastanjebruin. De hanen en hennen zijn onderling te herkennen aan kleine verschillen in het verenkleed. Mannetjes hebben een kastanjebruine buikvlek in de vorm van een hoefijzer. De vrouwtjes hebben een kleinere vlek en de jongen hebben geen vlek. Voor de rest is er weinig verschil tussen mannetjes en vrouwtje. Deze vogels geven de voorkeur aan open velden en akkerland met heggen of ander struikgewas met droge plekken voor een zandbad. Akkerland is het meest in trek, vooral als dit wordt afgewisseld met ruige dijken, slootranden, wegbermen en houtwallen. Hoewel het grondvogels zijn kunnen patrijzen ook goed vliegen. Meestal doen zij dat als ze ergens van schrikken. Zij vliegen pijlsnel omhoog om korte tijd later weer snel neer te strijken en beschutting te zoeken in de vegetatie op de grond. Patrijzen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel, maar de jongen leven de eerste wekenalleen van insecten en ander klein gedierte. Patrijzen zijn monogame dieren,een haan en een hen vormen een koppel. Meer hennen worden niet geaccepteerd.Het broedseizoen is van april tot juli. Ze nestelen zich in een ondiepe kuilop de grond in dicht struikgewas en bekleden het nest met dorre halmen en bladeren. Het vrouwtje broedt in 25 dagen 10 tot 20 eieren uit. De jongen zijn na 5 weken zelfstandig, maar blijven de eerste winter bij de ouders. Sporen De uitwerpselen van een patrijs vormt een dikvloeibare of soms steviger gedraaide geheel. Ze zijn donkergroen van kleur met de witte urinekapje. In verse toestand zijn de uitwerpselen twee maal zo groot als in de gedroogde vorm, waarbij ze grijszwart gekleurd zijn. De uitwerpselen zijn 2 tot 10 mm dik en 1 tot 3 cm lang en zijn in grote hoeveelheden te vindenbij bouwland, weilanden met veel struikgewas. De loopsporen bestaan uit drie gespreide en naar voren gerichte tenen met duidelijke, stompe nagelafdrukken, waarbij de teenseg- menten goed te zien zijn. De middenvoet is niet altijd goed waar te nemen. De grootte is 3,5 tot 4,5 cm en met de achterteen tot 5 cm. Naar boven
Patrijs
Kwartel
De kwartel (Coturnix coturnix) is kleine schuwe en gedrongen vogel met een korte staart en relatief grote vleugels. Hij heeft een lengte van ongeveer 17 cm en weegt 100 tot 150 gr. Hij is aardekleurig en bruingestreept met een witte oog- streep. Op de rug vormen langere lengtestrepen twee duidelijke banden. De kop en keel is van het mannetje (haan) donkerder dan van het vrouwtje (hen) en hij is iets groter. Buiten de trek vliegt de kwartel weinig en stuntelig. Wanneer hij tussen de begroei- ing betrapt wordt, zal hij zich voor dood tegen de grond drukken, weglopen al of niet zonder eerst te zijn opgesprongen en pas in uitzonderlijke gevallen wegvliegen. Hij verbergt zich bij voorkeur in tussen bouwlanden, onkruidvelden of weilanden. De kwartel is de enigstetrekvogel onder de hoenderen.De kwartel trekt van april tot mei en van eind augustus tot oktober. Tijdens de trek op geringe hoogte wordt tot 100 km aan een stuk gevlogen. De kwartel leeft zeer verborgen en is eerder te horen dan te zien.De mannetjes produceren een karakteristiek en krachtig roep ( kwik-me-dti) om hun territorium af te bakenen. De vrouwtjes roepen een lager priet, priet. De vogel voedt zich met al wat op de grond te vinden valt: insecten, groenvoer en zaden. De kwartelbroedt in het grootste deel van Europa. Het vrouwtje maakt een ondiep nestkuiltje en bekleed dit met wat droog strooisel. In de tweede helft van mei tot juni legt het vrouwtje 7 tot 14 eitjes. De hen broedt 17 tot 20 dagen en voert de jongen alleen. De jongen kunnen na ongeveer 20 dagen vliegen en zijn na 4 tot 7 weken zelfstandig. De loopsporen van een kwartel bestaan uit drie gespreide en naar voren gerichte tenen met duidelijke, stompe nagelafdrukken, waarbij de teensegmenten goed te zien zijn. De middenvoet is niet altijd goed waar te nemen. De grootte is 2,5 tot 3 cm en met de achterteen 4 cm. Naar boven
Kwartel
Gans
Ganzen zijn grote, zwaargebouwde watervogels zijn gespecialiseerd in het grazen en leven veel op het land. Daarvoor hebben ze sterke, vrij lange poten, die midden onder het lichaam geplaatst zijn. Hierdoor kunnen ze goed lopen. In Europa leven de Grijze en de Zwart-witte ganzen.Het woord gans wordt ook gebruikt voor een vrouwelijk gans. Het mannetje noemt men gent. Ze hebben een middellange hals en een krachtige kegelvormige snavel. Aan de bovensnavel zit een zaagrand. Volwassen vogels ruien alle slagpennen tegelijkertijd en kunnen daardoor ongeveer 1 maand niet vliegen. De rui valt meestal samen met de periode waarin de jongen zich in het nest bevinden. Anders dan bij eenden hebben bij ganzen de mannetjes en vrouwtjes eenzelfde verenkleed. Ganzen kunnen tot 30 jaar oud worden, maar ze zijn pas vruchtbaar vanaf hun 3de levensjaar. Het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje is merkbaar opdat het vrouwtje een grotere hangbuik heeft dan een mannetje. Leefwijze en voedsel Ganzen blijven hun hele leven bij elkaar. Ze bouwen een nest op de grond. De vrouwtjes bekleden het met dons dat ze uit hun eigen borst plukken. Het vrouwtjebroedt in 27 tot 29 dagen 4 tot 9 eieren uit. Na het uitkomen verlaten de jongen al spoedig het nest, maar de ouders houden ze nog wel warm en bewaken ze. Na 50 tot 60 dagen zijn ze zelfstandig, maar blijven nog lang in familieverband samen.Ganzen zijn zeer waaks en bij naderend gevaar gaan ze luid gakken. Ganzen trekken in familieverband of grote troepen. Ze vliegen in V-vormige formaties of golvende linies. Door in V-formatie te vliegen hebben de vogels een grotere vliegcapaciteit. De ganzen die volgen maken gebruik van de lift die volgt uit de vleugel- slag van de voorganger. Tijdens het vliegen ‘praten’ de ganzen met elkaar. De achterste ganzen moedigen de voorste aan om op snelheid te blijven. Ook tijdens het verblijf in een overwinteringgebied leven ze in groepen. Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal. Als een gans ziek wordt of gewond raakt en daardoor niet meer in staat is mee te vliegen dan zullen twee ganzen bij de zieke gans blijven totdat deze hersteld is of overleden. Samen zullen de ganzen trachten hun groep in te halen. Sporen Ganzen hebben langgerekte, worstvormige uitwerpselen met een doorsnede van 10 tot 12 mm en een lengte van 5 tot 8 cm. De uitwerpselen zijn vaak vrij stevig en meestal donkergroen van kleur.Sommige uitwerpselen hebben een wit urinekapje, ander een dunne filmpje. Vanganzen liggen ervaak meerdere uitwerpselen bij elkaar op oevers of graslanden waar ze hebben gegeten. Naar boven
Gans
Eend
Eenden zijn watervogels en hebben dus zwemvliezen en waterafstotende veren.Eenden gaan één keer per jaar in de rui. Eenden ruien hun slag- en staartpennen tegelijkertijd. Ze kunnen daardoor ongeveer 1 maand niet vliegen. Deze rui vindt plaats meteen na het broedseizoen. Bij de meeste soorten hebben de mannetjes een kleurig broedkleed, maarde vrouwtjeshebben schutkleuren. Alleen tijdens die korte ruiperiode hebben de mannetjes ook een camouflerend verenkleed.Tussen de donsveren wordt lucht vastgehouden om het drijfvermogen te verhogen. Het brede lichaam blijft bij wind en golfslag gemakkelijk in balans. Boven hun staart hebben ze een vetklier. Daarmee smeren ze dagelijks met hun snavel de veren in en zo blijft het verenpak waterdicht. Als eenden grondelen dan zuigen zij met hun vlezige, gevoelige tong water op door de snavelspits en slaan dit met gesloten snavel via de randen weer naar buiten. Hierdoor ontstaat het bekende snaterende/slobberende geluid. Veel eenden verlaten tegen de avond het water en vliegen dikwijls voor hun maaltijd naar het land. Tegen de ochtend keren ze huiswaarts en gaan dan slapen. 's Middags nemen ze uitgebreid een bad en wordt er druk gepoetst. Het voedsel is voornamelijk plantaardig, zoals gras, waterplanten, zaden, bessen en eikels. Daarnaast eten ze ook ander voedsel, zoals insecten, larven, wormen, jonge kikkers, padden en visjes. Voedselvluchten vinden plaats over 10 km en meer. Sommige soorten eenden, hoofdzakelijk die in de gematigde en noordpoolgebieden, migreren; andere soorten doen dit niet en blijven het hele jaar in hetzelfde gebied. Sporen Bij de loopsporen van eenden zijn de nagels puntig en worden deze ook afgedrukt in de prenten. Ook is er in een prent de afdruk te zien van de achterteen, die in vergelijking met de andere tenen zeer gering van formaat zijn. Bij zwemeenden laat hij een druppelvormige afdruk achter, bij duik- eenden een spitse. Bij de wilde eend en bergeend is de voetlengte 5 tot 6,5 cm en is de paslengte ongeveer 15 cm. Eenden hebben langgerekte, worstvormige uitwerpselen met een doorsnede van 6 tot 10 mm en een lengte van 2,5 tot 3,5 cm. De uitwerpselen zijn vaak vrij stevig en meestal donkergroen van kleur. Sommige uitwerpselen hebben een wit urinekapje, ander een dunne filmpje. Van eenden liggen er vaak meerdere uitwerpselen bij elkaar op oevers of graslanden waar ze hebben gegeten. De meeste eendensoorten hun nest op de grond. De nesten liggen vaak verborgen o.a in de oevervegetatie of onder struiken. Vaak liggen ze in de buurt van water. De wilde eend maakt haar nest niet alleen op de grond, maar ook op hogere plekken, zoals in een knotwilgen. Wilde eenden hebben oranje poten, een brede platte snavel en paarsblauwe spiegel. Ze zijn ongeveer 60 cm lang en wegen 1,25 kg. Het mannetje, de woerd, heeft een glanzend groene kop, een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren aan de staart.Het vrouwtje heeft een onopvallend bruine kleur en een oranje-bruine snavel. Tijdens de najaarsrui onderscheidt de woerd zich door zijn gele snavel van het vrouwtje. Alleen vrouwtjes kunnen kwaken. Mannetjes fluiten of maken wat zachte geluiden. Wilde eenden duiken niet gauw en meestal niet dieper dan een meter. Daarna worden de vleugels zorgvuldig druppelvrij gemaakt. Dankzij hun lange en spitse vleugels kunnen ze vrijwel loodrecht uit het water opstijgen. Ze kunnen niet zweven, maar behoren wel tot de snelste vliegers van het vogelrijk. In het najaar trekken ze soms een stuk naar het zuiden. Voortplanting De paartijd is in de herfst en de broedtijd in het voorjaar. Het vrouwtje zorgt voor de inrichting van het nest en legt 10 tot 12 lichtgroene eieren. Deze eieren worden uitsluitend door het vrouwtje bebroed, omdat zij goede schutkleuren heeft. Het vrouwtje broedt 3 tot 4 weken. Eerst blijft de woerd nog in de buurt van het nest. Vaak begeleidt hij zijn vrouwtje als ze het nest even verlaat voor haar ontbijt en avondmaal. Na een week houdt het mannetje het voor gezien en verlaat voorgoed zijn vrouwtje. De jongen zijn nestvlieders. Ze verlaten het nest spoedig na het uitkomen. Na 9 tot 12 maanden zijn de kuikens volwassen. Regelmatig komt het voor dat een vrouwtje meerder legsels heeft. Leefgebied Een wilde eend leeft in en bij meren, rivieren, moerassen, sloten en plassen. Voedsel Wilde eenden eten in de wintermaanden voornamelijk gras. In het voorjaar eten ze dan onder andere slakken en waterinsecten. 's Zomers en in de herfst gaan ze weer over op een vegetarisch dieet dat vooral bestaat uit zaden van grassen en granen.Eendenkuikens eten allerlei kleine diertjes, zoals muggen en waterslakjes. Wilde eenden zoeken vooral 's nachts naar voedsel. Naar boven
Eend
Zwaan
Zwanen zijn de grootste watervogels. Zwanen zijn elegante vogels met een lange hals. Ze zijn zwaargebouwd en stijgen moeizaam op van het water. Daarbij trappelen ze en slaan ze krachtig met de vleugels. Ze hebben een onhandige, waggelende gang. Bij zwanen is er geen verschil in verenkleed tussen het mannetje en vrouwtje. 's Winters leven ze in troepen. Een zwaan leeft in het wild ongeveer 20 jaar. Om op te kunnen stijgen heeft de zwaan de vlakste en gladste startbaan nodig die er in de hele natuur te vinden is: het gladde oppervlak van een waterplas. En zelfs dan vergt het opstijgen een explosie van activiteit. De zwaan rent met zijn korte poten zo snel als hij kan over het wateroppervlak, terwijl hij zeer snel met zijn vleugels slaat. Naarmate de vleugels meer lift krijgen, komt de vogel hoger uit het water. Hijrent dan nog steeds tot hij ten slotte alle contact met het water verliest. De vogel verstopt ze onder zijn staartveren en verheft zich ten slotte in de lucht. Een zwaan vliegt in één lijn, de lange halzen vooruitgestrekt en met krachtige vleugelslagen. Als ze eenmaal in de lucht zijn dan maken hun vleugels een duidelijk, laag zingend geluid. Een zwaan landt met naar voren gestrekte poten op een leeg wateroppervlak. Hij heeft dan zo’n grote snelheid dat het water opspat. En zodra het oppervlak kalm wordt, vouwt de zwaan zijn vleugels op, schudt zijn veren om ze op orde te. Daarbij leggen ze hun poten af en toe op hun rug. Zwanen blijven hun hele leven bij elkaar. Voedsel Het voedsel bestaat meestal uit waterplanten, die gezocht worden in ondiep water. Hierbij komt hun lange hals goed van pas. Ze grazen ook op weiden. Ze duiken nooit zo ver dat ze volledig onder water zijn. Ze hebben een brede snavel om de waterplanten gemakkelijk af te kunnen trekken. Voortplanting Het nest bevindt zich op de grond of op een berg plantaardig materiaal in of op de oever van water. Het vrouwtje broedt gemiddeld zes bleke, effen eieren uit. Ondertussen houdt het mannetje de wacht. Bij het verdedigen van hun broedsel kunnen mannetjes behoorlijk agressief zijn. Bij sommige soorten helpt het mannetje ook met het uitbroeden van de eieren. De nestjongen hebben nog een grijze of bruine donsvacht en een relatief korte hals. Het zijnnestvlieders en kunnen al een paar uur na het uitkomen lopen en zwemmen. Gedurende enkele maanden worden de jongen door beide ouders warm gehouden en bewaakt. Voedsel zoeken doen ze zelf. Sporen Bij zwanen zijn de tenen dik en zwaar. De nagels zijn stomp. De voetafdrukken staan enigszins naar binnen gericht. De voetlengte van zwanen verschillen onderling. Bij knobbelzwanen is dit 13 tot 16 cm, bij de wilde zwaan 13 tot 17 cm en bij de kleine zwaan is het 10 tot 14 cm. De paslengte is 30 tot 40 cm. Zwanen vormen grote hoog liggende nesten aan het water met een doorsnede van 1 m. Ganzen hebben langgerekte, worstvormige uitwerpselen met een doorsnede tot 15mm en een lengte van 8 tot 15cm. Eén uiteinde isvaak een lusvormig. De uitwerpselen zijn vaak vrij stevig en meestal donkergroen van kleur.Sommige uitwerpselen hebben een wit urinekapje, ander een dunne filmpje. Vanganzen liggen ervaak meerdere uitwerpselen bij elkaar op oevers of graslanden waar ze hebben gegeten. Naar boven
Zwaan
Houtduif
De houtduifleeft in bosachtige streken nabij open gebieden en akkers met gewassen die de duif graag eet. De lengte is 40 - 45 cm. Het gewicht ligt tussen 275 tot 700 gram. De basiskleur is blauwgrijs en de borst is paarsroze.De zijkantenvan de nek zijn groen-purpermet daarin eenwitte opvallendehalsvlek. De snavel is geel met een roze basis onder de witte washuid. De ogen zijn geel en de poten paarsroze. Ze hebben een zwarte staartrand, en aan de onderkant van de staart zie je een witte band.De witte vleugelstreep scheidt de donkere bovenvleugel.Jonge houtduiven zijn te herkennen aan het ontbreken van de witte halsvlekken en aan de groene purperen veren aan zijkant van de nek. Het koeren van de houtduif bestaat uit een vijfdelig 'roe-koe-koe , koe-koe'. Waarbij telkens de tweede 'koe' iets langgerekt is. Tijdens de hofmakerij en de baltsvlucht zin luide vleugelklappen te horen. Duiven koeren altijd bij de balts en dat gaat gepaard met pronkende bewegingen. De houtduif vliegt in een snelle, krachtige en rechtlijnige vlucht met krachtige vleugelslagen. Ook kunnen ze snel draaien, klapperen met de vleugels en slip- en duikbewegingen maken. Ze klapperen hard met hun vleugelsbij het verlaten van het territorium en tijdenshet landen en opstijgen. Bij het vliegen maken de vleugels een fluitend geluid, behalve bij jonge dieren. Na het landen gaat de staart eerst omhoog en dan omlaag. Dit duidt er op dat de vogel van plan is voorlopig op die plaats te blijven.Houtduiven zijn ze op hun foerageerplaats tamelijk agressief. Ze kunnen met hun vleugels rake klappen uitdelen aan soort- genoten, maarnaar eksters. De duif eet plantaardig materiaal, zoals groene bladeren, zaden, bessen en knoppen.Het voedsel zoeken gebeurt vaak in groepen, volgens een bepaalde rangorde. In de krop wordt het voedsel voorverteerd. Het meeste voedsel wordt in de late middag opgenomen. In het broedseizoen zoeken de mannetjes, de doffers, meestal in de vroege morgen en de duivinnen meestal in de latere avond. Het foerageren vindt tot op 15-20 km van het nest plaats. Een duif eet ook wel eens grind, omdat dit helpt bij het vermalenvan het voedselzijn spiermaag. Het broedseizoen van de houtduif loopt van maart tot oktober. Er word solitair of in kleine kolonies gebroed waarbij de vogels weinig kieskeurig zijn in de nestkeuze.Ze broeden het liefst in bossen en parken, in alle soorten bomen. Vooral naaldbomen, omdat die in het vroege voorjaar meer dekking geven. Ze bouwen slordige nesten van takken en twijgjes. De duivin bouwt het nest, terwijl het mannetje het materiaal aandraagt. Door de losse opbouw van het nest kan er wel eens een ei op de grond vallen. Houtduiven leggen twee eieren. Ze broeden allebei; de duivin 's nachts en de doffer overdag. De jongen komenongeveer na 2 à 3 weken te hebbengebroed, waarnazowel het mannetje als het vrouwtje de jongen voert. De jongen worden gevoed met duivenmelk, een kaasachtige stof uit de krop dat rijk aan vet en eiwitten is. Bij het voederen steekt het jong de snavel in de snavelhoek van de ouder. Deze perst de kropinhoud direct in de snavel van het jong. Langzaam wordt het duivenmelk door vast voedsel vervangen. Veel eieren en jongen gaan verloren doordat ze worden opgegeten door Vlaamse gaaien, eksters, roeken, hermelijnen, kraaien en ratten. Maar de belangrijkste doodsoorzaak van jongen is voedsel- tekort. Volwassen duiven worden gegrepen door de havik. Sporen De uitwerpselen van houtduiven zijn dun en zeer lang en komen opgerold op de grond terecht. Ze hebben een doorsnede van 5 mm en kunnen 15 cm lang worden. De structuur is fijn en regelmatig. De kleur is grijsgroen met een witte urinekapje, maar bij het indrogen wordt het zwartbruin of grijs. De uitwerpselen zijn te vinden onder bomen in bebouwd gebied, bij houtwallen en in bossen. Daarnaast ook in agrarisch gebied. Net zoals de meeste boombewonende vogels hebben houtduiven een zitvoet. Dit is bij de loopsporen te herkennen aan de lange soepel achterteen met een puntige nagel. De achterteen is ongeveer even lang als de middenteen. De grootte van de loopsporen is bij de houtduif 3 tot 4 cm en met de achterteen tot 6 cm. De paslengte is 7 tot 8 cm. Naar boven
Houtduif
Turkse tortel
DeTurkse tortel is door het licht- grijsbruine verenkleed met de zwarte streep in de nek een goed herkenbare vogel. Hij is ongeveer 29-32 cm lang. In de vlucht is de vogel te herkennen aan de relatief lange staart met de brede zwarte eindband en van onderen voor de helft wit, maar ook door aan het geruis van de vleugelslagen. In de baltsvlucht worden enkele snelle vleugelslagen gevolgd door een korte glijpauze. Met een eindeloos herhaald 'koe-koe-koe' wordt het territorium afgebakend.De Turkse tortel leeft in groepen en overnacht, vooral buiten de broedtijd, op gemeenschappelijke slaapplaatsen. De Turkse torteleet voornamelijk zaden en af en toe bladeren en vruchten.Vooral de paarse bessen van de vlier lusten ze graag. Verder eten ze zo nu en dan ook rupsen, slakken en andere kleine dieren. De Turkse tortel bouwt een eenvoudig, maar slordige nest bestaande uit losse takjes die in elkaar gestoken worden. Het vrouwtje bouwt het nest in dichtgebladerde bomen of coniferen, een enkele keer op een gebouw, terwijl het mannetje het materiaal verzamelt. Beide ouders broeden in 14 tot 18 dagen twee eieren uit. Het vrouwtje voornamelijk ’s nachts. Het broedsel mislukt regelmatig, maar door steeds weer opnieuw een nest te maken lukt het de meeste Turkse tortels eens per jaar jongen vliegvlug te krijgen. Ze hebben daarom drie tot zes legsels per jaar. De ouders zijn erg beschermend en verjagen zelfs eksters en Vlaamse gaaien bij het nest weg. De jongen worden gevoerd met duivenmelk, een kaasachtige stof uit de krop die rijk aan vet en eiwitten is. Bij het voederen steekt het jong de snavel in de snavelhoek van de ouder. Deze perst de kropinhoud direct in de snavel van het jong. In verband hiermee blijft de omgeving van de snavel van de jongen langer kaal dan de rest van het lichaam. Langzamer- hand wordt de duivenmelk door vast voedsel vervangen. Na 18 tot 21 dagen verlaten de jongen het nest. De Turkse tortel broedt soms ook in de winter en kan dus in alle maanden van het jaar broedend worden aangetroffen. De Turkse tortel woont graag in steden en dorpen, rondom boerderijen waar hij volop voedsel kan vinden. Net zoals de meeste boombewonende vogels hebben Turkse tortels een zitvoet. Dit is bij de loopsporen te herkennen aan de lange soepel achterteen met een puntige nagel.De achterteen is ongeveer even lang als de middenteen. Bij de zomertortel en Turkse tortel is dit 2,5 tot 3 cm en met de achterteen tot 4,5 cm. De teenafdrukken zijn slank. Naar boven
Turkse tortel
Tortelduif
De tortelduif of zomertortelwordt 25 tot 30 cm groot en is daarmee iets kleiner dan andere duivensoorten. De vogel is te herkennen aan het schub- patroon op de rug en door de zwart met lichtblauwe tekening op de nek. De schubpatroon wordt veroorzaakt doordat de veren een brede roodbruine rand hebben. De staart is zwart met een witte eindband en rondom het oog bevindt zich een rode cirkel. Beide geslachten zijn gelijk. Zomertortels zijn meestal erg onopvallend en opvallend schuw, maar verraad vaak zijn aanwezigheid door zijn roep. De zomerduif broedt in grote delen van Europa, maar overwintert in Afrika. Hij verblijft hier vanaf eind-april tot begin-oktober en de trek begint al vanaf augustus. Zomertortels trekken doorgaans 's nachts. Hij komt op gebieden met zandgrond wat algemener voor dan in kleigebieden. Deze soort broedt in bosranden, landschappen met verspreid staande bomen en in bosjes, heggen en houtwallen. De zomer- tortel gebruikt voor het nest nog dunnere takken dan de houtduif , waardoor de nestconstructie er nog zwakker uitziet. Zomer- duiven leggen pas in mei of juni twee witte eieren en vaak een tweede legsel in juli of augustus. De zomertortel is een zaadeter, die zich graag te goed doet aan de zaaddozen van allerlei onkruiden, met name op akkers.Sporen Net zoals de meeste boombewonende vogels hebben zomertortels een zitvoet. Dit is bij de loopsporen te herkennen aan de lange soepel achterteen met een puntige nagel. De achterteen is ongeveer even lang als de middenteen. Bij de zomertortel is de grootte 2,5 tot 3 cm en met de achterteen tot 4,5 cm. De teenafdrukken zijn slank. Naar boven
Tortelduif
Baars
De Baars (Perca Fluviatilis) is vooral herkenbaar aan zijn zes tot acht donkere strepen en de scherpe stekels aan zijn voorste rugvin. Hij zet de stekels op bij onraad en als hij zijn prooi aanvalt. Verder heeft de baars een zwarte vlek aan de achterkant van de voorste rugvin. De rug is groen- bruin en op de flanken overgaand in lichtbruin tot geel of goudkleurig. De kleur en grootte van de baars is afhankelijk van de vindplaats. De baars kan tot 50 cm lang en 3 kg zwaar worden. Leefgebied, leefwijze en voedsel De baars is een roofvis die veel voorkomt in helder water bij rietkragen en walkanten.Hij leeft verspreid in meren, plassen, moerasland, rivieren en brak water. Hij leeft in het algemeen in scholen van enkele tientallen dieren van ongeveer gelijke grootte en zoekt zijn prooi langs de oever of bij de bodem. Ze eten graag kleine visjes, wormen en waterdieren, zoals kreeftjes en larven. In de zomer komen vaak erg grote scholen met jonge baars voor die voor hun wat oudere soortgenoten een gewilde prooi vormen. Als de baars ouder wordt komt hij vaker alleen voor in dieper water. VoortplantingDe vissen paaien van maart tot juni in zeer ondiep water. De kuit wordt dicht bij de oever in lange geleiachtige strengen afgezet en vastgehecht aan waterplanten, stenen of andere voorwerpen. Vervolgens wordt de kuit door één of meerdere mannetjes bevrucht en daarna worden de eitjes aan hun lot overgelaten. Deze kuitstrengen kunnen vaak een lengte van 1 meter hebben en zijn ca. 2 cm breed.Ondanks dat er veel eitjes verloren gaan komen er na ca. 8 à 16 dagen enkele duizenden larven uit. De larven kunnen gelijk zwemmen en vormen grote scholen. Ze voeden zich in het begin met dierlijk plankton, maar al vrij snel voeden ze zich met andere diertjes.
Baars
Rietvoorn/ ruisvoorn
De ruisvoorn of rietvoorn genoemd, wordt zelden langer dan 40 cm en zwaarder dan 1 kg. Hij lijkt veel op de blankvoorn. De ruisvoorn heeft meestal een groene glans, de flanken zijn brons- tot zilverachtig en hij heeft een witte buik. De vinnen zijn meestal felrood gekleurd. Hij groeit vrij langzaam, ongeveer 5 cm per jaar. De ruisvoorn doet er ruim tien jaar over om echt groot te worden. Leefwijze. leefgebied en voedsel Rietvoorns leven in scholen en komt vooral in ondiepe en vaak plantenrijke veenplassen en polderwateren voor. De bovenstandige bek wijst erop dat de ruisvoorn geen echte bodemvis is, maar dat hij zowat overal kan aangetroffen kan worden.Soms zwemmen de scholen tegen de waterspiegel, dan weer op halve diepte en ook wel tegen de bodem. Naar de winter toe verzamelen de rietvoorns zich in grote scholen ergens in rustig, vrij diep water. Het is een uiterst schuwe vis De rietvoorn voedt zich hoofdzakelijk met muggenlarven, verschillende insectenlarven en waterdiertjes, maar ook wel plantendelen. Voortplanting Rietvoorns paaien in april tot juni tussen waterplanten wanneer de watertemperatuur meer dan 15°C bedraagt. Er zijn 3 legperioden per jaar. De eitjes worden op waterplanten afgezet en zijn kleurloos tot licht gelig. Ze komen na een week uit. De jongen zijn na 1 jaar ongeveer 6 cm. Bij een lengte van ongeveer 15 cm of als ze tussen de 2 à 3 jaar is de, is hij geslachtsrijp.
Rietvoorn/ ruisvoorn
Barbeel
De barbeel (Barbus Barbus) is een grote vis en kan een lengte bereiken van 90 cm en ongeveer 9 kilo zwaar wegen. Het is een bijna rolronde langgerekte vis met puntige kop, een onderstandige bek, twee grote baarddraden in de mondhoek en twee baard- draden aan de punt van de bovenkaak. De buik en de onderkant van de snuit zijn wat afgeplat. De staartvin is ingesneden en de rugvin is kort. De barbeel heeft een korte rugvin met een verdikte en gezaagde derde vinstraal. De kleur is goudbrons tot groenig en de buikvinnen, de aarsvin en de onderkant van de staarvin zijn wat rood gekleurd. Leefgebied en voedsel Barbelen komen voor in de nog snelstromende middenloop van rivieren. Hij komt ook veel voor in grotere beken. Grote barbelen hebben een voorkeur voor bodems van grof grind en kleinere barbelen komen meer voor op bodems met fijn zandig grind. De barbeel leeft van allerlei bodemdieren, maar wat grotere exemplaren eten ook vaak visjes. Voortplanting De barbelen trekken in de maanden mei tot juli naar de paaiplaatsen. Daar zetten eieren af op grindbanken die in de hoofdstroom liggen, vaak bij de monding van zijrivieren waar een rijke structuur wordt gecombineerd met een vrij grote stroomsnelheid. De eieren blijven goed kleven en zijn giftig en braakwekkend, zodat de barbeel niet veel last heeft van kuitrovers. De larven zoeken langzaam stromend tot bijna stilstaand water op met veel schuilgelegenheid. De barbeel groeit langzaam en wordt pas paairijp bij een leeftijd van vier tot vijf jaar en bij een lengte van 24 cm.
Barbeel
Alver
De alver (Alburnus alburnus) is een zijdelings afgeplat, zilverachtig vis met een groen/bruinachtige rug heeft een bovenstandige bek en een opvallend lange anaalvin. Op de zijlijn heeft hij 48 tot 55 schubben. Hij wordt 20 tot 25 cm lang. Leefgebied, leefwijze en voedsel De alver voedt zich voornamelijk met insecten die zich op het wateroppervlak bevinden en met plankton. De vis houdt zich voornamelijk in scholen op, waardoor het een geliefde prooi voor visetende vogels en vissen is. De vis heeft een voorkeur voor grotere wateren of rivieren. Voortplanting De paaitijd van de alver loopt van half april tot in juni. Daarvoor trekt de vis in scholen stroomopwaarts om in ondiep water te paaien, vaak met een harde ondergrond. Zij zetten eitjes af op stenen en waterplanten. Zij springen en schieten hierbij pijlsnel heen en weer. Alvers paaien meerdere malen per seizoen. Ze worden ongeveer 5 à 6 jaar oud en ze zijn op hun derde jaar geslachtrijp.
Alver
Kolblei
De kolblei heeft een lengte van hooguit 45 cm en dan met name in de grote rivieren. De kolblei, lijkt op brasem, maar is te herkennen aan de rode basis van de borstvinnen. Tevens is de kop van de kolblei stomper en zijn de ogen naar verhouding met de kop groot. Kruisingen tussen beide vissoorten komen echter vaak voor. Leefgebied, leefwijze en voedsel De kolblei zoekt net als de brasem zijn eten op de bodem, maar heeft een gevarieerder dieet. Het voedsel bestaat o.a. uit wormen, larven, slakjes en kreeftachtigen, maar ook waterplanten, en algen. Het voedsel wisselt echter per jaargetijde. Bijvoorbeeld in het voorjaar worden vooral muggenlarven gegeten en in de zomer en in de herfst wormen. Gedurende de winter wordt niet gegeten. De kolblei komt vooral voor in grote en kleine rivieren, meren en plassen. Hij is voor zowel zijn voedsel als voor het paaien afhankelijk van een goed ontwikkelde onderwater- en oevervegetatie. Voortplanting De paaitijd van de kolblei ligt tussen mei en juli. Er wordt dan vooral in ondiep water gepaaid bij een watertemperatuur van boven de 15 °C. De jonge vissen groeien snel en in de eerste twee jaar tot ca. 12 cm. Mannetjes bereiken geslachtsrijpheid in hun derde jaar, vrouwtjes in hun vierde.
Kolblei
Beekforel
De beekforel (Salmo trutta) heeft een maximale lengte van 100 cm. Beekforellen die naar zee trekken zijn bronsachtig van kleur en hebben rode en zwarte vlekken op het lichaam met een blauw/witte rand, maar deze vlekken bevinden zich echter niet op de staartvin. De buik van de beekforel is geelbruin van kleur. De beekforel heeft een vetvin. Naar zee trekkende forellen veranderen van bronskleurig in zilver- kleurig. Leefgebied, leefwijze en voedsel De beekforel komt voor in koele, zuurstofrijke en stromende wateren en meren met grindbodem. De beekforel voedt zich met name met watervlooien, larven van insecten en kleine kreeftachtigen. Ook heeft de vis een voorkeur voor insecten op het wateroppervlak en in het water gevallen wormen. Voortplanting De paaitijd van de beekforel ligt in de winter. Het paaien vindt meestal in de maanden november en december plaats, maar soms ook pas in januari. Het tijdstip van het paaien hangt grotendeels af van het weer, en dan met name van de temperatuur. In snelstromende beken worden de eitjes door de wijfjes in nest kuiltjes in niet al te grove kiezelbodem afgezet. Zodra het vrouwtje klaar is met het afzetten van de eitjes, laat het mannetje zijn hom (zaad)met de stroming mee over het kuit lopen en slaat daarna met zijn staartvin de paaigeul weer dicht. De eitjes worden daarna aan hun lot overgelaten. Na het paaien keren de ouders stroomafwaarts terug naar de diepere gedeelten van de rivier. Het vrouwtje legt dan zo'n 1500 eitjes met een grootte van 6 mm. De daarna uitgekomen 25 mm kleine forelletjes leven de eerste weken op hun dooier- zak.
Beekforel
Blankvoorn
Bij de blankvoorn (Rutilus rutilus) zijn de borst-, buik- en aarsvin vaak roodachtig gekleurd. Hij heeft eenvrij smalle, bijna horizontale mond en de schubben zijn groot. Ze komen voor in meren, plassen en rustige rivieren. Blankvoorn wordt zelden langer dan 35 cm en zwaarder dan 1 kg. Leefgebied, leefwijze en voedsel De eindstandige bek wijst erop dat de blankvoorn geen echte bodemvis is, maar dat hij zowat overal kan aangetroffen kan worden.Blankvoorns leven in scholen. De scholen zijn soms goed zichtbaar tegen het water- spiegel, maar zwemmen ook tegen de bodem of ergens tussen de bodem en de waterspiegel. Naar de winter toe verzamelen de blankvoorns zich in grote scholen ergens in rustig, vrij diep water. De blankvoorn blijft niet steeds op dezelfde plaats, maar is ook een trekvis. Tijdens hun zoektochten naar voedsel zijn de voorns niet al te selectief. De blankvoorn voedt zich hoofdzakelijk met muggenlarven, raderdiertjes, allerhande insectenlarve en waterdiertjes, maar ook wel met plantendelen. Voortplanting Tijdens de paaitijd in april en mei zet het vrouwtje haar eieren af op planten, wortels en stenen. Na 4 tot 10 dagen komen de eitjes uit. Na een paar dagen zwemmen de jonge vissen al rond op zoek naar voedsel.
Blankvoorn
Brasem
De brasem (Abramis brama) is een vrij grote vis met een maximale lengte van 90 cm. De rug is grijs tot bijna zwart en de flanken zijn zilverachtig gekleurd. De kleur hangt af van de helderheid en begroeiing van het water. Bij helder begroeid water krijgt de brasem een bronzen kleur, in rivieren en troebele plasjes is hij meer zilverachtig met een wat gelige gloed. Kenmerkend zijn echter de korte rugvin en de dubbel zo lange aarsvin. Leefgebied, leefwijze en voedsel De brasem is een echte bodemvis die er van houdt om in de modder te wroeten. Hij komt veel voor in de oevergebieden van langzaam stromende wateren en grotere, voedselrijke plassen en meren. De meeste en vooral grootste brasem zit in zacht tot snelstromende water en zelfs in troebel water De brasem is een scholenvis en zelfs de hele grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. De schuwe oudere vissen hebben een voorkeur voor de diepere gedeeltes van het water, maar ’s avonds en ’s nachts azen ze wel vaak in ondiep water en zijn goed waar te nemen door grote modderwolken of opstijgende bellen. De brasems graven gezamenlijk in de modder of het zand, waar ze met hun onderstandige, uitschuifbare bek waterdiertjes en ander voedsel van de bodem filteren. De modder en planten- delen worden dan weer uitgespuugd. Soms schakelen brasems over op watervlooien of andere diertjes in de middelste waterlagen. Voortplanting In de paaitijd kunnen mannetjes herkend worden aan de leguitslag, keiharde wratjes op de kop en kieuwdeksel. De brasems paaien in mei en juni. Als de weer verslechterd wordt de paai vaak weer onderbroken om ze later weer te hervatten. Ze paaien in de oevers, maar bij voorkeur wordt zeer ondiep water opgezocht. De mannetjes verdedigen kleine territoriums door andere mannetjes te verjagen. De kleverige, geelachtige eitjes worden bij de oever op plantenmateriaal afgezet. Ze komen 3 tot 12 dagen uit. Na enkele dagen vormen jonge brasems scholen in de oeverzone. Naar boven
Brasem
Karper
De lengte van de karper (Cyprinus carpio) is meestal tussen 30 en 70 cm, maar kan ook de maximale lengte bereiken van 1,2 m. De karper is herkenbaar aan zijn baarddraden (twee korte op de bovenlip, twee lange in de mondhoeken) en aan de lange rugvin met zeer sterke vinstralen. De rug en vinnen zijn bruinachtig groen en de flanken zilverachtig. De buik is witachtig. Bij de karperachtigen zijn geheel, gedeeltelijk of helemaal niet geschubd. Er bestaan namelijk verschillende vormen van de karper. De verschillen worden met name bepaald door het schubbenpatroon; de schub- en wilde karper zijn normaal geschubd, de spiegelkarper heeft enkele abnormaal gevormde grote schubben, de rijenkarper een rij van zulke schubben horizontaal over de flank, de lederkarper heeft slechts enkele schubben (daar waar geen schubben zitten voelt de huid "leerachtig" aan) en de volschub spiegelkarper heeft de schubben van een spiegelkarper en is daar- mee bijna volledig bedekt. Leefgebied, leefwijze en voedsel Wilde karpers leven in groepen, en voelen zich zowel in stilstaand als vrij sterk stromend water thuis. Overdag rusten ze meestal in diepere waterlagen; pas als de schemering invalt worden ze actief. De karper is net als de brasem een vis die de bodem om- woelt, genoemd. Vooral in de vroege ochtend direct na zonsopgang kan dit worden waargenomen. De vis staat dan vaak rechtop in het water en door het gewoel in de bodem stijgen kleine dan wel grotere belletjes naar de oppervlakte. Hij heeft een weke bodem nodig, zodat hij dit met zijn uitstulpbare bek kan doorwoelen bij het zoeken naar eten, voornamelijk planten en waterinsecten. De karper is geen roofvis. In tegenstelling tot de brasem aast karper ook in de ondiepe sterk begroeide gedeeltes van het water en dicht tegen de oever. Vooral de oevers waar de wind op staat, hebben zijn voorkeur. Voortplanting De paaitijd is van mei tot juli. Karpers planten zich voort in overstroomde uiterwaarden. Karpers trekken dan naar de rivieren toe en zetten de eieren in de uiterwaarden op het gras af. Ze hebben dan voorkeur voor de ondiepere gedeeltes (tot 40 cm). Een vrouwtje heeft soms wel 15 mannetjes om zich heen. Het afzetten van de eieren kan verscheidene dagen duren, maar komen al na 3-5 dagen uit. Jonge Karpers eten eerst plankton, maar als ze ca. 2 cm lang zijn gaan ze voedsel op de bodem zoeken. Naar boven
Karper
Kopvoorn
De kopvoorn (Leuciscus cephalus)kan een lengte bereiken van 60 cm, maar dit zit toch meestal tussen de 30 en 50 cm. Hij heeft een dikke kop en een brede bek. De schubben hebben een netpatroon en zijn groot en donker omrand. De rug is grijsbruin tot groenachtig. De flanken zijn zilver- en de buik witachtig. Zowel de buikvinnen als de aarsvin zijn roodachtig. Leefgebied, leefwijze en voedsel De kopvoorn is een vrij schuwe vis, en met name de grote exemplaren. Jongen vissen vormen vaak scholen, maar de volwassen exemplaren leven solidair.De kopvoorn leeft van kreeftjes, kikkers, kleine zoogdieren en vooral ander vissen. De jongere exemplaren eten vooral insecten larven, vliegende insecten, wormen, weekdieren en ook waterplanten. Deze vis komt voor in vrijwel alle stromende wateren en soms in meren. Hij is een met name een riviervis en heeft het liefst een bodem die bestaat uit zand en grind. Voortplanting De paaitijd is van april tot juni. De eieren worden aan planten en stenen bij de oever afgezet en komen na circa 7 dagen uit.
Kopvoorn
Snoek
De snoek (Esox lucius) heeft een zeer langwerpig, torpedo-achtig lichaam met vrij kleine vinnen en een snavel-achtige bek voorzien van veel scherpe tanden. De onderkaak is langer dan de bovenkaak en steekt uit. De rug en anaalvin zijn naar achteren geplaatst. De kleur van de snoek is variabel, van groenbruin tot grijsbruin met goudkleurige stippen, vlekken of strepen op de flanken, de buik is vlekkerig grijs en wit. Hoe ouder de vis wordt, hoe meer hij zijn goudgele patronen verliest. Oudere exemplaren zijn daarom vaak egaal en donkerder van kleur. De vrouwtjes kunnen een lengte van 1,40 mbereiken, terwijl de mannetjes niet groter worden dan ongeveer een meter. Leefgebied, leefwijze en voedsel Snoeken hebben een eigen territorium, dat ze tegen indringers (andere grote snoeken) verdedigen. Deze indringers worden eerst uitgebreid gewaarschuwd dat ze moeten wegwezen. De snoek spert zijn bek open en neemt een dreigende houding aan. Als de indringer dan nog niet weggaat, gaat de snoek over tot de aanval. De verliezer zal uiteindelijk het gebied moeten verlaten. Ze leven bij voorkeur in ondiepe oevergebieden waar veel planten groeien. Helder water is voor snoek belangrijk, omdat in helder water meer waterplanten groeien en waterplanten zijn belangrijk als schuilgelegenheid voor jonge snoek. De snoek maakt slechts deels gebruik van zijn ogen om prooien te vangen, maar vertrouwt hierbij vooral op zijn zogenaamde zijlijnorgaan. Dit orgaan kan de trillingen die een prooi maakt waarnemen. Bij een snoek zijn ook gaatjes in de kop die deel uitmaken van het zijlijnsysteem. In helder plantenrijk water zwemt over het algemeen minder vis (wel meer soorten) dan in diep, open en troebel water. In wateren waar nauwelijks waterplanten voorkomen zijn dan ook weinig, maar vaak wel grotere snoeken. Grotere snoeken trekken weg naar open water met meer geschikte prooien. Snoeken jagen voornamelijk op vissen, en vooral op zieke en verzwakte exemplaren die makkelijker zijn te vangen, maar hij eet ook amfibieën, kreeftachtigen, en ratten. Zelfs jonge watervogels worden van onderen belaagd. Snoeken kunnen prooien eten die driemaal hun eigen lichaamslengte zijn. De snoek is goed in staat heel langzaam te sluipen en zijn positie in het water aan te passen, waarbij de rugvin en de borstvinnen kleine bewegingen maken. Voordat hij de aanval inzet kromt hij zijn lichaam en gebruikt hij het oppervlak van staart-, rug- en anaalvin om zichzelf af te zetten. Zodra de prooi is gegrepen wordt deze zo gemanoeuvreerd dat de kop altijd als eerste naar binnen gaat. De reden hiervoor is dat als de snoek een behaarde, gevederde of gestekelde prooi eet en andersom doorslikt dan kan de prooi vast komen te zitten. Dit wordt dan veroorzaakt door de tegengestelde veer- of haargroeirichting of door de stekels. Voortplanting In mei is de paaitijd en worden eitjes gelegd die na 10-15 dagen uitkomen. De snoek paait vroeg in het voorjaar en soms al in februari. De mannetjes arriveren het eerst op de paaiplaats. Dezelfde snoeken zoeken altijd weer dezelfde paaiplaats op. De paai duurt enkele weken en de eieren worden in enkele perioden afgezet. Waterplanten zijn belangrijk voor de eieren van de snoek en voor de jonge snoek. De lichtgroene eieren worden onbeschermd in ondiepe wateren tegen waterplanten geplakt. Wanneer eitjes niet aan planten hechten en naar de bodem zakken, beschimmelen ze en sterven ze af. Als een jong snoek uit het ei komt, moet het zich kunnen vasthechten aan plantendelen om te voorkomen dat het naar de bodem zakt en daar stikt. Na een aantal weken gaan de jonge snoekjes, zo'n 4 cm groot, vis eten. De jonge snoeken groeien zeer snel en worden in het eerste seizoen al zo'n tien tot dertig centimeter lang. Waterplanten zijn ook belangrijk voor de jonge snoek als schuil- plaats, van waaruit prooien kunnen worden bejaagd en tevens bescherming biedt tegen (grotere) soortgenoten. Naar boven
Snoek
Snoekbaars
De snoekbaars (Sander lucioperca) kan 120 cm lang worden. De snoekbaars is langgerekt en rond van vorm en heeft een puntige kop. De kleur van de snoekbaars is afhankelijk van de bodem. De kleur kan zilvergrijs tot goudbruin zijn en hij heeft vage donkere dwarsstrepen, die bij oudere exemplaren vervagen. Hij heeft twee rugvinnen, waarvan de voorste harde stekelige stralen heeft. Ook de rand van de kieuwdeksel is voorzien van een scherpe punt. De ogen zijn groot en glazig. De mannetjes kunnen worden onderscheiden aan hun donkere buik. . Leefgebied, leefwijze en voedsel De snoekbaars is een vis van het open water en leeft voornamelijk in niet te koud, troebel water. De bodem moet stevig zijn en bestaat dan uit zand, grind of mergel. Snoekbaars heeft een hekel aan teveel licht en zal overdag diepe of schaduwrijke plekken opzoeken. In de winter trekt de snoekbaars zich als dat mogelijk is naar zeer diep water. Veel snoekbaarzen leven dan op dieptes tussen de tien en twintig meter. De jonge snoekbaars eet kleine beestjes zoals watervlooien. Naarmate hij groter wordt gaat deze in een school opererende vis over op grotere prooien, met name langwerpige vissen. De snoekbaars jaagt voornamelijk in de avond, omdat hij dan met zijn troebele, katachtige ogen een voordeel heeft. Hij gebruikt weliswaar zijn ogen goed, maar maakt het meest gebruik van zijn zij- lijnorgaan, waardoor hij zich zelfs nog kan coördineren als hij niets ziet. Hij voelt dan de trillingen van de prooi die door bewegingen van het water worden veroorzaakt. Voortplanting De snoekbaarspaait bij temperaturen van 12 tot 15 °C van april tot mei. De mannetjes maken in ondiep water een kuil die wortels van waterplanten blootlegt. De daar gelegde eieren worden door het mannetje bewaakt en door vinbewegingen van vers zuurstofrijk water voorzien. Naar boven
Snoekbaars
Zalm
De vlagzalm (Thymallus thymallus) kan tot 6 jaar oud worden en 50 cm lang. De vlagzalm heeft een opvallende grote (hoge en lange) rugvin. De flanken zijn zilvergrijs met een lichte paarlemoerglans, een lichtrode en/of -gele glans. Bij oudere exemplaren kan een goudbruine glans gaan overheersen. Op de flanken bevinden zich op de voorste helft van het lichaam onregelmatig verspreide, niet erg talrijke, kleine, zwarte stippen. De staartvin is duidelijk gevorkt. De met puntige tandjes bezette bek is klein en de bovenkaak steekt net iets over. De borst- en buikvinnen zijn geelachtig- of roodachtig grijs. De staartvin is donker violet. ogen zijn peervormig uitgerekt en vaak kleurloos. Leefgebied, leefwijze en voedsel Grote exemplaren worden territoriaal in hun gedrag. Hij verblijft, minstens tot een bepaalde leeftijd, in groepen zonder echte scholen te vormen. De vlagzalm is een echte zoetwatervis die in stromend water voorkomt. De vlagzalm heeft een relatief groot levensgebied nodig om goed te kunnen gedijen en wordt zelden in kleine beken aangetroffen. Zijn zuurstofbehoefte is erg groot en komt ongeveer overeen met die van forellen. Vlagzalmen nemen inwaaivoedsel tot zich en hebben dit zelfs tot in de late herfst en vroege winter als voedsel. Ook eet hij wormen, haften, steenvliegen of kokerjuffers. Hij accepteert ze in alle stadia van groei en als er veel van zijn zoekt hij ze op de bodem of op verschillende diepten. Hij zoekt ook aan de oppervlakte naar drijvende insecten. Voortplanting Tijdens de paaitrek komen de vlagzalmen in grote groepen voor. Ze paaien in het voorjaar in de maanden maart en april. De eitjes worden op dezelfde manier afgezet als bij forellen (zie beekforel) en nadat ze door het mannetje bevrucht zijn, worden ze aan hun lot overgelaten. De vlagzalm behoort niet tot de snelgroeiende vissen, maar indien er een ruime voedselaanbod is kan hij aan het einde van de eerste zomer reeds 12 cm lang zijn en aan het einde van de tweede zomer 21 cm. Naar boven
Zalm
Paling
De paling (Anguilla anguilla) of aal heeft een lang slangachtig lichaam met zeer slijmerige huid met een lichtkleurige buik en een bronskleurige rug die bovenop zwart is. De paling heeft kleine borstvinnen, de buikvinnen ontbreken, de bovenkaak is iets korter dan de onderkaak en de schubben zijn zeer klein en zitten verborgen in de huid. De kieuwopeningen zijn zeer klein, daardoor blijven de kieuwen nog lang vochtig als de vis zich op het land bevindt. Hij kan een maximale lengte bereiken van 135 cm. Leefgebied, leefwijze en voedselDe aal is één van de weinige vissoorten die zich over land kan verplaatsen. In vochtig gras kan de aal van het ene naar het andere water kruipen. Hierbij bestaat echter een goede kans dat hij door bijvoorbeeld een vos of een reiger wordt opgegeten. De paling trekt na ongeveer 5 jaar zich terug naar zee om zicht voort te planten. De paling veranderd dan ook van kleur. de vis krijgt een zilverwitte buik, een zwarte rug en het oog wordt groter. De paling komt voornamelijk voor in gebieden die een vrije toegang naar de zee hebben. De paling voedt zich voornamelijk met kleine ongewervelden, maar ook vis.
Paling
Klei- en leemgrond zijn de makkelijkste grondsoorten om prenten te vinden. Ook vochtig en/of humusrijke grond, vochtige zandpaden en duinen, zandbanken en oevers van beken, rivieren en plassen bieden eveneens ideale plaatsen. Veel dieren komen daar drinken of jagen er op andere diersoorten. Grond bedekt met bladeren voorkomt dat er duidelijke prenten op de onderliggende grondlaag komen. Door bladeren op te tillen kunnen prenten in de onderlaag bekeken worden. Doordat dieren, en dan met name grote grazers, bij het voortbewegen met hun voeten een bepaalde druk op de ondergrond uitoefenen worden bladeren in en/of naar achter geduwd. Weggeduwde bladeren vormen kleine hoopjes, zijn donker en vochtiger dan de rest van de omliggende, vaak drogere bladerlaag. Dieren met (graaf-)klauwen laten krasjes achter op de bladeren. Bij moeilijk terrein is het belangrijk om zo dicht mogelijk op de sporente zitten. Dit speelt met name bij een ondergrond die bestaat uit spar- of dennennaalden. Hoefdieren, zoals edelherten, breken de naalden wanneer ze erop gaan staan, maar bij lichtere dieren niet altijd. Door te letten op kleine breuken in de naalden en op plekken waar de naalden zijn weggeschoven is een spoor echter te volgen. Als er op naalden wordt gestapt, raken ze gekneusd en zodra ze dan nat worden, bijvoorbeeld door ochtenddauw, worden ze donkerder. Als er tijdens de winterperiode een dunne laag sneeuw is gevallen kunnen van alle dieren die dan actief zijn prenten en sporen makkelijk worden gevolgd. Bij een dikkere sneeuwlaag en in vastgevroren sneeuw zijn de sporen onduidelijker. Zand Vochtig fijn zand legt goede details vast. Het verstoorde zand rond de prent begint meestal als eerst op te drogen, waardoor deprentenmakkelijker zijn te zien. Als het zand verder opdroogt gaan details verloren. Tegen de tijd dat het zand compleet is opgedroogd worden prenten erg wazig. Harde ondergrond Op een harde ondergrond zijn prenten gedeeltelijk waar te nemen. Zachte modder Veel dieren spreiden in zachte modder hun tenen. Verplaatsing van aarde Bij de overgang van losse aarde of modder naar een harde oppervlak is het mogelijk om nog steeds sporen (vaag) te onderscheiden. Vegetatie Als er geen kale grond is omprenten te onderscheiden moet gekeken worden hoe een dier de vegetatie heeft verstoord.Door het slap hangen, plat maken en het afbreken van planten laat een dier vaak een duidelijke spoor achter.
Naar boven
Ondergrond
Pijl en boog
Pijl en boog vormde een geducht wapen. Het doordringingvermogen van prehistorische pijlen was behoorlijk. Men kon er tijdens de jacht bijvoorbeeld herten op een afstand van 75 meter mee doden. Houtsoort Bogen werden in de steentijd altijd uit één stuk hout gemaakt. Voor het maken van een boog kunnen verschillende houtsoorten worden gebruikt, maar de ene houtsoort is meer geschikt dan de andere. Het beste houtsoort komt van de taxus, maar dit hout moet minstens vier jaar drogen. Andere geschikte houtsoorten zijn iep, esdoorn, es, berk, hazelaar en vruchtbomen. Het hout van deze boomsoorten moet minstens een jaar drogen. Het hout voor de boog moet dan worden gekapt en ontbast. Het is belangrijk bij het verwijderen van de bast dat de buitenste jaarringen van het hout niet worden beschadigd, want deze vormen uiteindelijk de boogrug. Indien de boog niet exact de jaarringen volgt dan is de kans groot dat het zal breken. Ideaal vormt een stam met een dikte van 20 cm. Het hout moet zo recht mogelijk zijn, maar soms kan een boomstam krom zijn gegroeid of gedraaid door bijvoorbeeld blootstelling aan de wind. Hoe rechter het hout hoe makkelijker het is om er een werkende boog uit te maken. Om het droogproces te versnellen kan een stam het beste in vieren worden gekliefd. Daarbij kunnen de uiteinden beschermd worden met wat houtteer, omdat deze kanten namelijk het snelst zullen drogen en daardoor kan het hout gaan splijten. (Hout droogt ongeveer 2,5 cm van af de buitenkant van het hout per jaar.) Maken van de boog Voor een boog uit een kwart stam is het beste om aan de buitenkant/vlakke kant van de boog een laagje spinthout te hebben. De buitenkant van de stam (splinthout) wordt namelijk de 'platte' kant die van de schutter afwijst en het kernhout (hard hout) vormt de binnenkant, want spinthout kan meer rek hebben en kernhout meer druk. De buitenkant kan of een D-vorm hebben voor een smalle, lange boog of een brede platte kant worden voor een platte boog. De lengte van de boog moet 10 tot 15 cm korter zijn dan de boogschutter lang is. Eerst moet het midden worden bepaald. Een handige manier is om met een touwtje van het ene uiteinde naar het andere op te meten en dan het touwtje dubbel te vouwen. Als volgt kan de grove vorm van de boog met houtskool op het hout worden uitgete- kend, waarna de vorm met een bijl kan worden uitgekapt. Hierna wordt met een lichte, maar scherpe bijl of een grote mes de armen van de boog zorgvuldig verder bewerkt totdat de boog overal, behalve in het handvat, ongeveer 2 cm dik is en de boog naar beide einden toe spits toeloopt. Controleer of de tekening op het hout nog klopt met de richting van het hout. Indien er per ongeluk te diep wordt gesneden op een plaats van een jaarring dan kan de boog daarop scheuren of zelfs breken. Dit is dus een heel precies werk. Het laatste stukje zal dan ook het best gaan met schuurpapier. De ringen zijn vaak verschillend in kleur en dit maakt het makkelijker om te zien wat er van af moet worden gehaald. Uiteindelijk moet de hele platte kant 1 kleur zijn. Bij de ronde kant moeten de vlammen in het hout ook in een nette lijn door het midden lopen en een mooie D-vorm vormen. De rechterkant moet ook ongeveer hetzelfde zijn als de linkerkant van de boog. Tussendoor kan er worden gecontroleerd of de boog al begint te buigen. Zodra deze goed buigt kan met de hand worden gevoeld of de boog de gewenste trekkracht heeft door één uiteinde op de grond te zetten, het andere uiteinde vast te houden en dan met de vrije hand op het handvat te drukken. Met een mes kan dan aan de beide uiteinden inkepingen voor een tijdelijke boogpees worden gemaakt en kan de hele binnenkant van de boog worden gladgeschaafd. Het moeilijkste vormt het exact buigen van de beide boogarmen ten opzichte van de positie van het handvat.Als de boven of onder- kant meer buigt dan zullen er zwakke plekken in de boog ontstaan waar het hout wordt overbelast en zal de boog op een dergelijke plek breken. Ook is het niet goed als de boog in het handvat buigt, omdat dit vervelende klappen geeft in de zodra de pees bij het schieten wordt losgelaten. Om te zorgen dat de boog goed doorbuigt, is een houtbalkje nodig met aan een kant een uitholling waar het handvat van de boog in komt te liggen en om de 5 cm een aantal inkepingen waar de pees in kan haken zodat de boog op spanning kan worden gezet. In plaats van een plankjekan ook gebruik worden gemaakt van een gevorkte tak waarbij de twee vorktoppen ingekort moeten worden tot ongeveer 2,5 cm. De tak moet niet te dik zijn, ongeveer met een diameter van 3 cm. De lengte van de tak zelf is weer afhankelijk van de lengte waarop de boog uiteindelijk zal moeten worden uitgetrokken. Net als bij het houtblokje moeten er inkepingen in worden gemaakt. De pees moet langer zijn dan een normale, want de boog kan niet meteen volledig opspannen want dan zal deze breken. Het handig- ste is het om een pees te hebben met slechts aan één kant een lus zodat deze op verschillende lengtes kan worden geknoopt. De pees moet daarop telkens voorzichtig naar een andere inkeping worden gebracht terwijl bij elke inkeping de tijd genomen moet worden om te controleren of de boog een perfecte vorm heeft door van een afstand de boog te bekijken. Daar waar de boog niet goed buigt is deze te stug en zal er dus wat hout moeten worden verwijderd (met een schaaf of schuurpapier) totdat de definitieve vorm en trekkracht zijn bereikt. Ter afronding kan de boog ingeschoten, afgewerkt en enkele malen met olie worden ingewreven. Naar boven Tips ¨ Indien de boog wordt uitgetrokken laat dan nooit de pees in één keer los zonder dat er een pijl mee wordt geschoten.De energie vandepees gaat dan niet de pijl maar de boog in en komt niet ten goede aan de boog. ¨ Een boog kan vele jaren meegaan zolang hij droog maar niet te warm wordt bewaard en zo nu en dan wordt ingevet. ¨ Indien een boog voor lange tijd niet is gebruikt moet hij, voordat er de volle spanning op wordt gezet, een aantal malen voorzichtig worden opgerekt. Pijlen Wilg, inlandse eik, es en kornoelje zijn slechts enkele inheemse houtsoorten die geschikt zijn om er pijlen van te maken. Zoek in ieder geval takken uit die zo recht mogelijk zijn en die een dik te van ongeveer 10 mm, en natuurlijke met zo weinig mogelijk zijtakjes. Snijdt de lengte ruimschoots af deze is afhankelijk van het type boog waarmee we gaan schieten, maar de lengte van de pijl zal toch al gauw zo’n 60 cm gaan bedragen. Hierna worden ze geschild waarna ze zo recht mogelijk gemaakt. Pijlen kunnen ook (gedeeltelijk) van riet worden gemaakt. Snij de onder- kant van het riet ongeveer 1,5 cm van een tussenschot en plaats een smalle houten plug die dienst zal doen als de nok van de pijl (plaats waarin pees van de boog komt). Bind het vast met darm, peesdraad of lijm het vast. Voor het hoofdeind moet het riet 5 cm van een tussenschot worden gesneden en een 10 tot 15 cm lange houten schacht in het riet worden geplaatst, die tegen het tussenschot aan moet komen. Deze kan worden gelijmd of worden vastgebonden. De gehele lengte van de pijl is afhankelijk van de grote van de boog. Rieten pijlen zijn licht en snel. Recht maken Dit recht maken gaat heel goed boven een houtsvuurtje. Maak het kromme gedeelte wat nat en verwarm dit gedeelte dan boven kolen van een vuur. Heet hout is goed te buigen en zal na afkoelen die vorm houden. Hiernakan de pijl in de goede vorm worden gebogenof de pijl kan over een boomstam of een natuursteen in de goede vorm worden gebracht. Na het afkoelen zal de pijl de vorm behouden. Balanceren Om ervoor te zorgen dat een pijl in balans blijft moet een pijl over de gehele lengte dezelfde dikte hebben. In de prehistorie werden hier verschillende werktuigen voor gebruikt. Zo kan een doorboorde hoorn hiervoor gebruikt worden of een stukje bot of gewei met een gat erin met de juiste diameter. Een pijl kan met deze hulpstukken op de gewenste dikte worden geschaft. Ook kan van vuursteen schraap- en snijwerktuigen worden gemaakt. De dikte van de pijlschacht moet aan het gewicht van de boog zijn aangepast. Zware bogen hebben dikke, stijve pijlschachten nodig, en lichte bogen hebben dunne, lichte pijlschachten nodig, maar over het algemeen heeft een pijl een dikte van 8 mm. De nok van de pijl waarin de pees van de boog moet komen moet voorzichtig ingekerfd, waarna deze omwonden kan worden met wat darm of pees en ingesmeerd met houtteer om splijten te voorkomen. Een goed uitgebalanceerde pijl heeft eigenlijk geen veren nodig, maar voor grote afstanden dragen ze bij aan de stabiliteit, zodat een pijl tijdens de vlucht niet draait of schommelt. Nadat de veren zijn bevestigt kan er aan de andere uiteinde een pijlpunt worden gemaakt of aan worden toegevoegd. Pijlkokers Pijlkokers kunnen van dierenhuiden worden gemaakt. Door de haren erop te laten zitten, zijn ze beschermt tegen de regen. Pijl- kokers kunnen over de schouder worden gedragen van de booghoudende arm (dus over de linkerschouder bij rechtshandige). Ook kan een pijlkoker worden gevlochten. Polsbeschermers Polsbeschermers kunnenvan huid worden gemaakt. Het leer beschermt de arm en de pols tegen de inslag van de pees als de boog wordt afgeschoten. SchiettechniekIndien rechtshandig staat de schutter met de linkerschouder naar het doel. Daarbij staan de voeten iets uit elkaar en wijzen naar voren. De boog wordt in de linkerhand vastgehouden. De rechterhand zorgt voor het spannen van de boogpees, waarbij de toppen van de wijs-, middel- en ringvinger tegen de boogpees liggen. De pijl wordt dan lichtjes tussen de wijs- en middelvinger geplaatst. De pijl rust op de knokkel van de wijsvinger aan de linkerhand. De boog wordt gespannen door de linkerarm te strekken, waarbij de rechterelleboog zo naar achteren wordt gebracht dat de rechter- bovenarm horizontaal komt. De linkerhand, de pijl, de rechteronderarm en de beide schouders vormen dan een rechte lijn, welke naar het doel is gericht. Het richten gebeurd door langs de pijl naar het doel te kijken, de vingers worden dan gestrekt waarbij de pees wordt losgelaten en de pijl wordt afgevuurd. Er moet wel rekening worden gehouden met de afstand en de kracht van de wind. Naar boven
Pijl en boog
Wilde dieren volgen vaak de goed beloopbare delen van een landschap en kiezen dan de makkelijkste route, waardoor er padensysteem ontstaat. Deze regelmatig belopen paden worden wissels genoemd. Soms worden wissels door één bepaalde dier of diersoort gebruikt, maar vaak gaat het om meerdere diersoorten. Wissels hebben door het regelmatige gebruik een harde ondergrond gekregen of lopen over platgetrapte planten. Hierdoor zijn er geen of weinig afzonderlijke prenten te vinden. Zeker als het een brede wissel ofwel een hoofdwissel betreft, waarvan meerdere diersoorten gebruik maken. Door een wissel te blijven volgen kan bij een versperring aan de hand van haren bepaald worden welk dier van de wissel gebruik heeft gemaakt of de wissel gebruikt. Het is makkelijker als het om een kleine wissel gaat. Een kleine wissel is meestal smal, valt daardoor minder op en bevat vaak aanwijzingen van maar één diersoort. Door zo’n wissel te volgen zullen dierensporen, zoals uitwerpselen, haar, holen of legers aangeven welk dier er gebruik van maakt. Ook kan aan de hand van de wisselbreedte bepaald worden om welke dier(soort) het gaat, maar dit gaat echter niet altijd op, want vaak is er sprake van een overlapping. Muizenpaadjes tussen muizenholen kunnen van enkele soorten zijn. Veldmuizen komen vooral in kort grasland voor en zijn sociaal levende dieren, waarvan veel wissels en holletjes dicht bij elkaar gevonden worden. Door urine en geplette gras steken de paadjes als donkere lijnen af in de omringende vegetatie. Aardmuizen komen vooral in ruig groeiende gebieden voor, zoals in heide- en moerasgebied en zijn meer solitair levende dieren. Woelmuizen komen in moeras- of veengebieden voor. Spitsmuizen maken geen duidelijke looppaadjes in de vegetatie, zoals woelmuizen, maar bij smeltende sneeuw komen de vaak grillig lopende gangetjes bloot te liggen. Gangen van spitsmuizen zijn niet breder dan 2,5 cm. Wissels met een breedte van 6 cm of meer zijn meestal het werk van een rat. De bruine rat komt in verschillende gebieden voor, terwijl de woelrat de voorkeur heeft voor een waterrijk gebied. De wissels voor de woelrat zijn dan ook vaak op oevers te vinden. Bij woelratten liggen de holen vaak net boven de waterlijn, terwijl die van de bruine rat er verder vanaf liggen en zelfs ook verder van water verwijderd liggen. Een muskusrat komt in een waterrijke omgeving voor en vormt wissels van 9-10 cm breed. De wissels lopen van een helling naar de waterlijn, waarbij bij modderige oevers vaak een soort glijbaan is ontstaan. Wissels met een breedte van 10 tot 20 cm breed worden door een haas of konijn gemaakt. Bij konijnen ontstaan wissels meestal in kruiden- of grasvegetatie. Bij hazen lopen de wissels meer over opener gebieden. De wissels vallen op doordat de grond, door het vele gebruik, vaster zijn geworden. Bij wissels met een breedte van 20 tot 30 cm komen vooral de das, vos en otter in aanmerking en bij de otter ook in de vorm van tunnels in riet- of andere watervegetatie. In waterrijke gebieden kunnen wissels en tunnels ook gemaakt zijn door bevers en/of beverratten. De breedte van een tunnel kan dan ter hoogte van de romp groter zijn dan op de grond. Bij een beverwissel kan in vegetatie de breedte op de grond ongeveer 30 cm zijn, maar vlak er boven 10 cm meer. Wissels met een breedte van 30 cm of meer worden vooral gebruikt door grotere diersoorten, zoals eland, edelhert, damhert, ree en wild zwijn. Vaak zijn op de plekken waar een wissel een beek e.d kruist prenten te vinden. Dieren nemen daar een aanloopje om er overheen te springen, waarbij vooral op de overzijde diepe prenten staan. Naar boven
Wisselbreedte Diersoort 2,5 tot 3 cm Spitsmuis, veldmuis, aardmuis, woelmuis tot 6 cm Bruine rat,woelrat 10 cm Muskusrat 10-20 cm Haas, konijn 20-30 cm ( ook tunnel) Das, vos, otter, bever, beverrat 30 cm of meer Eland, edelhert, damhert, ree, wild zwijn
Wissels
Een Prent ontstaat wanneer een dier over een ondergrond loopt. Bij een zachte ondergrond, zoals modder en sneeuw, zal een prent beter zichtbaar zijn dan bij een harde ondergrond. Als een prent niet diep is zal het ook minder goed te herkennen zijn. Een prent wordt daarnaast bepaald door: ♦ hetgewicht van het dier ♦ loopwijze en -patroon (grazen, vluchten of gewoon rennen) ♦ voor- of achterpoten ♦ sekse en leeftijd (vrouwelijk of mannelijk, jong of volwassendier) Bij gewervelde dieren, zoals zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën zijn de onderlinge verschillen tussen de prenten van families goed te herkenen o.a. door het verschil in het aantal tenen en de vorm. Anders wordt het als het prenten binnen dezelfde familie betreft, waarbij de prenten sterk op elkaar lijken en dus moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn. Bij zoogdieren bestaan de prenten uit eeltkussens, tenen of vingers en soms ook uit nagels. De eeltkussens op de voetzool worden verdeeld in teenkussens, voetkussens en hiel- of polskussens. Bij de voorvoet is er sprake van tenen of vingers (dit laatste als het vingerachtige, lange tenen betreft) en polskussens, terwijl bij de achtervoet wordt gesproken over teenkussens of tenen en hiel. Bij teenafdrukken zijn meestal alleen de eeltkussen van de teentop of vingertop te zien, maar soms worden echter alle vinger- of teenkootjes afgedrukt. De meeste zoogdieren lopen of op de zool, de zool- of hafzoolgangers, of op hun tenen, de teengangers, en hebben dus prenten met voet- en teenkussens. Hoefdieren, zoals herten, lopen daarentegen op de uiterste punten van één of twee tenen, waarbij de nagels tot hoornschoenen zijn omgevormd. Zoogdieren met nagels of klauwen hebben prenten waarin teenkussens èn nagelafdrukken zijn te zien, maar een uitzondering hierop vormen de katachtigen die de nagels tijdens het lopen intrekken. Zoogdieren laten prenten na met twee, vier of vijf tenen of hoeven bestaande uit één, twee of vier hoeven. De vier hoeven bestaan uit twee hoeven en twee bijhoeven. één, twee of vierhoeven. Als de prenten goed zijn afgedrukt is dit geschikt om het dier op naam te brengen. Het loopspoor van zoogdieren is op orde of familie in te delen door het aantal tenen te tellen. Omdat bij prenten van zoogdieren niet altijd alle tenen afdrukken achterlaten, behalve bij hoefdieren, moet er ook naar de voetvorm in combinatie met het formaat gekeken worden. Prent met vijf tenen aan zowel de voorvoet als ook de achtervoet Insecteneters bestaan uit egels, mollen, spitsmuizen en vleermuizen. Marterachtigen bestaan o.a. uit de marter (o.a. boom- en steenmarter),otter, das, veelvraat en de wezel. De prenten van deze dieren vertonen vijf tenen aan de voorvoeten en aan de achtervoeten. Veel soorten binnen de marterachtigen hebben (vaak) sterke anale klieren, waardoor geursporen zeer lang aanwezig blijven. Wasberen en beren behoren niet tot de marterachtigen, maar ze hebben ook vijf tenen aan de voor- en achtervoet. Beide dieren hebben platte voeten. Prent met vier tenen aan de voervoet en vier aan de achtervoet Haasachtigen, zoals de konijn en haas, vertonen bij de voor- en achtervoet vier tenen en over het algemeen laat de achtervoet prenten achter die tenminste twee keer zo groot zijn als van de voorvoet. Katachtigen bestaan o.a. uit de wilde kat en lynx. Deze dieren laten een erg ronde prenten achter bestaande uit vier tenen. Maar geen nagelafdrukken (deze zijn meestal ingetrokken). Katachtigen plaatsen hun achtervoet rechtstreeks in de prent van de voorvoet, zodat het lijkt alsof het één prent is. Hondachtigen bestaan o.a. uit de vos en de wolf. De voor- en achtervoet van deze dieren hebben elk ook vier tenen, maar de nagelafdrukken zijn wel zichtbaar. Hondachtigen plaatsen hun achtervoeten net achter en aan één kant van de voorvoet. Uitzondering hierop is de vos die, net als bij de katachtigen, hun achtervoet rechtstreeks in de prent van de voorvoet plaatsen, zodat het hier ook lijkt alsof het één prent is. Prent met vier lange, vingerachtige tenen aan de voorvoet en vijf aan de (grotere) achtervoet Knaagdieren bestaan o.a. uit de muis, rat, (grond)eekhoorn, bever, muskusrat en de beverrat. Hun prenten vertonen vier tenen aan elke voorvoet en vijf aan de achtervoet. Bevers en muskusratten vertonen zo nu en dan vijf tenen aan de voorvoet. Vaak laat de vijfde teen geen afdruk achter. Prent met twee hoeven en (soms) twee bijhoeven Evenhoevigen Prent met één hoef Onevenhoevigen Hoefdieren worden gemakkelijk herkend aan de uit één of twee delen bestaande, hartvormige prenten. Deze groep bevatten geiten, ree, schapen,kariboe, muskusos, eland, rendier, wild zwijnen hert. Haasachtigen en roofdieren, behalve de wasbeer, hebben korte tenen. Het polskussen bestaat uit een vrij groot, zacht eelt- kussen, terwijl de hiel bij de meeste zoogdieren behaard is, geen kussenvorm heeft en meestal in een schuine hoek ten opzichte van de grond staat en de grond dus niet raakt. Bij zoolgangers raakt de hiel normaal gesproken de grond wel en drukt dan ook bij het lopen af (wasberen). Bij de meeste dieren wordt de hiel alleen afgedrukt als het dier stilstaat of zich uiterst langzaam voort- beweegt. Bij insecteneters, hoefdieren en roofdieren zijn de prenten van de voorvoeten meestal breder dan die van de achtervoeten. Uitzonderingen zijn spitsmuizen, otteren wasbeer. Bij haasachtigen en knaagdieren zijn de achtervoeten breder en aanmerkelijk langer dan de voorvoeten. Deel van een prent Wanneer een prent wordt gemaakt, glijdt de hiel in de grond, wordt vastgelegd en er weer uit getrokken. Geen prent wordt echter recht naar beneden vastgelegd, want er is altijd, kijkend naarde doorsnede van eenprent, sprake van een hoek- component of van de intredende of van de uitgaande voet. Hoe zachter de ondergrond, hoe groter de helling van de wand wat zorgt voor een vervorming tussen de gehele prent en de echte prent. De meeste mensen lezen niet de echte prent, maar lezen de openingen op de hoogte van het maaiveld (gehele prent). De echte prent is de enige echte afmeting voor het spoorzoeken. Meting van een prent Elk dier laat tijdens het bewegen een opeenvolgende reeks van prenten achter ofwel een spoor. Om de diersoort te bepalen moet de lengte en breedte (van alle vier de prenten) worden gemeten. Wanneer de dierenprenten worden gemeten,wordt de afgelezen lengte tussen de prenten opgemeten van teen tot teen. (Zie ookleertechnieken,de meetstok) Bij het onderzoeken van een spoor worden de volgende aspecten bepaald: Bewegings- richting Als een spoor duidelijk is kan dit met het blote oog worden gedaan en anders door het plaatsen van dunne stokjes bij het hielgedeelte van een prent en een touw aan de stokjes vast te maken Voetvorm Door het meten van de lengte en de breedte van de echte prent. De lengte wordt door gemeten zonder nagelafdrukken en de breedte op de plaats waar de prent het breedst is Paslengte De afstand tussen tweeopeenvolgende prenten van dezelfde voet en wordt gemeten van teen tot teen, omdat dieren de grond eerst met hun tenen raken Spooras Een in het midden geplaatste lijn tussen de linker- en rechtervoeten van een spoor. Spreiding De grootse afstand tussen de buitenzijden van twee prenten die elk aan een kant van de spooras lopen Naar boven Loopwijzen Bij een dier is zowel het prentpatroon als de snelheid af te lezen aan de onderlinge afstand en aan de manier waarop prenten ten opzichte van elkaar zijn neergezet. Zoogdieren hebben de volgende loopwijzen ofwel gangen: Stap Bij de stap tillen dieren elke poot op een ander moment van de grond. Het is een langzame manier van lopen, waarbij de pas- lengte kort is. De achtervoet wordt dichtbij of op de prent van de voorvoet geplaatst. Bij sommige dieren, zoals de mol, zijn soms sleepsporen van het lichaam of staart te zien. Als een dier op zijn gemak is gebruikt hij de stapgang, zoals bij het eten. De rug van dier blijft enigszins dezelfde gestrekte houding hebben. Deze gang is o.a. te vinden bij hoefdieren, katachtigen, egels, dassen en wasberen. Draf Bij drafgang neemt de snelheid toe en worden de poten kruislings opgetild, dus linksvoor tegelijk met rechtsachter en rechts- voor tegelijk met linksachter. De paslengte wordt groter en de prenten overlappen elkaar. Bij sommige dieren wordt de spreiding geringer, zoals bij de vos en de marterachtigen, maar bij hoefdieren neemt deze juist toe. De sleepsporen van de staart, bijv.van de muskusrat, worden minder. De prent wordt in vergelijking bij draf dieper. Doordat de snelheid groter wordt is de kans dat een dier wegglijdt of doorschuift ook groter en hierdoor ontstaat een vervorming van de prent. Galop Bij een galop beweegt een dier nog sneller en op sommige momenten zijn alle vier de poten van de grond. Dieren zetten zich bij galop met name met hun voorpoten af en daarnaast komen de achtervoeten voor de voorvoeten terecht. De prenten overlappen elkaar dan niet en zijn goed zichtbaar. Vooral hoefdieren en hondachtigen gebruiken de galop wanneer ze zich snel (op een korte afstand) moeten verplaatsen, zoals bij het vluchten. Sprongengalop Dieren zetten zich bij een sprong krachtig met de achterpoten af, waarbij het dier even met het hele lichaam van de grond komt. Een dier werpt dan de voorpoten naar voren en komt dan op beide voorpoten neer. Bij een sprongengalop is er sprake van een snelle en een langzame gang. Bij de snelle gang staan de voeten ver uit elkaar, waardoor er geen overlap plaatsvindt. Dit in tegen- stelling tot de langzame gang, waarbij er prentengroepjes ontstaan van twee, drie of vier prenten. De achtervoeten komen voor de voorvoeten, waarbij deze helemaal of gedeeltelijk worden overlapt. Bij de loopwijzen is een opbouw van snelheid te zien, welke weer in de bewegingspatronen te vinden zijn. De opbouw van snelheid is als volgt: Sluip -- langzame stap – stap- – draf – sprong – spronggalop – galopgang Bewegingspatronen Dieren zijn niet geneigd zich onnodig uit te putten en daarom lopen of bewegen ze langzaam. Een aanzienlijke meerderheid van alle gevonden sporen zullen een dier aangeven die zich met zijn langzaamste tred voortbeweegt of deze zo dicht mogelijk benaderd. Er zijn vier kenmerkende bewegingspatronen die het mogelijk maken om een specifieke dierenfamilie te herkennen. 90 tot 95 % van de tijd zal een dier deze bewegingsmethode gebruiken. Eenmaal ermee vertrouwd is het mogelijk om dezelfde bewegingspatronen ook bij andere dieren waar te nemen. Indien een dier namelijk van snelheid verandert, verandert ook de beweg- ingspatronen, bijv.bij het langzaam bewegen (sluipen), bij een achtervolging of als een dier achtervolgd wordt. Kruisgangers, zoals honden, katten en hoefdieren, bewegen zich kruislings voor, bijv. rechtsvoor en linksachter tegelijk of linksvoor en rechtsachter tegelijk. Deze beweging laat een stel gekruiste prenten achter. Bij steeds groter wordende snelheden gaan kruisgangers over in de draf-, sprong-, spronggalop- en uiteindelijk in de galoppatroon Stappenvariaties van kruisgangers: ♦ Stap ♦ Langzame gang ♦ Draf wanneer zich verveeld, geprikkeld, geërgerd ♦ Kruisgangers hebben een voorkeur voor de draf of sprong. Ze houden verder zelden een spronggang aan, behalve in zacht of rotsachtig terrein. Op open terreinhouden ze een spronggang slechts voor een paar patronen aan voor ze het in galop gaan. Met name herten hebben een voorkeur voor galop om een hoge snelheid te behouden. Kruisgangers kunnen rechtstreeks van een loopgang naar een galop, bijv als ze geschrokken zijn. Spronggangers bestaan uit leden van de marterachtigen, behalve de schuifelaars met een brede lichaam, zoals de das. Doordat marterachtigen zich voortbewegen in de zogenaamde 'martersprong'. Tijdens het naar voren komen van de achterpoten is de rug gekromd. Bij het naar voren komen van de voorpoten strekken ze hun rug zich weer. Hierdoor staan de pootafdrukken in groepjes van twee, drie of vier. Stappenvariaties van de spronggangers: ♦ Bij de jacht zullen spronggangers gebruiken maken van de sluipgang ♦ Bij een korte snelheidsexplosie zullen spronggangers gebruik maken van de galop, m.n. bij de jacht, waarbij een dier op het punt staatom een anderdier te doden. ♦ Indien ze worden geërgerd, zich vervelen, geprikkeld zijn of zich bedreigd voelen maken ze gebruik van de drafgang. Ze gebruiken dit ook als ze net op de punt staan om erop uit te gaan om te jagen. Nb. Bij deze dieren kan aan de hand van de sporen de emotionele toestand worden opgemaakt. Gallopgangers zijn dieren, zoals konijnen en hazen, die hun lichaam nog meer krommen als de spronggangers. Ze brengen hun achtervoeten voor en opzij van de voorvoeten naar beneden. Deze tred vormt een makkelijk te herkenbare u-vorm prentpatroon. Als de prenten van de twee voorvoeten geregeld naast elkaar liggen is het spoor waarschijnlijk gemaakt door een dier die in de bomen leven, zoals een eekhoorn. Een constante patroon van diagonale voorvoetprenten geeft aan dat het om een dier gaat die op de grond leeft, zoals een konijn. Op de grondlevende vogels, zoals de fazant, hebben een lopende tred, terwijl vogels die meer in bomen leven een hoppende tred hebben en parallelle prenten achterlaten. Stappenvariaties van galopgangers: ♦ Galopgangers hebben een voorkeur om de galopgang te gebruiken, maar gebruikt op zacht terrein de spronggang zoals bij sneeuwof modder. Gebruikt de spronggang ook op rotsachtige terrein. ♦ Bij het overbruggen van een kortere afstand gebruiken de galopgangers eerder de kruisgang dan een spronggang, bijvoorbeeld eenkonijn die bij het eten 5 cm beweegt. ♦ Bij gevaar gebruiken de galopgangers de sluipgang om weg te komen. ♦ Galopgangers gebruiken de drafgang indien ze geprikkeld zijn, bedreigd worden of zich vervelen. Telgangers bestaan uit dieren met een brede lichaam, zoals de veelvraat en das. Telgangers bewegen meestal tegelijk de beide voeten aan één lichaamskant in een schommelende manier van lopen. Als hun snelheid wordt verhoogd gaan de brede dieren van de marterachtigen over van stap naar op spronggalop. Andere telgangers bewegen eerst in de kruisgang, dan in de sprongengalop en uiteindelijke in volle galop. Stappenvariaties van telgangers: ♦ Telgangers kunnen van eens sluipgang naar galop Naar boven
Prenten, loopwijzen & -patronen
De grootte, vorm en samenstelling van uitwerpselen geeft aan om welke diersoort het gaat. Aan de hand van voedselresten, zoals haren, veren, botten en botfragmenten, delen van insecten en plantenresten, kan worden nagegaan wat een dier heeft gegeten. Dieren laten uitwerpselen in gebieden achter waar ze zich veilig voelen. Sommige dieren gebruiken daarbij uitwerpselen als markeringen van hun leef- en jachtgebied of als oriëntatiepunten in hun eigen leefgebied. Uitwerpselen hebben meestal een specifieke geur. Deze geur wordt veroorzaakt doordat uitwerpselen voorzien worden van bepaalde afscheidingen die afgegeven worden door klieren in de endeldarm. Door middel van de geur wordt er aan andere dieren een boodschap afgegeven. Zo’n boodschap kan aangeven wat voor dier gepasseerd is en wat zijn geslacht is of het kan bij een dier aan- geven dat hij binnen het jacht- en leefgebied van een dier zit of er langs af gaat. Dieren leggen hun uitwerpselen op een natuurlijke verhoging, zoals een kei, graspol,molshoop, houtstapels, liggende of schuinstaande boomstammen, zodat de geur zich goed kan verspreiden. Vogels hebben in tegenstelling tot zoogdieren veel minder ontwikkelde reukzin en daarnaastworden de uitwerpselen van vogels niet gebruikt als markering, maar laten vogels het gewoon vallen. Planteneters (herbivoren), die alleen planten eten die veel vezels bevatten, hebben speciale manieren ontwikkeld om voedingsstoffen aan dit voedsel te onttrekken. Sommige herbivoren herkauwen hun voedsel voordat ze het opnieuw verteren. Andere breken plantenmateriaal af in hun darmen, en sommige eten zelfs hun eigen uitwerpselen om alles uit hun voedsel te halen. Plantaardige voedsel bevat veel onverteerbare delen, waardoor herbivoren veel meer moeten eten in vergelijking tot vleeseters en produceren dus ook meer uitwerpselen ofwel keutels. Een volwassen konijn kan wel 300 tot 360 keutels per etmaal produceren. Bij keutels worden er altijd losse uitwerpselen kort na elkaar of tegelijkertijd uitgescheiden. Herten en elanden scheiden per keer tientallen keutels tegelijk uit. Daarbij kunnen ze aan elkaar gekleefd blijven of los op de grond vallen. In de lente en zomer zullen de keutels aan elkaar blijven kleven vanwege het vele vocht dat herten en elanden binnen krijgen door het eten van sappig gras en jonge loten. Haasachtigen en knaagdieren produceren minder keutels en bij hun komen de keutels één voor één eruit. Doordat het voedsel van vleeseters (carnivoren) hoofdzakelijk uit vlees bestaat zijn er minder onverteerde voedselresten. Hierdoor zijn er van carnivoren minder uitwerpselente vinden. Meestal zijn deùitwerpselen langgerekt en hebben één puntige, spitse uiteinde. Niet alleen carnivoren eten vlees, maar sommige andere diersoorten ook en vaak in de vorm van aas. Insecteneters eten naast de gebruikelijke insecten ook slakken en wormen en soms eten ze grotere prooi. Egels eten bijvoorbeeld naast de gebruikelijke insecten dode muizen en ratten. Hetzelfde geldt voor spitsmuizen. Hierdoor lijken de uitwerpselen veel op die van de carnivoren, zoals een vos. Normalerwijs bestaat hun uitwerpselen uit resten van insecten. De uitwerpselen van alleseters (omnivoren) zijn wat betreft vorm en inhoud verschillend. Dit is afhankelijk van het voedsel dat ze gegeten hebben. Uitwerpselen bestaan voor het grootste deel uit vocht, waardoor bij verdamping de vorm veranderd. Met name de uitwerpselen carnivoren krimpen heel sterk, terwijl die van herbivoren door de celwanden van de plantendelen veel van hun vaste vorm behouden. Uitwerpselen van zoogdieren kunnen niet alleen verschillen in vorm, grootte, geur en inhoud, maar ook in kleur. De kleur zegt iets over de belangrijkste delen: Kleur Bestandsdelen Kleur Bestandsdelen Wit of grijswit Zeer oude uitwerpselen of uitwerpselen die botresten bevatten. Geelbruin Plantenvezels (met ‘houtresten’ betreft het een bever) Dof zwartbruin Oudere keutels met plantenresten, de verse keutels van herten zijn donkergroen of -bruin, maar kleuren snel zwart. Dof groen Plantenresten, droge plantendelen zoals houtige gewassen of schors Glanzend groen Plantenresten (vers) Grijskruimelig met stukjes veerschacht Veerresten Grijs, harig Muizen haar of konijnenhaar Zwart Vleesresten, bloed Tips om uitwerpselen te identificeren ♦ Stel de grootte vast, zowel de lengte als de breedte ♦ Bepaal de vorm: Is het rond als een knikker? Cilindervormig? Zijn de uiteinden plat of spits of is één uiteinde plat en de andere spits? Is het van uiteinde tot uiteinde glad? Of is het gesegmenteerd? ♦ Is er één uitwerpsel of zijn er meerdere? ♦ Zijn er haren of voedseldelen te vinden? Soms zijn bessen, zaden en insectvleugels niet helemaal verteerd. ♦ Op welke deel van de dag zijn de uitwerpselen gevonden? Zijn ze ’s nachts of gedurende de dag geplaatst? ♦ In wat voor soort omgeving is het gevonden? ♦ Zijn de uitwerpselen wit? Naar boven
Uitwerpselen
Legers zijn ondiepe uithollingen in de bodem, vegetatie of sneeuwlaag, die dieren zelf uitkrabben om hierin te rusten of te slapen. De vorm is meestal ovaal, maar de grootte en vindplaats variëren naar diersoort. In recent gebruikte legerszijn meestal haren te vinden. Deze vasteslaapplaatsen zijn te vinden in dicht struikgewas waar een dier kan horen of er een roofdier aankomt. Een rustplaats wordt meestal één of twee keer gebruikt. Het wordt o.a. gebruikt om te rusten en te herkauwen. Het herkenbaar aan de gebroken en platgedrukte vegetatie. Vogels, zoals de hoenderachtigen, gebruiken ook een soort leger, maar dan om in fijn zand een stofbad te nemen. De stofbaden dienen om de veren schoon te maken, waarbij met snavel en poten het zand door de veren wordt gesmeerd. Rustplaats van een hert Bij hazen zijn de legers tot 10 cm diep, 20 cm breed en tot 25 cm lang. De afmeting heeft precies het langwerpige grootte en de omtrek van het dier. Wanneer hazen rusten liggen ze beschut met hun achterlijf in het diepste gedeelte en met de achterpoten onder de buik in zijn rusthouding. Sneeuwhazen hebben hun legers vaak tussen rotsblokken of heidestruiken. Ook konijnen hebben als rustplaats wel eens een leger, maar die zijn wat kleiner en hebben een minder opstaande achter rand. In de humus- of bladlaag krabben reeën ondiepe plekken uit, waarin ze opgerold liggen te rusten. Vaak ligt een leger dichtbij een boomstam. De afmeting is ongeveer 40 bij 60 cm en heeft een ovale vorm. In verse legers zijn haren te vinden en ook zijn de eikelvormige keutels in de buurt te vinden, omdat reeën bij het verlaten van hun leger zich meestal ontlasten. Gedurende een bepaalde tijd van het jaar leven reeën in kleine groepen en kunnen er meerdere legers dicht bij elkaar worden aangetroffen. Beverratten maken vaak vrij platte en ronde legers bestaande uit bladeren en takken of platgevouwen plantenstengels. Zo’n leger heeft een doorsnede van ongeveer 50 cm, maar hebben soms ook een oppervlak van 4 m². Deze legers liggen aan oevers, maar als er voedsel in de buurt is soms ook wel tot 80 meter van het water vandaan. In koude winterperiode maken beverratten ook plateaus van rottende plantenresten met een ondiepe kuil in het midden. Beverratten profiteren dan van de warmte die vrij- komt bij het broeien van de plantenresten. Bevers hebben in oevervegetatie hun rustplaatsen op de kale grond of op platgevouwen planten. Vossen rusten bovengronds regelmatigtussen de begroeiing op bosgrond of in greppels. Een vossenleger is ondiep en ovaal van vorm, ongeveer 50 cm lang en 30 cm breed. Een vos krabt net als een ree zijn leger in de bodem, welke dan de vorm krijgt van zijn opgerolde lichaam. Er kunnen meerdere van zulke rustplaatsen bij elkaar liggen. De leger van een vos onderscheidt zich van die van een ree doordat een vos meer haren achterlaat. Zolang het een gebied betreft waarbij hij nauwelijks gestoord wordt, zal een das overdag wel eens op de bosbodem of onder dekking van struikgewas liggen. Zo'n rustplaats kan bestaan uit een tot 10 cm diepe, kale kuil, maar zijnsoms voorzien van een rand van gedroogd gras en blad en lijken dan op een enorme vogelnest. Een leger heeft een binnendoorsnede van 30 cm en een buitendoorsnede van 50 cm. Wilde zwijnen schrapen als dagrustplaats een ondiepe kom in de bladerenlaag of in de kale grond. Ook maken ze grotere, tot enkele decimeters diepe kuilen, ketels genaamd, die met gras, bladloof en mos worden bekleed en waarin meerdere dieren uit dezelfde groep bijeen liggen. Naar boven
Leger (Breedte, Lengte) Diersoort B 10-20 cm, L tot 25 cm Haas, sneeuwhaas, konijn B tot 60 cm, L tot 60 cm Ree, beverrat, bever, vos, das > 60 cm Wild zwijn Tot 1 meter Otter
Legers en rustplaatsen
Zoogdieren hebben een vacht bestaande uit twee soorten haren. De ondervacht bestaat uit een laag wol, bestaande uit zachte, wollige haartjes (wolharen), waardoor deze een isolerende werking heeft. De dekvacht bestaat uit stevige, vaak wat langere haren (dekharen) die over elkaar liggen, waardoor deze waterafstotend is. De vacht vormt een beschermende laag. De belangrijkste functies van de haren zijn het vasthouden èn verliezen van lichaamswarmte, maar ze kunnenook een andere functie hebben, zoals camouflage of om indruk te maken op tegenstanders. De vacht van dieren verandert per seizoen. 's Winters hebben diereneen dikkere vacht dan in de zomer. Als dieren verharen, heet dit rui. Tijdens de rui gaat er een hele laag haar in één keer dood. Die dode laag haar valtuit zichzelf uit of komt los in de vacht te zitten. Deze rui kan alleen maar voorkomen bijdieren dieeen vacht hebben met twee verschillende lagen haar. Haren zijn bijvoorbeeld te vinden op de plekken waar een dier, zoals een das, vos, ree, of wild zwijn ,langs doornstruiken, zoals een bramenstruik, zijn gegaan. Ook opDassenhaar rustplaatsen, bij holen en tegen schuur- en veegplekken zijn haren te vinden. Soms kunnen hele plukken haar (in bossen) worden gevonden van dieren die hun wintervacht verliezen of haren die tijdens een gevecht of paring worden verloren. De haren van konijnen(1) enhazen(2) zijn 2 tot 3 cm lang, waarvan het uitende zwart is. De dikkere dekharen zijn bij een haas geelbruin en van een konijn beige bruin. Bij een haarpluk zitten naast de dekharen ook een dichte laag van dunne wolharen. De wolharen van een haas zijn wit en van een konijn grijs. De rugharen van een das zijn dik en voelen stroef aan. Ze zijn meestal 6 tot 10 cm lang en driekleurig. Voor hetgrootste deel zijn ze geelachtig met in het midden een 1 cm brede, zwarte band en aan het uiteinde hebben ze een zilvergrijze punt. Het gaat bijna altijd om losse haren en zijnte vinden in legers en op stortplaatsen bij een dassenburcht. De haren van een voszijn zijdeachtig en zijn ongeveer 3 cm in de zomer, maar ruim 6 cm in de winter. De haren zijn voor het grootste deel geelbeige, waarbij het uiteinde vaak zwart is. Soms is erduidelijk een rossig deel te zien. Er kunnendunne, grijze wolharen bij zitten. In de rustplaatsen van een vos liggen vaak veel haren. De rugharen van een wild zwijn zijn ruw en worden ook wel borstelharen genoemd. Het zijn ongeveer 10 cm lange, zeer dikke haren en meestal zwart van kleur alhoewel er ook bruine delen in kunnen zitten. De haartoppen zijn vaak zijn gespleten. De haren van een wasbeer lijken sterk op vossenharen, maar zijn dunner. Ze zijn meestal geelwit van kleur met een zwarte punt. Ze hebben soms een grove golving. De edelhert, damherten ree verliezen tijdens de rui van winter- naar zomervacht in de lente grote plukken haren. De dekharen van de zomervacht is geelbruin en die van de wintervacht meer grijsbruin. Daarnaast zijn de haren van de wintervacht enkele cm langer. Doordat de haren hol zijn, breken ze of knikken ze heel makkelijk. De holle haren hebben een warmte-isolerende werking. De haren van reeën zijn in de zomer 3,5 cm lang en ‘s winters 5,5 cm. Bij herten is de lengte 5 cm en in de winter 6 cm. Reeën- haren zijn te vinden aan prikkeldraad en in hun legers. De haren van herten in hun legers en soms tegen de stam van schuurbomen of -takken. Naar boven
Haren
Bloemen
Een bloem is een deel van een plant, waarin de organen voor seksuele voortplanting bij elkaar staan. Lang niet alle planten hebben bloemen: bloemen zijn kenmerkend voor planten die totzaadplanten behoren.De bloem bestaat uit bloembekleed- sels, de stamper en de meeldraden. Een stamper bestaat uit een stempel, stijl en vruchtbeginsel. Door het rijpen van het vruchtenbeginsel ontstaatuiteindelijke een vrucht. De bloembekleedsels kunnen onderverdeeld zijn inkelkbladeren en kroon- bladeren. De meeste bloemen zijn tweeslachtigen bevatten dus mannelijke (meeldraden) en vrouwelijke (stampers) voort- plantingsorganen. Dit wordt ook wel eenhuizig genoemd. Als een plant alleen mannelijke of vrouwelijke bloemen heeft, is ze tweehuizig. De bloeiwijze (bloemgestel) van de planten kan erg verschillen. Bij grassen ontbreken felgekleurde bloemblaadjes, want zij zijn windbestuivers. De bloeiwijze is vaak groenig en vormt veel stuifmeel.Die bloeiwijze bevindt zich altijd boven in de plant en vormt het meest kenmerkende onderdeel van de grashalm. Die bloeiwijze bestaat vrijwel altijd uit één of meer aartjes. De aartjes kunnen samen een aar vormen. Een aar wil zeggen dat de aartjes om het verlengde van de grasstengel staan. Vaak zitten de aartjes in twee rijen langs de aarstengel, ofwelaarspil, waarbij na een aartje van de ene rij, een aartje uit de andere rij volgt. Soms is de aar vlak, bij andere soorten juist vierkant. Maar ze kunnen ook in een pluim gegroepeerd zijn. Dan ontspringt aan het verlengde van de grasstengel op verschillende punten zijtakjes waar de aartjes aan zitten. Naar boven
Bloemen
Stengel en stam
De bovengrondse stengel bij een kruidachtige plant geeft aan de plant stevigheid en zorgt voor de transport van water enmineralen. Daarnaast zorgt de stengel voor de groei van de plant zowel door groei in de lengte als in de dikte.Een stengel van een plant vertoont een scala aan vormen: gestrekt of gedrongen, rechtop, klimmend, draaiend of liggend. De stengel kan rond, hoekig en geribd, glad, gevleugeld, hol of gevuld zijn. Ook kan de stengel al of niet behaard zijn en kunnen er stekels (braam) of doornen (meidoorn) aan de stengel zitten. Karakteristiek is de opbouw uit stengeldelen en knopen. Op de knopen van de stengel ontstaan de loten en de bladeren. Aan de top van de stengel zit een groeipunt, dat bij kruidachtige planten bladeren vormt of bloemen. De onderkant van de stengel gaat over in de wortel. Een stengel kan kruidachtig of verhout zijn. Bij bomen vormt de stam eigenlijk een sterk verhouten stengel. Stengels die zijn verhout worden stam, takken of twijgen genoemd. Zowel destam entakken van een boomals de takken van een struik zijn uit verschillende lagen opgebouwd: De kurkhuid of schors beschermt tegen allerlei schadelijke invloeden, zoals insecten, zonnebrand, zwammen enz. Het kurkcambium of bast vormt naar buiten toe nieuwe schors en naar binnen toe nieuw bastweefsel. Het cambium vormt ook weer naar beide zijden nieuwe cellen. Het is het sterkst levende deel en veroorzaakt de diktegroei in de stammen en takken. Naar buiten toe maakt het cambium bastweefsel en naar binnen toe houtweefsel. De voedingsstoffen voor de boom of struik worden voornamelijk door het cambium getransporteerd en gebruikt. Als het cambium rondom is ingesneden, gaat de boom of struik dood. Het houtweefsel is in het begin zacht, maar wordt geleidelijk harder en droger. Het jongere houtweefsel noemt men spinthout. Het is relatief zacht en licht van kleur. Het oudere, binnenste houtweefsel wordt kernhout genoemd. Het is harder, zwaarder en donkerder van kleur.Het kernhout van de takken zorgen voor de knoesten in de stam. In het voorjaar wordt het meeste hout gevormd. Het voorjaarshout is hierdoor losser van opbouw en lichter van kleur. Het zogenaamde najaarshout is vaster en donkerder van kleur. Ieder jaar wordt dus een brede laag lichtgekleurd voorjaarshout en een dunnere laag donkergekleurd najaarshout gevormd. Zo ontstaan de jaarringen. Hoe smaller en regelmatiger de jaarringen des te beter de kwaliteit van het hout. Omdat er ieder jaar een lichte en een donkere ring gevormd wordt kan je aan de jaarringen ongeveer de leeftijd van de boom of struik bepalen. Een vrij groot aantal boomsoorten kent echter geen verkerningsproces. Het spinthout blijft zolang mogelijk levend en werkzaam. Het wordt ook nooit omgezet in kernhout. Deze bomen worden spinthoutbomen genoemd. Dit heeft tot gevolg dat het centrum van de stam vochtig blijft en dat er ook daar nog levende cellen kunnen worden aangetroffen. Het centrum van de stam verschilt niet in kleur en de natuurlijke duurzaamheid is er evenmin groter. Deze bomen zijn dan ook relatief slecht beschermd tegen hout- aantastende organismen. Alle wilgen, populieren, berken, esdoorns enelzen zijn spinthoutbomen. Naar boven
Stengel en stam
1. eindknop,2. okselknop, 3.knoop 4. tussenknoopstuk, 5. lid
Bladeren
Een blad bestaat uit de bladschijf, de bladsteel en de meestal bredere, vaak schutblaadjes dragende voet van de plantsteel. Steel en voet kunnen bij zogenaamde zittende bladeren ontbreken. De voet kan ook de vorm van een bladschede hebben die de stengel omvat. De bladschijf wordt door bladnerven doorsneden, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen bladeren met streep- of parallelnerven en bladeren met netvormige nerven. Verder is ook de bladstand van belang: bij paarsgewijs tegenover elkaar geplaatste bladerenheten tegenoverstaande bladeren. Als blaadjes apart in verschillende richtingen aan de stengel zitten worden zeafwisselende bladeren genoemd.Grondstandige bladeren vormen aan de basis samen een rozet. De benamingen van de verschillende bladvormen, bladranden en -nervenzijn op onderstaandeafbeeldingen te zien. bladvormen bladranden en -nerven
Bladeren
Wortels
De wortel is het ondergrondse deel van de plant. De merkwaardige vorm van wortels heeft veel planten hun naam gegeven. Naast hun taak om water en voedingszouten op te nemen en als verankeringin de grond, dienen wortels vaak ook als opslagorganen om de winter vorstvrij te overleven: ze zijn dan verdikt tot knollen of bollen. Wortels zetten zetmeel om in suiker, zodat er nieuwe groei voor de plant mogelijk wordt gemaakt. Er zijn plantensoorten zoals de boomsoorten die een sterke hoofdwortel, penwortel genoemd, maken. Andere soorten zoals grassen maken een zeer fijn vertakt oppervlakkig wortelstelsel. Weer andere soorten maken een sterk verdikte wortel, die als voedsel voor mens of dier gebruikt kunnen worden. Tweejarige plantensoorten slaan gedurende het eerste groeiseizoen reservestoffen op in de wortel(s). De bovengrondse delen sterven aan het eind van het eerste groeiseizoen vaak af. In het tweede jaar gebruikt de plant de reserve stoffen uit de wortel(s) om opnieuw uit te lopen en bloeistengels te vormen.Maar niet alle ondergrondse opslagorganen zijn wortel- vormen. Een doorlevende, ondergrondse stengel die iedere jaar weer nieuwe wortels produceert, wordt een wortelstok of rizoom genoemd. Uitlopers dienen, zowel boven- als ondergrondsvoor de ontwikkeling of voor de vermeerdering. 1. Penwortel2. Knol 3. Bol 4. Wortelstok
Wortels
Vruchten en zaden
Een vrucht is het rijp geworden vruchtbeginsel van een bloem en bevat in het algemeen de zaden. Vruchten zijn droog (noot,peul, huls, dop en kapsel) ofvlezig (pitvrucht, bes). Veel vruchten hebben hun vormen aangepast aan de verspreiding door zoogdieren, de wind, vogels, aanhangsels van de vrucht, het water of door verspreiding van de plant zelf.Vogels eten vooral besvruchten, maar ook zijn er vogels die noten kunnen kraken of in vlezige vruchten pikken, zoals in appels. De bessenworden meestal in hun geheel doorgeslikt en de zaden worden op deze manier met de uitwerpselen verspreid. Er zijn zelfs zaden die pas kunnen kiemen als ze door een vogelmaag gegaan zijn. Zoogdieren, zoals een eekhoorn, leggen wintervoorraden aan, die ze niet allemaal kunnen terugvinden. Aanhangsels aan de vrucht, zoals bij kleefkruid, zorgen ervoor dat de vruchten aan dieren en aan kleding blijven kleven en zo over grote afstand verspreid worden. Voor de verspreiding door de wind zitten aan sommige vruchten allerlei aanhangsels, zoals vruchtpluis bij de paardebloem, vleugels bij de esdoorn. Sommige zaden kunnen makkelijk op water blijven drijven door luchtholten in de wand of een waterdichte wand en kunnen langs oevers tot ontkieming komen. Bij overstromingen komen de zaden verder landinwaarts terecht. Ook kan de verspreiding gebeuren alsregendruppels erop vallen. Ook zijn er planten diezelf voor de verspreiding zorgen. Bij sommige planten springen namelijk de zaaddozen bij aanraking open, zodat de zaden weggeschoten worden.
Vruchten en zaden
Aardbei
De bosaardbei (Fragaria vesca) werd al in de bronstijd door mensen gebruikt. Deze plant heeft kleine witte bloemen met 5 rondachtige kroonblaadjes rond diepgele meeldraden. De gedeelde drievoudige bladeren zijn glanzend en hebben een gezaagde rand. De onderkant zijn de bladeren zijdeachtig behaard. De vruchten zijn eigenlijk schijn- vruchten en verspreiden een zoetige geur. De bosaardbei groeit vooral in bosgebieden en aan bosranden, meestal op enigszins vochtige zandgrond in gefilterd zonlicht. De plant vormt uitlopers, waaraan weer planten gevormd worden. Ook deze planten kunnen weer uitlopers vormen. Toepassingen De kleine vruchten hebben een frisse smaak die ze geschikt maakt voor salades, siroop, vruchtensapen jam. De vruchten kunnen worden gebruikt om tanden schoon te maken. De bladeren zijn geschikt voor toevoeging aan salades. Gebruik zowel gedroogde als verse bladeren om eentheeaftreksel van te zetten. De wortel kan als een vervanger van koffieworden gebruikt. Geneeskrachtige toepassingen De vruchten en de bladeren stimuleren de urineafdrijving. De vruchten moeten goed fijn worden gekauwd zodat het goed vermengd wordt met speeksel. Hierdoor worden ook de tanden mooi en helder. Vruchten en bladeren samen gebruikt voorkomt overmatig zweten en onregelmatigheden bij de menstruatie. Een aftreksel van het blad helpt ook verzachtend bij eczeem en pijnlijke ogen.
Aardbei
Adderwortel
Adderwortel (Persicaria bistorta) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 100 cm hoog. De naam is afgeleid van de slangachtige wortel. Adderwortel begint met een wortelrozet en heeft een rechtopstaande stengel met een aarvormige bloeiwijze. Hierbij komen de mannelijke en vrouwelijke bloemen aan één stengel voor. De rechtopstaande stengels zijn niet vertakt en vormen vaak dichte groepen. De kruipende, gekronkelde en zwarte wortelstok wordt tot 1½ cm dik. De plant vormt uitlopers. De uit een wortelrozet ontspringende bladeren zijn 10 tot 20 cm lang, eirond-driehoekig en hebben een lange gevleugelde steel. De bovenste stengelbladeren zijn smaller, langwerpig-driehoekig en hebben een korte steel of geen steel en omvatten dan de stengel.De bloemen vormen samen 1 dichtbloemige schijnaar van 1 tot 2 cm breedte. De 5 bloemdekbladen zijn lichtroze en 4 tot 5 mm lang. De bloeitijd loopt van mei tot augustus. Adderwortel groeit het liefst op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, matig voedselrijke tot voedselrijke grond in o.a. loofbossen, aan slootkanten en bermen, langs beken en riviertjes. Toepassingen De bladeren hebben een vrij milde smaak, met name de jonge bladeren, en kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze vormen een goede vervanging van spinazie. De bladeren zijn in de meeste jaren te vinden vanaf laat-winter en kunnen worden gegeten tot begin de herfstperiode omdat ze naar gelang het seizoen taaier worden. De bladeren zijn een goede bron van Vitamine A en C. De wortels kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze zijn rijk aan zetmeel en tannine en om de tanninegehalte te verminderen moeten de wortels in water worden geweekt en dan worden geroosterd. Vanwege de hoge gehalte aan tannine werd adderwortel gebruikt bij het leerlooien. De wortels vormen een smakelijke en voedzame voedselbron. Ze kunnen ook worden gekookt of worden gebruikt in soepen en stoofpotten en kan worden gedroogd om dan te worden vermalen tot een poeder om er brood van te bakken. De wortel kan worden gebruikt als wondkruid. Het moet in de vroege lenteperiode worden verzameld voordat de bladeren beginnen uit te schieten en dan worden gedroogd. Het kan worden gebruikt om wonden en kleine brandwonden uit te spoelen. Tevens helpt een aftreksel van de wortel tegen diarree. Daarbij moet de wortel (40 gr.) een half uur in een liter water worden gekookt, worden gezeefd en dan verdeeld over de dag worden gedronken. De bladeren vormen een bloedstelpend middel. Geneeskrachtige toepassingen De wortel kan worden gebruikt als wondkruid. Het moet in de vroege lenteperiode worden verzameld voordat de bladeren beginnen uit te schieten en dan worden gedroogd. Het kan worden gebruikt om wonden en kleine brandwonden uit te spoelen. Tevens helpt een aftreksel van de wortel tegen diarree. Daarbij moet de wortel (40 gr.) een half uur in een liter water worden gekookt, worden gezeefd en dan verdeeld over de dag worden gedronken. De bladeren vormen een bloedstelpend middel. Naar boven
Adderwortel
Andoorn
De moerasandoorn (Stachys palustris) is een vaste (overblijvende) plant en wordt 40 tot 120 cm. De moerasandoorn geeft een onaangename geur af bij kneuzing. De plant verspreidt zich met dunne wortelstokken waar aan het eind witte knolletjes zitten. De behaarde, holle en rechtopstaande stengel is vierkantig. De 3 tot 12 cm lange, sterk behaarde, getande bladeren zijn lancetvormig tot langwerpig-ovaal en heeft een zwak hartvormige voet. De bladeren zijn tegenover- staand en de bovenste zittend. De plant heeft 1,4 tot 1,8 cm lange, purperen bloemen, waarvan de onderlip vaak roodachtig gevlekt is. Soms komen bijde moerandoorn ook planten witte bloemen voor. De bloemen hebben een zwak aromatische geur en staan met vier tot tien stuks in een schijnkrans. De bloeitijd is van juli tot oktober. De glimmende, donkerbruine vruchten zijn nootjes en ongeveer 2,5 mm lang. De moerasandoorn groeit op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte, voedselrijke grond en komt o.a. voor in moerasbossen, bermen, ruig drassig grasland, aan oevers en op drooggevallen plaatsen. Toepassingen De knolletjes kunnen rauw of gekookt worden gegeten en hebben een milde, nootachtige smaak. De knolletjes kunnen worden gedroogd en tot poeder worden vermalen om onder andere brood mee te bakken. De knolletjes worden in de herfst gevormd. Alhoewel ze klein zijn, zijn ze tamelijk glad en worden in redelijke hoeveelheden geproduceerd. De jonge scheuten moeten worden gekookt. Geneeskrachtige toepassingen De plant heeft een wondhelende en antiseptische werking bij externe en interne bloedingen. De bladeren met hun lange, witte zijdeachtige haren kunnen worden gebruikt om wonden te bedekken. Uitgeperste sap kan worden gebruikt bij het stelpen van bloeidingen en een aftreksel van de plant bij interne bloedingen. Ook kan de plant gebruikt worden bij krampen en pijn in de gewrichten. Bij kneuzingen kan van de wortel een kompres worden gemaakt.Andoorn moet voor de bloeiperiode van de bloemen worden verzameld en kan voor later gebruik dan worden gedroogd. Naar boven
Andoorn
Barbarakruid
Gewoon barbarakruid (Barbarea vulgaris) is een twee jarige plant en wordt 20 tot 90 cm groot. De gesteelde wortelbladeren hebben aan beide kanten 2 tot 5 eivormig en langwerpige blaadjes en een groot, rondachtig topblaadje. De bovenste stengelbladeren zijn niet gesteeld. Deze zijn bochtig ingesneden en hebben geen of 1 paar zijslippen. De gele kroonbladen van de bloemen zijn van 5 tot 7 mm groot en groeien in trossen. De kelkbladen zijn kaal. De kroonbladen zijn dubbel zo lang als de kelk- bladen. De bloeitijd is in april, mei en juni. Barbarakruid groeit het liefst op zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige grond zoals in bermen, heggen,duinenengrasland en langs oevers en spoorwegen. ToepassingenDe jonge bladeren worden gekookt als spinazie of worden fijngehakt aan salades toegevoegd. De oudere bladeren worden gebruikt als een kruid, maar zijn erg sterk van smaak. Daarom worden ze eerst even gekookt om de sterkte eraf te halen. De bladeren zijn het hele jaar te verzamelen. Jonge bloemstengels kunnen voordat de bloemen uit zijn gekomen worden verzameld.
Barbarakruid
Berenklauw
De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) is een 90 tot 150 cm vaste plant en behoort tot de schermbloemenfamilie. De krachtige, holle stengels van dezeplant worden een duim dik en manshoog en zijn kantig, duidelijk gegroefd en stijf borstelharig. De enkelgeveerde bladeren worden 20 tot 50 cm lang. De wortelbladeren zijn langwerpig, diep gelobd of grof getand en de bovenste bladeren hebben een sterk opgeblazen bladsteel. De bloemschermen zijn tot 20 cm breed met witte bloemen in schermen van 12 tot 45 stralen. De berenklauw bloeit van juli tot oktober. De wortel is een penwortel. De gewone berenklauw komt voor op zonnige en halfschaduwachtige plaatsen en bloeit op matig droge tot vochtige grond. De plant groeit op grasland, in bossen en in onkruidvegetaties. Toepassingen De jonge plant is nog niet giftig. De jonge bladeren en loten kunnen, voordat de bladeren zich helemaal hebben ontvouwen, in het voorjaar worden geplukt en als groente worden gekookt of worden toegevoegd aan soepen. De 15 tot 20 cm lange, jonge stengels kunnen alsgroente worden gegeten of worden toegevoegd aan soepen. De stengels moeten geplukt worden voordat het blad zich gaat ontvouwen. Oudere stengels kunnen geschildworden gegeten. De bladstengels worden in de zon te drogen gelegd totdat ze geel zijn gekleurd. Op de stengels van de bloemschermenvormen zich dan suikerachtige, witte kristallen. Let op!!Bij sommige mensen kunnen op de huiddelen die in contact zijn geweest met het sap en die blootgesteld zijn aan zonlicht rode jeukende vlekken verschijnen; gevolgd worden door zwelling en blaarvorming. Hetlijken brandwonden en het kan twee weken duren voordat het genezen is.Wanneer het sap in de ogen komt, kan dit tot blindheid leiden. Als voorzorgs- maatregel moet dus elk contact met het plantensap vermeden worden. Als dit toch gebeurd is, moet het sap zo snel mogelijk worden afgespoeld enblootstelling aan zonlicht van de huiddelenworden vermeden. Naar boven
Berenklauw
Beemdgras
Ruw beemdgras of ruwbeemd (Poa trivialis) is een overblijvende plant en wordt 40 tot 100 cm hoog. De ruw aanvoelende bladeren zijn donkergroen metvaak een purperen waas en hebben een glanzende onderkant. Ze kunnen tot 20 cm lang worden en zijn naar de top toe smaller. De ruwe bladscheden zijn iets samengedrukt. Het tongetje is 5-10 mm lang en heeft een spitse top. Ruw beemdgras bloeit van mei tot juli met een pluim. De aartjes zijn eivormig en maximaal 4 mm lang. Elk aartje bevat twee tot vijf bloempjes. Ze zijn groen en hebben net als bladeren vaak een purperen waas over zich. De vrucht is een graanvrucht. Deze soort groeit op allerlei plaatsen, vooral op vochtige tot natte grond en is o.a. te vinden aan oevers, in graslanden, wegbermen, duinen, moerassen, rietland, struikgewas, bossen en langs bosranden en -paden. ToepassingenDe vruchten kunnen van juli tot en met september tot meel worden gemalen.
Beemdgras
Bernagie
Bernagie (Borago officinalis) is een ruwharige eenjarige plant en wordt 45 tot 90 cm hoog. De dikke stengels zijn vertakt en hol. De bladeren zijn 7 tot 20 cm lang en puntig ovaal van vorm. De onderste bladeren zijn meer eirond en gesteeld en de bovenste meer langwerpig en stengelom- vattend. Alle onderdelen van de plant (stengels, bladeren,en bloemknoppen) zijn bedekt met korte haren. Voor de bladeren geldt dit voor zowel de boven- als onderzijde. De bloeitijd valt vanaf mei of juni tot de herfst. De bloemen zijn felblauw met een witte hart bestaande uit fijne kroonblaadjes en zwarte helmknoppen. De kelk is 0,5 tot 2 cm lang. De hangende bloemen staan aan het eind van de stengel. De kelkbladen zijn 0,5 tot 1,5 cm lang en puntig van vorm. Bernagie groeit op vochtige,voedselrijke bodem. ToepassingenDe jonge bladeren kunnen worden toegevoegd aan salades of als spinazie gegeten. Hij heeft een zoutige, komkommerachtige smaak. Vanwege de haren kunnen de bladeren beter fijn worden gesneden. De bloemen hebben een zoete smaak. Van zowel de bladeren als de bloemen kan thee worden gemaakt. De stengels produceren zout wanneer ze worden gekookt. Geneeskrachtigetoepassingen Een aftreksel van de bladeren en de bloemen werkt vochtafdrijvend, koortswerend en bevorderen het zweten en is daarom goed bij verkoudheid en griep. De bladeren moeten in de late lenteperiode en zomer worden verzameld zodra de bloemen beginnen te verschijnen. Ze kunnen worden gedroogd, maar moeten iet langer dan een jaar worden bewaard, omdat dan de medicinale werking verminderd. Een aftreksel helpt ook bij uitwendig gebruik tegen stramme spieren en stijfheid. Naar boven
Bernagie
Bies
Bies (Cyperaceae) of biezen is een dun, hoogopgroeiend oevergewas en groeit in ondiep water en vochtige bodems. Bies is herkenbaar aan zijn lange rondestengels. De stengels zijn lichtgrijs tot groen en redelijke zacht. De hoogte varieert van 30 cm tot wel 4 meter. Bij veel soorten is de stengel het duidelijkst aanwezig en vaak met alleen smalle, nauwelijks ontwikkelde bladeren aan de basis van de plant. De bladeren zijn slank en V-vormig. Bies heeft een pluim bestaande uit 3 of meer aren. De kleine bloemen verschijnen in aren net onder de top van de stengels en lijken op oranje- bruine schubben. De plant verspreidt zich door middel van stevige wortelstokken en lange, dikke, bruine ondergrondse stengels waarbij op de knopen een nieuwe plant ontstaat. De binnenkant van elke stengel bestaat uit sponsachtig materiaal met luchtcellen. Het mergachtige binnenkant maakt dat bies een bruikbaar materiaal is. Hierdoor is het flexibel en een slechte geleider van warmte. Door het laatste is bies goed te gebruiken als isolatiemateriaal, omdat het de lichaams-warmte nauwelijks opneemt. Toepassingen Bies kan voor verschillende doeleinden worden gebruikt, zoals voor het maken van touw, onderkomens, manden, boten of kano’s, lokvogels. Repen bies kunnentot een cape, schoenen of beenbeschermers worden gevlochten, zodat dit bescherming biedt tegenguur weer. Bies lijkt wat betreft eetbaarheid op de lisdodde, maar smaakt zoeter. De in de lente opkomende scheuten kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Het stuifmeel kan als bloem worden gebruikt bij het maken van brood, pap of pannenkoeken. Later in het seizoen kunnen de zaden worden verzameld door ze van de plant af te slaan en op te vangen in manden. Daarna kunnen ze tot meel worden gemalen. Hetzelfde geldt voor de ondergrondse stengels. Door ze te drogen kunnen ze tot meel worden gemalen, maar ze kunnen ook rauw of gekookt gegeten worden. Naar boven
Bies
Bieslook
Wilde bieslook is een overblijvende plant en wordt 15 tot 50 cm hoog. De rechtopstaande stengels zijn hol en rolrond. Ze dragen geen bladeren. De plant vormt dichte, grasachtige pollen. De plant zorgt voor een voedselvoorraad onder de grond die de winter overleeft, zodat deze in de lente heel snel op kan komen en kunnen bloeien en zaad produceren. Iedere 'bol' vormt een nieuwe bol, maar dikwijls ook meerdere broedbollen aan de wortels. De smal klokvormige bloemen vormen samen een dicht, bol scherm. Ze zijn roze of lila met donkerder middennerven en 0,7 tot 1,5 cm groot. De meeldraden zijn korter dan de bloemdek- bladeren. De helmdraden zijn priemvormig en niet getand. De plant bloeit in juni en juli. Wilde bieslook groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige grond en komt o.a. voor in rivierduinen, bij rotsachtige plaatsen en zandige uiterwaarden. Toepassingen De stengels kunnen rauw, gekookt of gedroogd worden gebruikt. De stengels hebben een mild uienachtige smaak en vormen een uitstekende toevoeging aan salades of als smaakversterker in soepen. De stengels zijn vanaf de late winterperiode verkrijgbaar en kan tot vroege winterperiode van het volgende jaar stengels blijven produceren. Vooral de jonge, dunne stengels moeten worden gebruikt, omdat de dikkere stengels de neiging hebben om taai te worden. De bollen zouden een hallucinerende werking hebben.
Bieslook
Biggenkruid
Gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata) wordt 20-60 cm hoog. De plant heeft vertakte, onbehaarde stengels die met melksap gevuld zijn. De bladeren vormen een breed langwerpig bladrozet, welke getand kunnen zijn of afgeronde insnijdingen hebben en zijn meestal ruwbehaard. De eindlob is afgerond. Het is een plant die ook in de winter groen blijft. De bloemen zijn geel. Er zijn alleen lintbloemen. De bloemkroon is namelijk vergroeid tot een enkel bloemblad, waarvan de oorspronkelijke vijf bladen nog te herkennen zijn aan de tandjes aan het uiteinde ervan. De buitenste lintbloemen zijn groen of grijs aan de onderzijde. Het schotelvormig of bolvormig hoofdje heeft een doorsnede van 2,5 tot 4 cm. Het hoofdje zit op een kale, bovenaan vertakte stengel met kleine schutblaadjes. De bloeiperiode loopt van juni tot september. Biggenkruid komt algemeen voor op open zandgrond, in grasland, langs wegen en in de duinen. De soort groeit op allerlei grazige plaatsen. Toepassingen De bladeren kunnen gekookt gegeten worden of rauw worden toegevoegd aan salades en soepen. Biggenkruid vormt een belangrijke bron van vitamine C.
Biggenkruid
Boerenwormkruid
Boerenwormkruid (Tanacetum vulg) is een overblijvende plant en wordt 60 tot 120 cm hoog. De plant heeft een kantige donkerbruin gekleurde stengel die alleen in de bloeiwijze is vertakt. De donker- groene bladeren zijn afgebroken geveerd met naar de top van het blad veerdelig en bezet met klierharen. Bij het aanraken van het blad zorgen deze klierharen vooreen wat onaangename geur. De bovenste bladeren zijn niet gesteeld. Boerenwormkruid bloeit met platte schermen, die uit tientallen individuele bloemhoofdjes bestaan. De buisbloempjes staan in schijnschermen zeer dicht opeen en geven het scherm stevigheid. De hoofdbloei valt in de periode juni tot en met augustus en de nabloei kan tot aan de herfst aanhouden. De plant groeit op zonnige, zelden licht beschaduwde plaatsen op droge tot vochtige grond en komt o.a. voor in bermen, ruigten en loofbossen, langs dijken en oevers, en op rivier- en beekoeverwallen. Toepassingen De bladeren kunnen in kleine hoeveelheden aan salades of in groenkoeken en ovenkoeken worden toegevoegd. Boerenwormkruid wordt ook gebruikt als kruid. Van de bladeren, bloemen en bloemstengels kan een wat bitter smakende thee worden gezet. Geneeskrachtigetoepassingen Boerenwormkruid werd inwendig gebruikt als een antiwormmiddel bij het verdrijven van wormen uit de darmen, maar moet voorzichtig en in kleine hoeveelheden worden gebruikt. De essentiële olie in de bladeren is namelijk giftig en kan daarom bij inwendig en uitwendig gebruik dodelijk zijn.Boerenwormkruid werd uitwendig gebruikt bij zwellingen door van de bladeren en bloemen een papje te maken. Boerenwormkruid werd ook uitwendig gebruikt tegen vlooien, luizen en schurft. De bloemen van deze plant moet voordat het in bloei komt worden verzameld en kan dan voor later gebruik worden gedroogd. Let op!!! De plant mag niet door zwangere vrouwen worden gebruikt, omdat het gebruik hiervan kan leiden tot zwangerschapsonderbreking. Naar boven
Boerenwormkruid
Brandnetel
Brandnetels hebben brandharen aan de stengel en aan de onderzijde van het blad. In de buurt van brandnetels groeit meestal zuring, weegbree, dovenetel of hondsdraf, waarvan het sap helpt om het branderige gevoel te verzachten. De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan ijzer, vitamine A en C,en mineralen. Grote brandnetel (Urtica dioica) Dit is een overblijvende vaste plant met wortelstokken en een lengte van 30 tot 150 cm. Soms zelfs tot een hoogte van tot 2,5 m. De kruipende wortelstok is rond en de stengel vierkant en evenals de bladeren bezet met brandharen. De planten zijn meestal tweehuizig en hebben dus vrouwelijke of mannelijke bloemen. De bloemtrossen van de grote brandnetel hangen in okselstandige aren. De brandnetel is een windbestuiver. De bloeiwijze van de mannelijkeen vrouwelijke plant verschillen van elkaar. De mannelijke planten hebben kortere zijtakken dan de vrouwelijke planten. De zijtakken van de vrouwelijke planten gaan na de bevruchting enigszins hangen. De bloei is van juni tot de herfst. Op de plant komen zowel gewone als brandharen voor. De grote brandnetel komt voor op stikstofrijke, humushoudende grond en vaak op halfbeschaduwde plaatsen. Kleine brandnetel (Urtica urens) De kleine brandnetel is een eenjarige plant met een geel-witte penwortel en wordt maximaal 50 cm hoog. De bladeren zijn dun en diep ingezaagd. De planten zijn eenhuizig. De bloemtrosjes in de oksels van de bladeren, met vrouwelijke en mannelijke bloemen, staan voor het grootste deel rechtop of schuin uit. Bloei van mei tot de herfst. Op de plant komenalleen brandharen voor. De kleine brandnetel komt voor op akkerland en op opengewerkte grond in de duinen. Toepassingen De jonge brandnetelstengels en -bladeren van de grote brandnetel kunnen als een soort spinazie gegeten worden.De lange stengels smaken het beste in het voorjaar. Zeer jonge stengels kunnen als sla gegeten worden. Ook kan van brandnetels soep gemaakt worden. Verpak vis en vlees in brandnetelbladeren om ze langer fris te houden. Uit de stengel van de grote brandnetel worden vezels gewonnen en verwerkt tot touw en neteldoek (zeef). Geneeskrachtige toepassingen Door bladeren en stengels in water te weken komt er een geur vrij die uitstekend geschikt is voor de bestrijding van luizen. Verder helpt het sap tegen allerlei haarproblemen, zoals roos, door het in de hoofdhuid te masseren. Gekneusde bladeren kunnen als een kompres worden aangebracht ter verlichting van brandwonden en wonden. De bladeren kunnen als gorgeldrank ter verzachting van kiespijn. De plant kan voor medische doeleinden het beste in mei of juni worden verzameld wanneer de bloei aanbreekt en kan dan worden gedroogd. De wortels zijn optimaal in juni en juli. Naar boven
Brandnetel
Bronkruid
Bronkruid (Montia fontana). Bronkruid is een eenjarige plant op het land of eenjarig of overblijvend in het water. Een kleine soort wordt 5 tot 15 cm (Kleine bronkruid) hoog en een grote soort 10 tot 40 cm (Groot bronkruid). De slappe, sterk vertakte stengels zijn vaak rood aangelopen en ook iets doorschijnend. Meestal zijn de stengels liggend, maar kunnen soms opstijgend zijn of zwevend in het water. De smalle, tegenoverstaande bladeren zijn iets vlezig, spatel- tot lijnvormig en hebben een lengte 0,5 tot 1,5 cm. De bloemen groeien in kleine losse kluwens van 2 tot 5 bloemen. Ze zijn wit, 1 tot 2 mm groot en trechtervormig. De buis is aan 1 kant open. De zoom heeft 3 kleine en 2 grote slippen. Elke bloem heeft 3 meeldraden. De blijvende kelk bestaat uit 2 bladen. De bloeitijd is tussen april en september. Bronkruid groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, open plaatsen op natte tot vochtige grond. Groot bronkruid groeit daarnaast ook in stilstaand of zwak stromend water. ToepassingenDe bladeren kunnen aan een salade worden toegevoegd. De bladeren kunnen in de zomer bitter worden en dan vooral als de plant op een hete, droge plek groeit.
Bronkruid
Cichorei
Wilde cichorei (Cichorium intybus) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 120 cm hoog. De rechtopstaande, gegroefde en dofgroen gekleurde stengel is vertakt en vaak ruw behaard. Het blad is diep gelobd met een golvende, getande rand. De stengelbladeren zijn minder ingesneden. De bladeren zijn aan de onderkant borstelig behaard.De helderblauwe bloemhoofdjes groeien in kleine bijschermen in de bovenste bladoksels. De bloeiperiode loopt van juli tot augustus. De wilde cichorei groeit op zonnige plaatsen op matig droge tot vochtige grond en is te vinden in weilanden, uiterwaarden,rivierdijken, ruige grazige begroeiingen en langs akkers. Toepassingen De bladeren en de kroon aan de worteltop moeten al vroeg in het voorjaar geplukt worden, want ze worden heel snel bitter. De jonge bladeren kunnen worden gekookt als groente of versnipperd worden toegevoegd aan salades. Door de bladeren te blancheren wordt de bittere smaak minder. Bloemen kunnen aan salades worden toegevoegd, Jonge wortels kunnen als groente worden gekookt of gedroogd, geroosterd en gemalen en gebruikt als vervanging voor koffie. De wortels worden gebruikt om soepen, sauzen en jus te kruiden. Van de wortels kan siroop worden gemaakt.
Cichorei
Citroenmelisse
Citroenmelisse (Melissa officinalis) is een overblijvende plant die naar citroen ruikt. Hij wordt 40 tot 90 cm hoog. De rechtopstaande stengels zijn vierkant, lichtgroen en vertakt. De geelgroene, naar citroen geurende bladeren zijn gesteeld, eirond tot ruitvormig, gekarteld of diep getand en aan de voet afgeknot of min of meer hartvormig. De bloemen staan in schijnkransen in bebladerde, armbloemige aren. De naaréén kant gekeerde bloemen zijn wittig of bleekgeel en vaak roze aangelopen. Ze zijn 0,8 tot 1,5 cm groot. Bloeitijd is van juli tot en met september. Citroenmelisse groeit meestal op licht beschaduwde, soms zonnige plaatsen op vochthoudende, matig voedselrijke grond. Toepassingen Citroenmelisse is eenkruid o.a. bij visgerechten, soepen en sauzen. Geneeskrachtige toepassingen Citroenmelisse is een prima middel tegen het verjagen van steekmuggen. Verse bladeren kunnen op insectenbeten en zweren worden gelegd of er kan eerst een papje worden gemaakt. Een aftreksel van zowel gedroogde als versebladeren kan als thee worden gebruiken voor verlichting bij kou met koorts, hoofdpijn en om spanningen wat te verminderen. Citroenmelisse heeft een kalmerende effect op het zenuwstelsel en helpt bij onrust als gevolg van slapeloosheid en bij andere aandoeningen van het zenuwstelsel. De olie van de plant is een krachtige bacterieremmer en vormt daardoor een uitstekende rottingswerende wond- verband. Een thee geeft een ontspannen gevoel. Citroenmelisse helpt bij een moeilijke spijsvertering, het werkt krampstillend op de maag en de darmen. Een aftreksel van de hele plant helpt tegen koorts en misselijkheid. De plant moet voor de bloeitijd worden verzameld, van begin juni tot het einde van de zomer. Naar boven
Citroenmelisse
Distel
De distel is een stekelige plant met bloemen in hoofdjes en omgeven door puntige omwindsel-blaadjes. De kleur is meestal rood tot paars, maar soms lila of wit. De vruchtjes aan de top zijn voorzien van vruchtpluis (distelpluis). Het is een tweejarige plant. In het eerste jaar vormen zich de wortel en het bladrozet. In het tweede jaar ontwikkelen zich de bloemen en vruchten. De naam distel is een verzamelnaam van verschillende geslachten, zoals distels van het geslacht Carduus en vederdistels van het geslacht Cirsium. Ze onderscheiden zich doordat de haren van de distels getand en enkelvoudig zijn en bij de vederdistel zijn ze geveerd. De akkerdistel en speerdistel zijn twee voorbeelden van het geslacht vederdistel. Toepassingen akker- en speerdistel De stengels bevatten veel vocht en door te kauwen komt dit vocht vrij. Nadat de stekels zijn verwijderd kunnen de jonge bladeren en stengels rauw of gekookt worden gegeten. Schil wortels die in het eerste jaar worden gevormdwaarna zeworden gekookt of gebakken. Na het koken kunnen de wortels ook tot meel worden gemalen. De vezels van de plant kunnen tottouw worden gemaakt. De Akkerdistel (Cirsium arvense) is nauwelijks vertakt en de stengel kan een hoogte bereiken van 60 tot 150 cm. De stengel groeit vanuit een wortelstok. De bladeren zijn aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant zilverig wit. Aan de boven- zijde zijn ze kaal en glanzend. De stekelige, lancetvormige bladeren zijn vaak veerspletig, plat en ongelijk verdeeld. De plant heeft meestal meer dan 4 bloemhoofdjes. De bloemhoofdjes zijn langgesteeld in schermvormige pluimen. De bloemhoofdjes bloeien in een lichtpaarse, soms bijna witte kleur van juni tot en met september. De bloemen zijn alleenstaand of vormen pluimen met een scherm van 2 tot 5 bloemen. De plant is vaak tweehuizig, waarbij de mannelijke bloemhoofdjes iets groter zijn dan de vrouwelijke bloemhoofdjes. De Akkerdistel heeft ver kruipend, sterk vertakte wortels, welke soms tot 2 meter diep zitten. Uit ondergrondse stengels (rizomen) kunnen weer een plant worden gevormd.De akkerdistel komt voor op zonnige, open plaatsen met droge of vochtige, zeer voedselrijke grond. De Speerdistel (Cirsium vulgare syn. Cirsium lanceolatum) is een plant uit het geslacht vederdistel. De grijsgroene, vaak struikachtig vertakte plant kan tot 150 cm hoog worden. De langwerpige bladeren zijn aan de onderkant grijsviltig en van boven dofgroen. Ze zijn wat ruw door de fijne stekeltjes en lopen uit in lange gele stekels. De plant bloeit met grote distel- koppen die onder de paarse bloempjes zijn ingesnoerd. De bloemen staan alleen of met 2 of 3 bij elkaar en hebben een doorsnede van 2 tot 5 cm.De bloei duurt van juni tot eind september. De speerdistel heeft van de distels de scherpste en grootste stekels. De bloemen zijn omgeven door puntigeomwindselblaadjes. De vruchtjes zijn aan de top voorzien van geveerd vruchtpluis (distelpluis). Het is een tweejarige plant; in het eerste jaar vormen zich de wortel en het bladrozet enin het tweede jaar ontwikkelen zich de bloemen en vruchten. Net als de akkerdistel heeft de speerdistel ver kruipend, sterk vertakte wortels. Uit ondergrondse stengels (rizomen) kunnen weer een plant worden gevormd. De speerdistel komt voor op zonnige open plaatsen op matig droge tot vochtige grond, zoals in duinen en bossen, op grasland en aan oevers. Ook komen ze voor aan de natte randen van ruig rietland, bij ruige bermen en op zandruggen in uiterwaarden. Naar boven
Distel
Dovenetel
Dovenetel De Witte dovenetel (Lamium album) wordt 30 of 40 cm hoog, maar dit is afhankelijk van seizoen, standplaats en klimaat kan tot anderhalve meter hoog worden. Deze plant heeft een vierkante, holle stengel. De bladeren zijn paarsgewijs tegenoverstaand. Aan de voet van de steel zijn de bladeren hartvormig, aan de top meer langwerpig. De bladeren en stengels lijken sterk op die van de brandnetel, maar hebben geen netels met mierenzuur. Het meest opvallende kenmerk van de plant zijn de witte, soms geel aanlopende bloemen. Deze ontspringen in het bovenste deel van de plant rondom de plaats waar de bladeren uit de stengel komen. Zo'n krans bestaat uit 8 of meer lipvormige bloemen, elk zo'n 2 tot 4 cm groot. De bloeitijd is van mei tot augustus. Het zaad wordt door mieren verspreid. De plant groeit o.a. langs wegbermen, dijken en bosranden. Toepassingen De rijpe bloemen van de witte dovenetel laten makkelijk los van de plant, waarna de nectar er makkelijk uit te zuigen is. De bloemen van alle soorten zijn eetbaar.De jonge blaadjes van alle soorten zijn geschikt voor salade, in de soep, of kunnenkort worden gekookt. Van het gedroogde blad en van de bloemkan theeworden gezet.Een aftreksel van bloemen en scheuten helpt bij het schoonmaken van huiduitslag/zweren/wonden. Geneeskrachtige toepassingen Een aftreksel van bloemen en scheuten helpt bij het schoonmaken van huiduitslag/zweren/wonden en bij menstruatieproblemen. De paarse dovenetel (Lamium purpureum) is een 5 tot 30 cm hoge, een- of tweejarige plant die opvalt door de kleine, 1-2 cm grote paars/roze bloemetjes. Ook de bovenste delen van de duidelijk vierkante stengel kan paars kleuren. De lichtgroene bladeren zijn ongeveer driehoekig van vorm en staan in paren kruisgewijs tegenover elkaar. De bladeren zijn behaard. De plant bloeit al zeer vroeg, vanaf februari tot mei en nogmaals in september tot oktober. Ze groeit met voorkeur op beschaduwde plaatsen en een vochtige grond.De plant vormt vaak dicht opeengedrongen groepen waar elke ander vegetatie wordt uitgesloten. De gevlekte dovenetel (Lamium maculatum L.) is een 20 tot 80 cm hoge, vaste plant. De plant heeft 2-3 cm grote roze gekleurde bloemen en zijn dus groter dan die van de paarse dovenetel. De 'vlek' in de naam slaat op de zilverkleurig / grijze streep langs de hoofdnerf van het blad.De bloeitijd is van april tot november.De plant groeit vaak op dezelfde plaatsen als de paarse dovenetel, de witte dovenetel en de brandnetel. De plant houdt van een permanent enigszins vochtige grond.De plant vormt, net als de paarse dovenetel, vaak dicht opeengedrongen groepen. Naar boven
Dovenetel
Duizendblad
Gewoon duizendblad (Achillea millefolium) is een overblijvende of vaste plant. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De stengels en bladeren zijn behaard. De bladeren zijn vederachtig, diep ingesneden en donker grijsgroen, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat. De plant bloeit van juni tot september met kleine vaalwitte (soms roze) bloemen in enigszins platte trossen. Duizendblad is een zeer algemeen voorkomende plant op allerlei grondsoorten. De plant is in het wild te vinden langs paden en wegen en op weilanden. De plant kan goed tegen droogte.De plant vormt ondergronds wortelstokken voor de verspreiding. Toepassingen De jonge bladeren worden als spinazie klaargemaakt of in soep gedaan. Ook kunnen ze aan een salade worden toegevoegd. De bladeren zijn zoet met een iets bittere smaak. Geneeskrachtige toepassingen Van de bloemen en de bladeren kan een thee worden gezet en helpt bij spijsverteringsproblemen, het heeft een stimulerende werking op de maag bij gebrek aan eetlust en slechte vertering. Duizendblad bevordert de transpiratie. De olie uit de plant heeft een desinfecterende en ontstekingswerende werking. Duizendblad stelpt uitwendige en inwendige bloeding in de darmen, nieren, neus, longen en baarmoeder. De bladeren kunnen, nadat er op is gekauwd, op een wond worden gelegd. Ook kan een gekookt extract van de plant worden gebruikt om wonden te verzorgen. Het verse sap van de plant kan in een kompres worden aangebracht op zweren en steenpuisten. Een thee, eventueel met een gelijke hoeveelheden vlierbloesem en munt, is goed tegen griep en andere koortsen. Daarbij moet de thee goed heet en in ruime hoeveelheden worden gedronken. Een theemengsel van duizendblad, kamille en pepermunt helpt bij problemen met het maagkanaal en gal. Let op!! Bij veelvuldig gebruik kan duizendblad bij sommige mensen allergische huiduitslag veroorzaken.Deze plantlijkt op een scherm- bloemige, maar de bloemetjes staan toch ieder apart. Uit deze familie van schermbloemigen zijn er planten die op duizendblad lijken, maar zeer giftig zijn. Wees er zeker van dat hetduizendblad betreft. Naar boven
Duizendblad
Dille
Dille (Anethum graveolens) is een aromatische, eenjarige plant tot 50 cm hoog. Hij heeft meestal een enkel, holle, gegroefde, blauwgroene stengel. Hij heeft hele fijne naaldachtige bladeren. Het is een kruid met een heel verfijnde smaak. De kleine gele bloemen groeien in een eindstandig scherm. De kleine vruchtjes zijn ovaal en sterk ineengedrukt, donkerbruin met blekere vleugels. Toepassingen Jonge bladeren worden gebruikt om soepen en sauzen op smaak te brengen. De bladeren kunnen tijdens de gehele groeiperiode worden verzameld, maar het is beter om ze voor de bloei te verzamelen. Dille moet niet worden meegekookt en niet gecombineerd met andere kruiden, omdat het dan zijn smaak verliest. Dillezaad kan over salades worden gestrooid of in deegwaren worden meegebakken. Van de bladeren en de zaden kan thee worden gezet. Geneeskrachtige toepassingen Dille werkt rustgevend. Een beetje dille zaad in warm water en na een maaltijd opdrinken, maar door meer dillezaad in heet water te gebruiken werkt het als een slaapmiddel. Door bij het groen een beetje olie toe te voegen, werkt het als een heelmiddel bij slecht genezende wonden.
Dille
Daslook
Daslook (Allium ursinum) is een overblijvende plant en wordt 20 tot 40 cm hoog. De stengels zijn 3-kantig of halfrond. De planten vormen pollen en grote groepen. De wortels bestaan uit langwerpige bollen. De meestal uit tweeën bestaande ovale, wortelstandige bladeren zijn 2 tot 5 cm breed, donkergroen en parallelnervig. De bladsteel is 5 tot 15 cm lang. De bladeren verspreiden een sterke uiengeur. De zuiver witte bloemen hebben zes witte bloemdekbladen en zijn in losse bolvormige schermen gegroepeerd. De plant bloeit van april tot juni, maar soms tot juli. De plant groeit vaak in groepen en trekt door de sterke uienlucht snel de aandacht. Elke bloem heeft 6 meeldraden, die ongeveer half zo lang zijn als de bloembladen. De zaden zijn zwartbruin. Daslook groeit op beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond en is te vinden in o.a. loofbossen en struikgewas. Toepassingen De bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten en zijn vaak al vanaf eind januari te vinden. De bladeren moeten voor de bloei worden verzameld en kunnen fijngehakt in salades en in soepen worden gebruikt. De bloemen kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze zijn vaak sterker van smaak dan de bladeren en kunnen in kleine hoeveelheden aan een salade worden toegevoegd. De bloemhoofden kunnen nog worden gegeten als de zaaddozen zich gaan vormen. Als de zaden rijpen wordt de smaak nog sterker.Een bol kan rauw of gekookt worden gegeten. Een bol heeft een vrij sterke knoflooksmaak en kan, indien de plant niet uitkomt, van de vroege zomerperiode tot de vroege winterperiode worden verzameld. De bollen kunnen 4 cm lang worden en een diameter hebben van 1 cm. Geneeskrachtige toepassingen Voor medische doeleinden kunnen alle plantdelen worden gebruikt, maar een bol heeft de sterkste werking. Daslook verlicht buikpijn en is een middel bij storing van de spijsvertering. De hele plant kan worden gebruikt bij een aftreksel tegen aarswormen. Naar boven
Daslook
Engelwortel
Engelwortel (Angelica archangelica) is een twee- tot vierjarige soort, die afsterft zodra ze zaad heeft voortgebracht. Engelwortel behoorttot de schermbloemenfamilie. De stengel is fijn gegroefd, kaal en van boven vertakt. De met merg gevulde, onderaan zeer dikke stengels worden tot 2,5 m hoog. De onderste, lichtgroene bladeren zijn drievoudig geveerd en hebben een lange, ronde, holle en gegroefdesteel. De stengelbladen zijn wat minder sterk geveerd en zitten met vliezige scheden aan de stengels. De brede bladstelen zijn aan de onderkant verdikt. De reusachtige driehoekige bladeren worden meer dan 60 cm lang en zijn verdeeld in eivormige, gezaagde, 3 tot 8 cm lange blaadjes. De meestal roze bloempjesbloeien van juni tot september in schermen. De tot 20 cm grote, groenachtige en eindstandige schermen zijn samengesteld uit een aantal kleinere schermpjes. De schermen en schermpjes zijn veelstralig, met 20-40 stralen.De wortelstok is fijngeringd en raapvormig, hij is sterk gegroefd en bezet met resten van de wortelbladeren. De wortel is dik en vlezig.Het is een plant van natte, zeer voedselrijke grond aan waterkanten en rivieroevers. Toepassingen De bladeren kunnen als smaakmaker aan gemengde salades of aan soepen worden toegevoegd of samen met andere groenten worden gekookt. De stengels en bladstelen hebben een zoete smaak. De stengels moeten worden gepeld. Het beste is om de stengels in de lente te verzamelen. De wortel moet worden gekookt. Van de bladeren, de zaden en wortels kan thee worden gemaakt.
Engelwortel
Fluitenkruid
Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris) is een overblijvende planten kan 60 tot 150 cm hoog worden. Fluitenkruid behoort tot de schermbloemenfamilie endankt zijn naam aan het feit dat er een fluitjeschermen met 8 tot 15 schermstralen.De bloeiperiode loopt van april tot juni. De bloem is wit en heeft een doorsnede van 3 à 4 mm. Elk bloempje heeft een omwindsel en vijf kroonblaadjes, waarvan er twee kleiner zijn. De stengels zijn hol en gegroefd (ribben). Ze zijn bovenaan vrijwel kaal en onderaan op de ribben korte haren. De bladeren zijn dofgroen, twee- tot drievoudig geveerd en de onderzijde is zachtbehaard. De wortel is een penwortel. Fluitenkruid heeft donkerbruine, sigaarvormige vruchtjes met een korte snavel. Fluitenkruid komt voor op vochtige, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke grond en zowel op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen en groeit op ruige grasvelden, aan bosranden en in loofbossen, maar ook aan waterkanten en ruig rietland. ToepassingenDe bladeren kunnen rauw worden gegeten of als een kruid worden toegevoegd. De wortels moeten worden gekookt.
Fluitenkruid
Heemst
Heemst (Althaea officinalis) is een overblijvende plant en wordt 60 tot 150 cm hoog. De getande bladeren zijn fluweelachtig behaard en driehoekig-eirond van vorm. De stengels zijn naar boven toe niet vertakt.De witroze bloemen hebben een doorsnede 1½ tot 4 cm zijn alleenstaand of in groepjes. Heemst bloeit van juli tot september. De kelk is fluwelig behaard. De helmknoppen zijn paarachtig gekleurd. Heemst groeit opzonnige plaatsen op vochtige tot vrij natte, voedselrijke grond in o.a. rietmoerassen, poelgebieden met brak veen en langs brakke kreken. Toepassingen De bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze werden als kruid gebruikt of om soepen te verdikken. Wanneer ze in kleine hoeveelheden met andere bladeren worden gebruikt is de smaak acceptabel, maar als een groot aantal bladeren samen worden gekookt zijn ze onsmakelijk. De bladeren kunnen rauw worden gegeten, maar ondanks dat ze vezelachtig en harig zijn is de smaak mild en aangenaam. Om aan salades toe te voegen dienen de bladeren hel fijn te worden gemaakt. De wortels kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De wortel kan als groente worden gebruikt, maar kan ook tot poeder worden vermalen, tot een pasta worden gemaakt en worden geroosterd. Het water van de wortel kan worden ingekookt tot dezelfde stevigheid als eiwit. Van zowel de wortel als de bloemen kan thee worden gezet. Geneeskrachtige toepassingen De wortel heeft een pijnverzachtende en ontstekingswerende eigenschappen. Het sap wordt gebruikt tegen heesheid, zere keel, hoestenals gevolg van verkoudheid, bronchitis en ontsteking van het spijsverteringstelsel en de urinewegen. Bij uitwendig gebruik werkt een kompresvan gekookte bladeren verzachtend bij pijn en irritaties door brandwonden en ontsteking en bij huiduitslag. Een aftreksel van de gehele plant helpt bij borstklachten. Een afkooksel van de wortel helpt bij duizeligheid veroorzaakt door bloedverlies en om wonden en zweren schoon te maken. Insectenbeten verzachten door er met fijngedrukte bladeren over heen te wrijven. Een aftreksel van de bladeren ontspant en verzacht irritatie van het spijsverteringskanaal. De bladeren moeten aan het einde van de lenteperiode worden verzameld en gedroogd voordat de plant gaat bloeien. De wortel moet in zijn eerste groei-jaar in de herfst worden verzameld, dan in de lengte worden gesneden zodat het snel kan drogen. Indien goed opgeslagen behoudt de wortel zijn medicinale eigenschappen. Naar boven
Heemst
Goudsbloem
Goudsbloem (Calendula officinalis) is een eenjarige plant en wordt 30 tot 70 cm hoog. Goudsbloem heeft een dunne penwortel en een lichtgroene, rechtopstaande, brosse stengel die bovenaan vertakt is. De smalle, omgekeerd ovale bladeren zijn behaard en gaafrandig.. De gele tot geeloranje, typisch geurende margrietachtige bloemen staan in alleen- staande en eindstandige, stralende bloemhoofdjes. De binnenste buisbloemen zijn iets donkerder van kleur. De bloemhoofdjes gaan open bij zonsopgang en sluiten tegen de avond. De bloeitijd is van juni tot de eerste nachtvorst. De vrucht is een sikkelvormig nootje dat er wrattig uitziet op de rugzijde. Akkergoudsbloem (Calendula arvensis) is een eenjarige plant en wordt 10 tot 20 cm hoog. De liggende stengels zijn vertakt en de spitse, langwerpige bladeren zijn in het midden het breedst. De alleenstaande, goudgele bloemen zijn 1 tot 2 cm groot. De bloeitijd is van juni tot en met september. De buitenste nootjes zijn lijnvormig, recht of een beetje gekromd en gesnaveld. De andere nootjes zijn sterk gekromd en enigszins bootvormig. De Akkergoudsbloem groeit op zonnige, open plaatsen op matig voedselrijke, meestal omgewerkte grond. Toepassingen De jonge bladeren en de bloemen zijn eetbaar. De bladeren zijn rijk aan mineralen en vitaminen A en C, en hebben dezelfde voedzame waarde als de paardebloem. Verse bloembladeren werden fijngehakt en aan salades toegevoegd. Verse of gedroogde bloemen kunnen worden gebruikt in soepen en stoofpotten. Een thee kan van de bloembladeren en de bloemen worden gemaakt. Thee gemaakt van alleen bloembladeren is minder bitter. Geneeskrachtige toepassingen Goudsbloem wordt gebruikt tegen beten en steken van insecten, bij verstuikingen en wonden. Goudsbloem werkt wondsamentrekkend, huidherstellend en desinfecterend. De bladeren kunnen vers of gedroogd worden gebruikt en kunnen het beste vroeg in de morgen op een zonnige dag net nadat de dauw ze heeft gedroogd worden verzameld. De bloemen kunnen ook vers of gedroogd worden gebruikt. Wanneer de bloemen vol open staan kunnen ze worden verzameld en moeten dan in de schaduw worden gedroogd. Van goudsbloem- thee kan een kompres worden gemaakt ontstoken plekken en wonden op de huid. Naar boven
Goudsbloem
Herderstasje
Herderstasje (Capsella bursa-pastori.) is een één- of tweejarig plant en wordt 5 tot 60 cm hoog. Rondom de spoelvormige wortel staan de bochtig getande bladeren in een wortelrozet. De stengelbladeren zijn langwerpig. Het herderstasje bloeit van maart tot september met witte bloemen, die in een tros gegroepeerd staan. De bloemen hebben vier tot 3 mm lange witte kroonbladeren. De kelkbladeren zijn tot half zo lang als de kroonbladeren. De 6 tot 9 mm grootte vruchten heten hauwtjes en zijn omgekeerd driehoekig of hartvormig. Herderstasje groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge tot vochtige grond en is o.a te vinden op akkers en dijken en in bermen. Toepassingen Voordat de bloei zich inzet kunnen de jonge rozetblaadjes gebruikt worden in salades of worden toegevoegd aan soepen. De bladeren zijn het hele jaar te vinden, maar ze kunnen ook worden gedroogd voor later gebruik. Hele bladeren kunnen in water worden gekookt; wel moet het water een keer worden ververst. Jonge bloemknoppen kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De zaden kunnen worden gemalen en worden toegevoegd aan o.a soepen en stoofpotten. Verse of gedroogde wortels kunnen gebruikt worden als een vervanging voor gember. Geneeskrachtige toepassingen De hele plant, behalve de wortels, kan in de lente en de zomer worden verzamelden vervolgens in bundels in de schaduw te drogen worden gehangen. Herderstasje heeft een bloedstelpende werking en kan worden gebruikt als een kompres voor snijwonden en verwondingen. Naar boven
Herderstasje
Hoefblad
Het klein hoefblad (Tussilago farfara) is een circa 30 cm hoge vaste plant. Elke stengel draagt een bloemhoofdje met een doorsnee van 2-3 cm. De bladeren van deze plant verschijnen pas na de bloei. Tijdens de bloei zijn de bladeren beperkt tot korte, groene of rode schubjes langs de stengel. Na de bloei ontwikkelen deze zich tot hartvormig of ronde en getande bladeren en staan in een rozetvormige krans rond de steel. De bladeren zijn aan de onderkant viltig behaard. De bloeitijd begint gewoonlijk in maart en april, maar bij gunstig weer al in februari. De favoriete grond van het klein hoefblad bestaat uit leemachtige grond. Toepassingen De bloemknoppen en de jonge bloemen kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Door hun anijsachtige smaak geven ze een typische aromatische smaak aan salades. De jonge bladeren kunnen aan salades of soepen worden toegevoegd of als groenten worden gekookt. De bladeren hebben een bittere smaak tenzij zij na het koken worden afgespoeld. Van zowel verse als gedroogde bladeren en bloemen kan een aromatische thee worden gezet. Gedroogde en verbrande bladeren worden gebruikt ter vervanging van zout. Geneeskrachtige toepassingen Een aftreksel van de bladeren bij verkoudheid en hoest. Gekneusde blad bij kleine wonden.
Hoefblad
Honingklaver
Witte honingklaver (Melilotus alba) is een tweejarige plant en 30 tot 150 cm hoog. De stengels zijn bossig vertakt. De blaadjes zijn 3-tallig,langwerpig enscherp getand. De steunblaadjes zijn smal. De witte bloemen zitten aan 4 tot 6 cm lange bloemtrossenbestaande uit 40 tot 80 bloemen. De bloemstelen 1 tot 2 mm. De dof donkerbruine, kale peulvruchten zijn 3 tot 5 mm groot en zijn omgekeerd eivormig. De bloeitijd is van juni tot en met september. Witte honingklaver groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige tot droge grond o.a. langs akkerranden en in bermen. Toepassingen De bladeren en de zaaddozen kunnen aan soepen worden toegevoegd. De jonge scheuten kunnen worden toegevoegd aan salades of gebruikt worden als een tuinkruid. Gebruik alleen verse scheuten. De bloemen kunnen gebruikt worden als kruid. Citroengele honingklaver (Melilotus officinalis) is over het algemeen een tweejarige, maar soms eenjarige of meerjarige plant. Hij wordt 30 tot 150 cm hoog. De liggende tot rechtopstaande stengels zijn kaal en bossig vertakt. De blaadjes zijn 3-tallig. De deelblaadjes van de onderste bladeren zijn eivormig en scherp getand. De hogere bladen zijn smaller. De steunblaadjes hebben meestal geen tanden. De bloemen groeien in slanke losbloemige trossen van 4 tot 10 cm lang. De 4 tot 7 mm lange bloemen zijn lichtgeel, maar aan het eind van de bloei witachtig. De bloeitijd is van juli tot en metoktober. De kale, ruwe peulvruchten zijn eivormig, 3 tot 5 mm groot en worden later bruin. De Citroengele honingklaver groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige tot droge grond o.a. in duinen, bermen en langs dijken. Toepassingen De jonge scheuten kunnen worden gekookt. De jonge bladeren worden aan salades toegevoegd. Zowel de bladeren, de bloemen als de zaaddozen kunnen als een groente worden gekookt en worden gebruikt als smaakversterker. Naar boven
Honingklaver
Hondsdraf
Hondsdraf (Glechoma hederacea ) is een kleine, kruipende, overblijvend plant met een hoogte van 15 tot 60 cm. In de bladoksels vormen zich schijn- kransen, elk met 1 tot 6 paars blauwe bloemen. De bloeimaanden vallen van april tot en met juni, maar met als hoogtepunt rond april. De onderlip is aan het einde in tweeën gespleten en de bovenlip is vlak en niet bol. Er zijn tweeslachtige en vrouwelijke exemplaren. De laatste hebben veel kleinere bloemen. De plant vormt kruipende of opstijgende stengels. Aan de knopen ontstaan vaak wortels. De kruipende stengels vormen wortels op de knopen. De bladeren zijn niervormig met een gekartelde rand. Hoe zonniger de standplaats, des te kleiner zijn de bladeren. De plant blijft 's winters groen. In het voorjaar is de kleur van de plantmin of meer paars door de lage temp- eraturen en in de zomer groen. De plant komt voor op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot matig droge, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, humushoudende grond. Hondsdraf komt o.a. voor in bossen, het struikgewas en in de duinen. Tevens aan water- kanten en zelfs in knotwilgen. Toepassingen De jonge bladeren kunnen rauw of gekookt gegeten worden. De bladeren hebben een bittere smaak en geven aan salades een licht aromatische smaak.Ze kunnen worden toegevoegd aan soepen en gebruikt worden als een kruid. Een thee kan zowel met verse als gedroogde bladeren worden gezet. Geneeskrachtige toepassingen Hondsdraf wordt als geneeskrachtig kruid toegepast tegen bijv. jeuk en wonden. De blaadjes moeten worden gekneusd en dan op de pijnlijke plek worden gelegd. Het groeit dikwijls in de buurt van brandnetels en indien gestoken helpt het tegen de jeuk. Naar boven
Hondsdraf
Hop
Hop (Humulus lupulus) is een kruidachtige linksom windende klimplant en één van de snelst groeiende planten in het plantenrijk. Hij haalt gemiddeld een groeisnelheid van 10 cm per dag. Zijn maximale hoogte is een meter of acht. Een hopplant kan zo'n 12 tot 20 jaar oud worden. De grote overstaande bladeren hebben drie tot vijf lobben en gezaagde randen. De manlijke en vrouwelijke bloemen groeien op verschillende planten. De vrouwelijke bloemen, die in augustus/september groeien, zijn bleek geel-groene kegeltjes met papierachtige schutblaadjes.Hop groeit in heggen en struikgewas. Toepassingen De jonge bladeren kunnen tot eind mei worden gebruikt en aan salades worden toegevoegd. Ook kunnen ze als groente en kruid worden gekookt. Van de bladeren en kegeltjes kan thee worden gemaakt. Jonge spruiten kunnen worden gegeten als asperges. Geneeskrachtige toepassingen Hop heeft een vochtafdrijvende, versterkende en kalmerende werking. Een thee gemaakt van katjes en/of bladeren wordt gebruikt bij verlies van eetlust, milde depressies en angsten. Hop werkt als middel bij slapeloosheid doorhopbladeren onder je hoofd te leggen,door zein een kussen te doen of door er een aftreksel van te gebruiken. Hop werkt ook tegen pijn. Hopkatjes in een zakje doen, verwarmen en op de zere plek leggen. De hop werkt verdovend en de pijn wordt minder. Een aftreksel van de hop werkt ook tegen wormen. Naar boven
Hop
Kaasjeskruid
Groot kaasjeskruid (Malva sylvestris) is een 1 tot 1,5 m hoge vaste plant met een vertakte, harige stengel. De handvormige bladeren zijn 3- tot 7-lobbig, rond en langgesteeld. De bladeren groeien in een wortelrozet en aan de stengel. De lila of roze-paarse, donker dooraderde bloemen hebben een grootte 25 tot 40 mm en groeien met twee of meer uit de oksels van de bovenste bladeren. De bloeiperiode loopt van mei tot september.De plant groeit in warme bermen, langs wegranden, hagen en muren. ToepassingenDe jonge bladeren kunnen worden gebruikt als tuinkruid of om soep te binden. Onrijpe groene vruchten en bloemen kunnen door een salade. De wortels kunnen gekookt worden en daarna worden zacht gemaakt door ze bij het vuur te houden. De plant bevat vitaminen A, C, B1, B2. Vezels konden tot doek worden geweven. Geneeskrachtige toepassingen De hele plant, met name de wortel, wordt gebruikt als slijmoplosser, verzachtend middel en koortsdrijvende middel bij inwendige ontstekingen, irritaties van de luchtpijp, infecties van de bovenste luchtwegen met zware slijmafscheiding, bronchitis en amandel- ontsteking. Voor een thee of gorgeldrank moet 2 theelepels kruid in een kop lauw warm water 5-10 uur trekken, zo nu en dan worden geroerd en dan worden gezeefd. Naar boven
Kaasjeskruid
Kalmoes
Kalmoes (Acorus calamus) is een vaste moerasplant en wordt 60 tot 120 cm hoog. De plant heeft een stevige, lange, vertakkend en 1 tot 3 cm dikke wortelstok met zachte wortels. De wortelstok kruipt dicht langs het grondoppervlak en produceert tot één meter lange, zwaardvormige, rechtopstaande bladeren en een alleenstaande, rechtopstaande bloemstengel. De 0,5 tot 2 cm brede bladeren zijn zwaardvormig en hebben vaak een gegolfde rand. De bladeren hebben een zoet geur. De driekantige, afgeplatte bloemstengel is aan de ene kant scherpkantig en heeft aan de andere kant een groef waaruit de bloeikolf te voorschijn komt. De stengel is vaak rood aangelopen aan de voet.De 4 tot 10 cm grote bloeikolf bestaat uit dicht opeen staande, kleine, geelgroene bloemen. De bloeitijd is van juni tot juli. De vruchten zijn rode bessen met meerdere zaden. Kalmoes groeit op zonnige plaatsen in en langs stilstaand of stromend water met een bodem van veen, klei of zand. Toepassingen De wortelstok kan worden gepeld en gewassen om de bitterheid te verwijderen en kan dan als fruit worden gegeten. Tevens kan hij worden geroosterd en vormt dan een aangename groente of worden gebruikt als smaakmaker. De wortelstok moet echter in kleine hoeveelheden worden gebruikt, want hij is in grote hoeveelheden giftig en kan hallucinaties opwekken. Gedroogde en tot poeder vermalen wortelstok heeft een pittige smaak en kan als vervanger worden gebruikt voor gember, kaneel en nootmuskaat. De jonge bloeiwijze heeft een zoete smaak en kan als snoep worden gebruikt. De jonge bladeren moeten worden gekookt. Naar boven
Kalmoes
Klaproos
De grote klaproos of gewone klaproos (Papaver rhoeas) kan tot circa 80 cm hoog worden en bevat een wit melksap. Het blad is borstelig behaard en veerdelig met getande slippen. De bloem is rood en heeft een zwarte vlek aan de voet van het kroonblad. De bloemen zijn 7 tot 10 cm in doorsnede. Er zijn veel meeldraden die een donkerpaarse helmknop hebben. De grote klaproos heeft een schijfvormige stempel met zeven tot twaalf stralen. De plant bloeit op lange stelen in de bladoksels. De bloeitijd is van mei tot en met juli. De vrucht is een omgekeerd eivormige doosvrucht, die 1-2 cm lang kan worden. De vrucht heeft een deksel, waaronder uit de porierand de zaadjes worden verspreid. De grote klaproos groeit op zonnige plaatsen op droge tot vochtige gronde is o.a te vinden op akkers en omgewerkte grond, in bermen, en langs dijken. Toepassingen De zaden kunnen worden gebruikt als smaakmaker in brood, salades en hebben een nootachtige smaak. De zaden zijn klein, maar zitten in grote zaaddozen. De zaden bevatten een bruikbare olie, welke aan salades kan worden toegevoegd of om mee te koken. De bladeren kunnen als spinazie worden gekookt of als smaakmaker aan soepen of salades worden toegevoegd. De bladeren mogen niet gebruikt worden nadat de bloemknoppen zich hebben ontwikkeld. Van debloembladeren kan een siroop worden gemaakt en o.a. in soepen worden gebruikt.
Klaproos
Klaver
De rode klaver(Trifolium pratense) kan 15-50 cm hoog worden en is een overblijvende plant met een samengesteld drietallig blad. De stengel is behaard. De onderste bladeren zijn langgesteeld en rond. De bovenste bladeren zijn langwerpig en zowel aan de onderzijde als bovenzijde bedekt met haartjes. In het midden van deze bladeren zit een lichte vlek. Naast de bovenste bladeren zitten eivormige blaadjes. De rode klaver bloeit van juni tot in de herfst met roze tot rode bloemen. De bloeiwijzen zijn bol tot eivormig en hebben aan de voet van de bovenste bladeren steunblaadjes. Rode klaver is in grote hoeveelheden op veel plaatsen te vinden. De witte klaver (Trifolium repens) is een vaste plant. De lange stengels liggen op de grond en bewortelen op de knopen. Alleen de toppen staan opgericht. De plant is niet behaard en kan tot 50 cm lang worden. Het blad bestaat uit drie deelblaadjes, die rond tot eirond zijn. Ze kunnen fijngetand of gaaf zijn. Elk deel- blaadje is 1 tot 3 cm lang en is voorzien van een bleke vlek. De steunblaadjes zijn vliezig en lopen aan de top uit in een naaldje. De welriekende bloem is wit of heeft soms een roze waas. Individuele bloemen zijn 8 tot 12 mm in diameter.De plant bloeit met witte bloemen in een tros van mei of juni tot de herfst.De bloemen verwelken via roze tot bruin. De witte klaver komt o.a. voor in graslanden en wegbermen. Toepassingen De jonge bladeren moeten verzameld worden voordat de bloemen uitkomen en kunnen worden toegevoegd aan o.a. salades en soepen of als groente worden gekookt. Ze kunnen worden gedroogd, vermalen en over allerlei voedsel worden uitgestrooid. Gedroogde bloemen en zaaddozen kunnen worden vermalen en gebruikt als bloem. De jonge bloemen kunnen aan salades worden toegevoegd. De wortels moeten worden gekookt. Van zowel verse als gedroogde bloemen kan een frisse thee worden gezet. Naar boven
Klaver
Klaverzuring
Witte klaverzuring(Oxalis acetosella) is een overblijvende plant en wordt 5 tot 10 cm hoog. De stengels ontspringen uit de roodachtige wortelstokken en kruipen ver. Elke bloemsteel draagt een bloem met twee schutblaadjes. De bladeren zijn geel tot geel-groen en drietallig. De bloem is wit en heeft lila adertjes en gele vlekken aan de voet van de kroonblaadjes. De lengte van de bloemblaadjes is 8 tot 15 mm. Witte klaverzuring bloeit alleenstaand in april en mei.Witte klaverzuring heeft een voorkeur voor beschaduwde plaatsen op vochtige gronden komt o.a. voor op oevers, in bossen en bermen en aan bosranden en greppelkanten. Toepassingen De bladeren hebben een limoenachtige smaak en worden in kleiner hoeveelheden toegevoegd aan salades, soepen en sauzen. Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) is een eenjarige, maar soms overblijvende plant en wordt 5 tot 30 cm hoog. De stengels zijn kruipend of opstijgend en soms wortelend op de knopen. De vrij harige bladeren zijn verspreid, 3-tallig en zitten aan een lange blad- steel.De 4 tot 7 mm grote, gele bloemen groeien uit 1 tot 7 bloemen bestaande bloeiwijzen. De kroonbladeren zijn aan de top vaak iets uitgerand. De gehoornde klaverzuring groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge tot vochtige grond. Toepassingen De zuursmakende bladeren worden toegevoegd aan salades of als kruid samen met andere mild smakende bladgroente gekookt. De bladeren kunnen het hele jaar worden verzameld tenzij de winter erg koud is. De bloemen hebben een wat zure smaak en kunnen aan een salade worden toegevoegd. Stijve klaverzuring (Oxalis stricta) is een overblijvende plant en wordt 10 tot 30 cm hoog. De vrij dikke stengels zijn meestal vertakt en aan de voet rood gekleurd. Onderaan hebben de stengels verspreide lange haren. De drietallige bladeren staan tegenover elkaar of in kransen. De deelblaadjes zijn hartvormig en iets breder dan ze lang zijn. De bladsteel heeft aan de voet lange klierharen. De okselstandige gele bloemen groeien in schermen, bestaande uit 2 tot 6 bloemen. De bloeitijd is van juni tot en met oktober. Stijve klaverzuring groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige grond en is o.a. te vinden op akkers, oevers en langs bospaden. Toepassingen De zure bladeren kunnen worden gebruikt als dorstlesser door er op te kauwen. De bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Van de bladeren kan een limoensmakende drank worden gemaakt. De bloemen kunnen aan salades worden toegevoegd. Naar boven
Klaverzuring
Kleefkruid
Kleefkruid (Galium aparine) is een eenjarige plant en wordt 50 cm tot 2 m lang. De plant dankt zijn naam aan de vele haakjes die aan de stengel en de vruchten zitten. De dofgroene stengel is vierkant en aan de toppen verdikt. De eennervige bladeren zijn boven het midden het breedst. De bladeren zijn verdeeld in kransen van zeven. Kleefkruid heeft kleine onopvallende witte bloempjes. Deze bloempjes zijn 2 mm in doorsnee. De bloeiperiode van kleefkruid is van mei tot oktober. Uit de bloemen ontstaan kleine vruchtjes met vele haakjes eraan. De vruchten zitten twee aan twee en zijn 6-8 mm groot. De vruchtjes zijn paars- achtig of groen. De vruchtjes hebben nog meer haakjes dan de stengel. Daardoor blijven ze hangen in de vacht van harige dieren, waaronder vrijwel alle zoogdieren. Zo worden de vruchten over grote afstand verspreid, waardoor kleefkruid op veel plaatsen voorkomt. Kleefkruid kan zowel in de zon als in de schaduw groeien op droge tot vochtige grond. Kleefkruid groeit vaak tussen brandnetels, dovenetels en fluitenkruid. Toepassingen De toppen van de jonge scheuten kunnen rauw worden gegeten of worden gebruikt als kruid bij het koken o.a in soepen. De bladeren hebben een bittere smaak en kunnen daarom beter in de lente worden gebruikt. De vruchten moeten eerst worden gedroogd en licht geroosterd en kan daarna als vervanger van koffie worden gebruikt. Een afkooksel van de hele plant kan gebruikt worden om thee van te zetten. Geneeskrachtige toepassingen Gebruik een aftreksel om verstopping tegen te gaan. Geef een veelvuldige doses, vermengd met een gelijke hoeveelheid heemst tegen blaasontsteking. Naar boven
Kleefkruid
Klit, klis
Grote klit (Arctium lappa) ofwel grote klis is een tweejarige plant en wordt 40 cm tot 2 m hoog. De stengels zijn behaard of min of meer kaal. De ovale donkergroene bladeren hebben holle, gootvormige stelen en zijn aan de onder- kant wollig. De onderste bladeren zijn ongeveer even lang als breed (tot 50 cm). De grote klit heeft een lange penwortel. De bolvormige bloemen groeien aan een kale tot iets behaarde steel. Ze zijn glanzend geelgroen en soms iets paars aangelopen. De bloeitijd is juli en augustus. De grote klit groeit op zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige, voedselrijke grond en komt op vele plaatsen voor, zoals op akkers, in bermen, grazige ruigten, braakliggende grond, langs rivieren en dijken. De kleine klit (Arctium minus) is een soortgelijke plant, waarvan de wortels, de stengels en de bladeren op dezelfde manier worden gebruikt. Toepassingen Erg jonge penwortels kunnen rauw worden gegeten, maar oudere wortels moeten worden gekookt. Ze kunnen tot een lengte groeien van 120 cm met een breedte van 2,5 cm aan de bovenkant, maar kunnen het beste verzameld worden als ze niet langer zijn dan 60 cm. Oude en erg lange wortels kunnen namelijk van binnen wat houterig worden. Jonge wortels hebben een milde smaak, maar bij het ouder worden wordt de smaak sterker. De wortels kunnen worden gedroogd om later te worden gebruikt. De geroosterde wortel kan als een koffiesurrogaat worden gebruikt. Jonge bloemstengels kunnen in het late voorjaar voordat de bloemen verschijnen ook gegeten worden. De kern van de bloem- stengels kan rauw worden gegeten in salades of worden ekookt.Jonge bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De jonge stengels en de zijtakken kunnen rauw of gekookt worden gegeten, maar eerst moet het schil worden verwijderd. Geneeskrachtige toepassingen De grote klis werkt vochtafdrijvend en zweetdrijvend en kan als thee worden gebruikt tegen hoesten, verkoudheid en maagaan- doeningen. De plant is antibiotisch, pijnverlagend en schimmeldodend en kan worden gebruikt bij, indien consequent gebruikt, verschillende huidaandoeningen. Een siroop van de wortels of van verse bladeren wordt o.a. gebruikt als een lotion of kompres tegen huidirritaties, brandwonden, wonden, steenpuisten, ringwormen, mazelen, jicht en acne. Naar boven
Klit
Koningskaars
De koningskaars (Verbascum thapsus) is een 2-jarige gewas dat in het eerste jaar uit een bladrozet bestaat met sterk behaarde bladeren. Daar ontwikkelen zich dan grote spruiten uit die 1 tot 3m hoog kunnen worden. De stengel is behaard en draagt zittende, gaafrandige of gekerfde bladeren. De bovenste bladeren zijn aflopend tot het volgende blad. De onderste bladeren hebben een gevleugelde steel. De bloemen vormen een dichte aar en zitten in groepjes van 2 tot 5 bijeen. De bloemen zijn geel en hebben een doorsnede van 1,5 tot 3 cm. Er zijn vijf kroonbladeren die aan de voet zijn vergroeid. Er zijn vijf kelkbladen en vijf meeldraden, waarvan er drie gele of witte haartjes hebben. De koningskaars is niet in eenmaal uitgebloeid, maar er groeien per dag een paar bloemen. Bloeitijd juli tot eind augustus. Koningskaars draagt een doosvrucht die kleine zaadjes bevat. Toepassingen Een aromatische, licht bittere thee kan worden verkregen door een aftreksel van gedroogde bladeren. Een zoetere thee kan worden gemaakt uit een aftreksel van verse of gedroogde bloemen. De bloemstengels kunnen in was worden ondergedompeld en dan als een fakkel worden gebruikt. De dons op de bladeren en de stengels vormt, indien het goed droog is, een uitstekende tondel en om als kaarsenpit te gebruiken. Ook kan het worden gebruikt als isolatie in schoenen om de voeten warm te houden. Geneeskrachtige toepassingen De plant is vooral effectief bij de behandeling van verkoudheid, hoesten en slijmverstopping in de bovenste luchtwegen. Een afkooksel van de bloemen of wortels worden gebruikt bij verflichting van kinkhoest, amandelontsteking, ademhalingsmoeilijkheden, lichte diarree, darmkrampen, inwendige bloedingen, ontsteking van de maag en blaas- en nierverstopping.De wortels en bloemen kunnen in warm water worden bereid, waarna de stoom wordt geïnhaleerd om neusverstopping, een zere, geïrriteerde keel en astma te verlichten. Een afkooksel van de bloemen toegevoegd aan badwater werkt tegen ontstoken aambeien en geïrriteerde huid. De bloemen en bladeren in melk gekookt en in omslagen of kompressen aangebracht helpt ter verzachting van brandwonden, steenpuisten, pusafscheidende wonden en ontstekingen van oog en huid. De bloemen kunnen ook in water worden gekookt om als een huidlotion te worden gebruikt. Vermaal de bloem tot poeder om een pijnstillende middel en pijn verzachtende thee te maken. De bloemen worden van juli tot september bij droog, zonnig weer verzameld. De bloesems moeten direct van de kelk worden geplukt, snel worden gedroogd en in luchtdichte verpakkingen worden opgeslagen. De wortels moeten vroeg in de lente, voor de bloeitijd,worden verzameld. Naar boven
Koningskaars
Lisdodde
De grote lisdodde (Typha latifolia L.) is een tot ruim 2 meter hoge plant van voedselrijke oevers met lange grote bladeren, en een lichtbruine aar aan het uiteinde van zijn stengels. De plant bloeit in juni tot juli met de mannelijke aar meestal direct boven de vrouwelijke, waaraan de bloemen zitten. Bij rijpheid zijn de vrouwelijke aren zwartachtig bruin, ook wel sigaren genoemd. De grote lisdodde is een zeer algemene plant en komt voor aan waterkanten in zeer voedselrijke omstandigheden en in zure, voedselrijke vennen en plassen. De plant komt niet voor aan grote open wateren. De plant kan zich onder gunstige omstandigheden vrij snel door middel van wortelstokken verspreiden. ToepassingenDe pluis uit de rijpe bloeiwijze vormt een goede tondel bij het aanmaken van vuur. De wortelstokken zijn zeer zetmeelrijk en een bron van voedsel. De wortels worden gebakken in een open vuur (hete as of kolen), waarbij de wortelbast als een soort bescherming dient tegen het vuur. Na tien tot twintig minuten kan de wortels worden opengescheurd en de zetmeel rijke vezels eruit worden gehaald. De vezels zijn direct eetbaar. In het voorjaar kunnen de jongescheuten als een soort asperges gegeten worden. Ook de nog groene kolven kunnen worden gegeten. Zodrade mannelijke aar zich ontwikkeld heeft kan er stuifmeelworden verzamelden gebruikt als bloem. Door destengel voorzichtig te buigen en te tikkenop de mannelijke aar, komt het stuifmeel vrijen hoeft verder alleen nog opgevangente worden.De kleine lisdodde (Typha angustifolia) komt voor langs oevers en in rietlanden. De kleine lisdodde heeft slanker blad dan de grote lisdodde, maar kan ook een hoogte van twee meter bereiken. Bij de kleine lisdodde zijn de rijpe sigaren geelachtig tot groenachtig van kleur. Naar boven
Lisdodde
Krodde
Witte krodde (Thlaspi arvense) is een eenjarige plant en wordt 15 tot en met 60 cm hoog. De rechtopstaande stengels zijn kantig, kaal en naar boven toe vaak vertakt. De lichtgroene grondbladeren zijn gesteeld en omgekeerd eirond, de stengelbladeren zijn lancetvormig en zitten met een pijlvormige voet direct aan de stengel. Bijwrijven ruiken de bladeren naar uien. De bloemen bestaan uit eindstandige trossen. De witte kroonbladen zijn 4 tot 6 mm breed en de helmknoppen geel. De bloeitijd is van mei tot en met oktober. De vruchten bestaan uit breedgevleugelde, tot 15 mm lange hauwtjes met aan de top een diep U-vormige inkeping. Witte krodde groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige (vaak omgewerkte) grond. Toepassingen De jonge bladeren moeten voor de bloei worden verzameld, omdat ze anders erg bitter zijn. Zelfs de jonge bladeren hebben een wat bittere smaak en geur. Ze kunnen in kleine hoeveelheden aan salades of andere gerechten worden toegevoegd, aan soepen worden toegevoegd of als kruid worden gebruikt. Ze smaken naar mosterd maar met een beetje uiensmaak. De zaden moeten tot poeder worden gemalen en kunnen dan gebruikt worden als een mosterd- vervanger. Als de zaden ontkiemen kunnen ze aan een salade worden toegevoegd.
Krodde
Kweek(-gras)
Kweek(gras) (Elytrigia repens) groeit uit een witte wortelstok met rechtop staande gladde stengels. Boven de grond krijgt het een hoogte van 20 tot 100 cm. De bladeren zijn grasachtig. De bladscheden zijn glad en in het jonge stadium behaard.De bladschijf is vlak en 3 tot 10 mm breed. De bovenzijde is een weinig lang behaard. Deaartjes zitten in twee rijen langs de hoofdas. De groeikracht van kweek is zeer groot. De plant lijkt wat op tarwe. Kweek bloeit in de maanden juni, juli en augustus. Kweek komt veel plaatsen voor en vooral op voedselrijke grond en zelfs op min of meer zilte grond, in de duinen en op rivierduinen. Toepassingen De witte wortels bevatten veel suikers en zijn het sterkst in het voor- en najaar. Ze zijn daardoor goed te gebruiken bij het maken van gelei en als toevoeging bij of in brood. Door de wortels de drogen kan het gebruikt worden om thee van te maken. De wortel kan ook worden geroosterd om gebruikt te worden als een koffiesurrogaat. Van de bladeren kan touw worden gemaakt.
Kweek
Lievevrouwebedstro
Lievevrouwebedstro (Galium odorata) is een overblijvendplant en wordt 15 tot 30 cm hoog.De vierkantige, rechtopstaande stengel is teer, onvertakt en alleen op de knopen behaard. De langwerpige bladeren vormen onderaan de stengel kransen van 6 bladeren en hogerop kransen van 8 bladeren. De bladeren zijn 1 tot 4 cm lang en hebben aan de onderkant aan de rand en op de middennerf stekelhaartjes. De plant zelf is reukloos, maar als de bladeren verwelken geuren ze sterk. De sterachtige bloemen zijn wit en staan in bijschermen op een lange steel. Ze zijn buis- tot trechtervormig en meestal vierlippig. De bloemen verspreiden een zoete geur en bevatten veel nectar. De bloeitijd is in april en mei. De plant heeft een dunne, kruipende wortel met veel uitlopers. Omdat de plant zich door de kruipende wortelstok vlug vermeerdert, groeit lievevrouwebedstro in grote hoeveelheden.Lievevrouwebedstro groeit op beschaduwde plaatsen op vochtige gronden komt voor in bossen, struikgewas en hellingbossen. Toepassingen De loten kunnen worden gegeten als groente of gebruikt als smaakmaker in o.a. dranken. De zoet ruikende bloemen kunnen worden gegeten. Van de gedroogde bladeren en bloemen kan thee worden gezet.
Lievevrouwebedstro
Look-zonder-look
Look-zonder-look (Alliaria petiolata) kan 20 tot 100 cm hoog worden. De plant is gemakkelijk te herkennen door zijn geur. Het fijnwrijven van het blad geeft namelijk een knoflookachtige geur.Naast de bladeren gevenook de bloemen, zaden en wortelsdeze geur af. De bladeren aan de voet van de plant zijn lang gesteeld. De bovenste bladeren zijn hartvormig en onregelmatig getand. De bladeren groeien al vrij vroeg in het jaar. De stelen zijn niet vertakt, en gaan meestal recht omhoog. De bloemen hebben vier kroonbladeren. Bij look-zonder-look zijn de kroonbladeren tweemaal zo lang als de kelkbladeren. De bloeitijd is van april tot juni. Look-zonder-look groeit met name in de schaduw en op voedselrijke, vochtigegrond in loofbossen, langs bospaden en beken. ToepassingenDe jonge bladeren worden gebruikt als kruid of smaakversterker bij gekookt voedsel. Fijngehakte bladeren worden aan salades toegevoegd. De bloemen en zaadknoppen kunnen rauw worden gegeten.
Look-zonder-look
Madeliefje
Madeliefje (Bellis perennis L.) of het meizoentje is een kleine overblijvende plant met een hoogte van 5 tot 15 cm. De stengel is dun en meestal zonder bladeren.De lichtgroene bladeren staan allemaal in een wortelrozet en zijn spatelvormig. De rand van het blad is gekarteld. Aan het einde van de lange dunne bloemstengel staat één bloemhoofdje. Deze is maximaal 2,5 cm groot en bestaat uit een hart van gele buisbloemen, met een krans van witte straalbloemen. Zolang het niet vriest, zijn ze het hele jaar in bloei aan te treffen. De madelief groeit op zonnige plaatsen op vochtige grond en is o.a. te vinden in weilanden, bermen, en langs dijken, uiterwaarden en duinvalleien. Toepassingen De bladeren kunnen aan salades worden toegevoegd of gebruikt als een tuinkruid. De bloemenknoppen en -bladeren kunnen worden toegevoegd aan salades en soepen. Van de bloemen kan siroop worden gemaakt. Geneeskrachtige toepassingen De bloemen en bladeren zijn rijk aan vitaminen en heeft een gunstige effect op de spijsvertering. Ze werken ook prima tegen verstoppingen.
Madeliefje
Margriet
De gewone margriet (Leucanthemum vulgare) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 60 cm hoog. De rechtopstaande stengels zijn meestal niet of weinig vertakt.De plant heeft een 3 tot 6 cm grootte bloemhoofdje met een geel hart bestaande uit buisbloemen, dat wordt omkranst door witte straalbloemen. De bloeitijd is van mei tot en met september. De bladeren zijn donkergroen gekleurd. De onderste bladeren zijn spatelvormig en gekarteld. De middelste bladeren meestal liervormig gespleten met een langwerpige, gezaagde eindlob. De scheve wortelstok is meestal gedrongen en vertakt met taaie en vrij lange wortels. De gewone margrietgroeit op zonnige, vrij open plaatsen op matig droge tot vochtige grond en is meestal te vinden in hooiland struikgewas, bermen, langs dijken, spoorwegen en op grasvelden. Toepassingen De jonge lentescheuten moeten fijn worden gehakt en kunnen dan aan salades worden toegevoegd. De smaak is scherp en moet daarom ook spaarzaam worden gebruikt. De wortel kan in de lente worden verzameld en rauw worden gegeten.
Margriet
Melganzenvoet
Melganzenvoet (Chenopodium album) kan tussen de 15 en 150 cm hoog worden. De gegroefde stengel is vaak roodbewaasd en kan op latere leeftijd enigszins verhouten. De bladeren staan verspreid langs de stengel. De melganzenvoet is heldergroen, maar de bladeren maken vooral aan de onderkant door witachtige kristallen een meelachtig indruk. Het blad is zeer variabel van vorm. De bladeren zijn gaafrandig of sterk bochtig getand en langwerpig, ei- of ruitvormig. De melganzenvoet bloeit in schijnaren die een tros vormen. De bloeitijd is van juli tot de herfst. De bloem is groenachtig en vrij onbeduidend. De vrucht is een eenzadig nootje. De vruchtwand is vliezig en makkelijk van het nootje los te maken. Het tot 1,6 mm brede, platte bruine of zwarte zaad is glanzend en heeft een fijn gestreepte zaadhuid. Melganzenvoet komt voor op vochtige, stikstofrijke grond indrooggevallen plaatsen, bermen en op akkerland en in moestuinen. Toepassingen Melganzenvoet behoort tot dezelfde familie als spinazie. De jonge lentescheuten (en later de jonge toppen) kunnen worden gekookt en hebben een hoog vitamine A-, C- en mineralengehalte. De zaden kunnen tot meel worden gemalen. De zaden moeten voor het gebruik een avond van te voren in water worden gezet en worden omgespoeld, zodat eventuele saponine wordt verwijderd.
Melganzenvoet
Melkdistel
De gewone melkdistel (Sonchus oleraceus) is een eenjarige planten wordt 30 tot 130 cm hoog. De plant heeft een penwortel. De blauwgroene stengels zijn vrij sterk vertakt en niet of alleen in de bloeiwijze behaard. De langwerpig-eironde bladeren hebben een vrijwel vlakke rand met breed- driehoekige tanden en zijn meestal met zeer zwakke stekeltjes bedekt. Ze zijn diep gedeeld met een grote driehoekige tot spiesvormige eindlob of ze zijn ongedeeld, met spitse, afstaande oortjes. De bloemkorfjes zijn 1 tot 2 cm groot en zijn 's middags gesloten. De lintbloemen zijn vaak bleekgeel, de buitenste zijn van onderen zilverig tot iets paarsrood. De gewone melkdistel bloeit van juli tot en met oktober. De vruchtjes hebben overlangse ribben en zijn bovendien dwars gerimpeld. De rijpe, ruim 3 mm lange zaden zijn roodbruin met afgeronde hoogteribben en dicht bij elkaar staande dwarsricheltjes. De zaden hebben geen vleugels. De tandjes van het vruchtpluis staan naar de top gericht. De gewone melkdistel groeit op zonnige, open plaatsen opvoedselrijke, vochtige grond. Toepassingen De jonge bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten en hebben met name in de lente een milde smaak. De bladeren kunnen aan salades worden toegevoegd. De stengels kunnen als asperges worden gekookt. De buitenste schil moet dan wel worden verwijderd.
Melkdistel
Mierikswortel
Mierikswortel (Armoracia rusticana) is een overblijvende,kruidachtige, grove, vaste plant met dikke, scherpsmakende wit-gele wortel die tot 60 cm lang kan worden. De bladeren komen direct vanaf de wortel en zijn ovaal en lang gesteeld en kunnen tot 1 m lang worden en zijn glanzend en licht getand. De bladeren op de stengel zijn veerspletig. Mierikswortel bloeit in talrijke trossen met kleine witte bloemetjes. De bloeitijd is in juni tot juli. Toepassingen Alleen de jonge wortels zijn bruikbaar. Ze moeten worden gewassenen geschild tot op het witte binnenste. Dit kan dan geraspt worden. De jonge bladeren hebben een milde tot een sterke geur en smaak en kunnen in kleine hoeveelheden worden toegevoegd aan een salade. Geneeskrachtige toepassingen Een puree van de wortels kan worden gebruikt bij stofwisselingsstoornissen, trage darmbewegingen en om bij kinderen wormen te verdrijven. Een kompres van vers geraspte en gepureerde wortel helpt bij ontstoken zenuwen, hoofdpijn, spierpijn, kiespijn en duizeligheid. Een kompres mag niet langer dan 10 minuten worden gebruikt. Bij hoestbuien als gevolg van verkoudheid kan3x daags een theelepel geraspte wortel en een even zoveel honing of suiker innemen. Het sap van verse bladeren werkt verzachtend op snijwonden, brandwonden en winterhanden en -voeten. De wortel wordt tegen het eind van de herfst verzameld en met droog zand of droge grond bedekt op een koele, donkere en vorstvrije plek. Let op! Gebruik mierikswortel in beperkte hoeveelheden. Het eten van een te grote hoeveelheid kan pijnlijke gevolgen bijhetplassen opleveren. Bij bijzonder grote hoeveelheden kan bloederige diarree en overgeven optreden. Naar boven
Mierikswortel
Munt
Watermunt (Mentha aquatica) is een overblijvende plant. De 30 tot 90 cm lange stengels staan rechtop, zijn vierkantig en dragen gesteelde, eivormige tot gezaagde, langwerpige tot gekartelde bladeren. De kleine buisvormige, roodachtig lila bloemen groeien in de bovenste bladoksels en in een dichte aar aan het eind van de stengel. Elke bloempje heeft gelobde kroon- bladeren en vier meeldraden. De bloeitijd is van juni tot eind oktober. De plant heeft zowel bovengrondse als ondergrondse uitlopers. De plant groeit op drassige plekken en in moerassen, langs rivieren en op andere natte plekken. Akkermunt (Mentha arvensis) is een overblijvende plant en wordt 15 tot 45 cm hoog. De zwak geurende plant wordt en heeft een vierkante, holle stengel. De gesteelde, behaarde bladeren zijn eivormig tot elliptisch, 2 tot 6 cm lang en 1 tot 2 cm breed en hebben een getande bladrand. Akkermunt heeft paarse bloemen. De 2 tot 3 mm lange kelk is van binnen spaarzaam behaard. De bloeitijd is van juli tot de herfst. Het is een plant van vochtige tot natte, voedselrijke grond is te vinden op bouwland, aan waterkanten, in moerassige graslanden, langs vennen en in loofbossen. De plant vormt zowel ondergrondse als bovengrondse uitlopers. Toepassingen De bladeren hebben een sterke muntsmaak en zijn licht bitter. Ze worden gebruikt alskruid voor salades of gekookte voedsel. Een thee wordt gemaakt van verse of gedroogde bladeren. Geneeskrachtige toepassingen Gebruik een aftreksel van de bladeren tegen diarree, ter bevordering van de spijsvertering en in verwarmde vorm om bij koorts transpiratie op te wekken. Naar boven
Munt
Muur
Vogelmuur (Stellaria media) is een lage eenjarige plant en wordt 5 tot 40 cm hoog. De stengels zijn groen of rood. Een enkele rij haren loopt langs de stengel van knop tot knop. De bladeren zijn groen, eirond met een spitse top, en vaak gesteeld. De bladeren staan in overstaande paren. De plant is vaak wijdvertakt, maar heeft slecht één wortelstelsel. De vijf kroonbladen zijn wit en zeer diep ingesneden, waardoor het lijkt of er tien kroonbladen zijn. De kelkbladen zijn even lang en de helmknoppen zijn paars. Zolang er geen langere vorstperiode is bloeit muur in alle seizoenen. De bloemknop is sterk behaard. Vogelmuur groeit op zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op droge tot vochtige grond en is te vinden in akkers, tuinen, bermen en ruigten. Toepassingen Vogelmuur is het hele jaar op veel plaatsen te vinden. De jonge planten groeien vanaf de herfst en zijn erg voedzaam. De jonge planten zijn rijk aan vitamine C en enigszins bitter. De bladeren kunnen als groente worden gekookt, maar wel heel kort. Ook kunnen ze aan soepen worden toegevoegd.
Muur
Muurpeper
De muurpeper (Sedum acre) is een overblijvende plant en wordt 5 tot 25 cm hoog. De sterk vertakte, liggende stengels zijn kaal en alleen de uiteinden richten zich omhoog. De lichtgroene, 3-6 millimeter kleine bladeren zitten dicht opeen gepropt langs de stengels. Ze zijn afgeplat-eirond van vorm. De naam peper is afgeleid van de scherpe smaak van de bladeren. De plant vormt vaak kleine tapijten. De meer dan 1 cm grote, felgele bloemen hebben 5 kroon- en vijf kelkbladen. De bloeitijd is van mei tot en met augustus. Muurpeper groeit op zonnige, open plaatsen op droge zandgrond en stenige plaatsen. Hij verdraagt enig zout en komt o.a. voor in duinen, rivierduintjes, hellingen, muren, steenglooiingen van dijken en rotsachtige plaatsen. Toepassingen De bladeren zijn rijk aan vitamine C, maar hebbeneen bitter bijtende smaak. Grote hoeveelheden veroorzaken buikpijn. Het beste is om de bladeren te drogen, te vermalen tot poeder en dan te gebruiken om aan voedsel een peperachtige smaak te geven.
Muurpeper
Paardebloem
De paardebloem (Taraxacum officinale) is een overblijvende plant en wordt 10 tot 50 cm hoog. De 10 tot 30 cm lange grondbladeren staan in een rozet bij elkaar. Ze zijn diep ingesneden en bochtig getand. De tot 5 cm brede, heldergele bloemhoofden staan op lange, holle en bladloze stengels. Bij kneuzing vloeit uit de plant een witte vloeistof (paardebloemenmelk) wordt genoemd. Deze laat bruine vlekken achter.De wortel is een lange, dunne penwortel die decimeters diep de grond in kan dringen. Wanneer hij op behoorlijke diepte afbreekt kan deze zich herstellen en meerdere rozetten geven. Paardebloemen zijn heel algemeen en o.a. te vinden langs wegen en paden en opplekken waar gras groeit. In de vruchttijd verschijnen pluisbollen die bestaan uit zaden met een soort parapluutje, het vruchtpluis. Het vruchtpluis zit vast op een steeltje. De zaden worden door de wind verspreid. Toepassingen De jonge bladeren en de gebleekte onderkant van het blad kan door salades of worden gekookt als groente. Wanneer ze rauw worden gebruikt zijn de bladeren erg bitter, maar in de winter een stuk minder. Jonge bladeren zijn veel minder bitter dan oudere bladeren. De bladeren worden vaak geblancheerd, zodat ze minder bitter worden. De wortels kunnen in de winter, nadat ze zijn geschild en gekookt, als groente worden gegeten. De wortels kunnen ook, na twee dagen drogen, worden geroosterd en gemalen om paardebloemkoffie te maken. De bladeren en de wortels kunnen gebruikt worden om thee van te zetten. Van de bloemenkan jam en siroop wordengemaakt. Geneeskrachtige toepassingen Bij verstopping kan een extract van de gehele plant worden gebruikt. Naar boven
Paardebloem
Pastinaak
Pastinaak (Pastinaca sativa)wordt vaak niet hoger dan ongeveer 50 cm. Het is een tweejarige plant met een rozet van oneven geveerde bladeren, waarvan de onderkant is voorzien van kleine haartjes, en een rechte bloemstengel. Het heeft kleine, gele bloemen met vijf naar binnengerolde kroonblaadjes, welke in schermen aan het eind van de stengel zitten. De schermvorm kan variëren van boven ongeveer plat tot helemaal bol. Aan de voet van de zij-assen zit meestal nog een krans met schutblaadjes. De pastinaak bloeit van juli tot oktober. De pastinaak vormt het eerste jaar een circa 20 cm lange, crème-witte kleurige penwortel. De pastinaak komt voor in bermen, op grasgronden en vooral op kalkrijke grond. Toepassingen De pastinaak bevat vrij veel suiker. De pastinaakwortel kan zowel rauw als gekookt of gestoofd worden gegeten. De wortel wordt nog zoeter door ze te bakken of teroosteren. Zout versterkt dat effect. Het beste is om wortels voor hetbakken even enkele minuten voor te koken. Na de oogst wordt de wortel gauw slap. Daarom kan de pastinaak niet langer dan 3 à 4 dagen worden bewaard. Ook kan van de wortel koffie worden gezet. De wortelen beginnen vanaf november aan te dikken en kunnen tot in maart worden verzameld, omdat ze wintervast zijn.Indien vers geschild laat de schilmakkelijk los. Bij grote penen moet het verharde middenstuk worden verwijderd.
Pastinaak
Peen
Wilde peen (Daucus carota) is een tweejarige plant en wordt 30 tot 90 cm hoog. In het eerste jaar vormt hij een rozet van langgesteelde, veervormig samengestelde, donkergroene bladeren. In het tweede jaar schiet uit het midden van de rozet een rechtopstaande, bebladerde stengel op, die bekleed is met ruwe haartjes. De bloeitijd is in juni tot de herfst. Het scherm bestaat uit vele stralen, waarvan de buitenste bij rijping vogelnestjesachtig naar binnen zijn gebogen. De witte of roze bloemen groeien in een scherm, waarbij de bloemen in het midden vaak zwart-purperachtig gekleurd zijn.Bij aanraking verspreidt de plant een specifieke geur. De 1-zadige vruchtjes zijn voorzien van haakjes. Wilde peen bevat een witte, vetakte en een wat vlezige penwortel. Wilde peen komt voor in droge graslanden, bermen, dijken en duinen. Toepassingen De dunne en vezelige wortel kan worden gekookt. De aromatische zaden kunnen als smaakversterker in stoofpotten worden gebruikt. Gedroogde en daarna geroosterde wortels kunnen vermalen worden om koffie te maken. De plant is rijk aan vitamine A en B.
Peen
Peterselie
Wilde peterselie (Petroselinum segetum ) is een tweejarige, soms eenjarige, plant en wordt 30 tot 80 cm hoog. De massieve stengels zijn kaal en fijn gegroefd. De onderste bladeren zijn enkel geveerd. De vaak veerlobbige blaadjes hebben een fijn gezaagde rand. De bovenste bladeren bestaan uit lijnvormige slippen. Wilde peterselie bloeit van juli tot september met wit tot roze, tot 2 mm grote bloemen, die in 3 tot 10 ongelijk lang gesteelde schermpjes zitten met 3 tot 5 omwindselbladen en -blaadjes, maar de kelkbladen ontbreken. De 2,5 tot 3 mm lange, eivormige vrucht heeft vrij brede, uitspringende ribben. Peterselie groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige grond. Toepassingen Peterselie is rijk aan vitamine C en de blaadjes kunnen als smaakmaker worden toegevoegd aan soepen, vleesgerechten en sauzen. Peterselie wordt niet meegekookt, maar dient paste worden toegevoegd vlak voor het eten van de maaltijden, omdat het anders te veel van zijn smaak verliest. Van de bladeren en bloemen kan een kruidenthee worden gemaakt.
Peterselie
Pimpernel
Kleine pimpernel (Sanguisorba minor) is een overblijvende plant en wordt 15 tot 60 cm hoog. De onderste bladeren groeien in een rozet en bestaan uit 9 tot soms 31 eivormige deelblaadjes met aan beide kanten 4 tot 8 spitse tanden. De hogere bladeren zijn 0,5 tot 2 cm groot en rond tot eivormig. De bladeren zijn blauw- tot grijsgroen gekleurd. De plant heeft een diepe penwortel. De bolvormige bloem heeft een witte, donkerrode of groenrode kleur. De bloemen zijn tweeslachtig. De bovenste bloemen zijn vrouwelijk en de lagere mannelijke bloemen. De bloeistengel staat rechtop. De bloeitijd is van mei tot september. De kleine pimpernel groeit op zonnige plaatsen op min of meer droge grond en is o.a. te vinden in duinen, hoge delen van uiterwaarden, bermen, laagblijvend duinstruikgewas en struikgewas, op schraal grasland en rotsachtige plaatsen en langs dijken. Toepassingen De jonge bladeren en scheuten kunnen het beste gebruikt worden voordat de kleine pimpernel gaat bloeien. De bladeren en de scheuten hebben een komkommerachtige smaak en kunnen worden toegevoegd aan salades en soepen. Tijdens hete, droge zomers worden de bladeren soms bitter. Van gedroogde bladeren kan een thee worden gezet. De grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 100 cm en soms tot 150 hoog. De rechtopstaande stengel is gegroefd en vertakt, en alleen aan de basis behaard. De geveerde bladeren groeien in een rozet en hebben aan beide kanten ongeveer 12 tanden. De eivormige bladeren zijn grijsgroen, 2 tot 4 cm groot en bestaan uit 7 tot 15 deelblaadjes. De tweeslachtige, donkerrode bloemen zijn eivormig en 1 tot 3 cm groot. De bovenste bloemen zijn vrouwelijk en de lagere mannelijke bloemen. De bloeitijd is van juni tot en met september. De grote pimpernel groeit op zonnige plaatsen op natte tot vochtige grond en is o.a. te vinden langs waterkanten, rivierdijken, spoordijken en –wegen en in bergweiden en bermen. Toepassingen De jonge bladeren en bloemknoppen kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Verzamel de bladeren en bloemknoppen in de lente voordat de plant gaat bloeien. De bladeren hebben een komkommerachtige smaak en kunnen aan salades worden toegevoegd of worden gebruikt als een tuinkruid. Van gedroogde of verse bladeren kan thee worden gezet. Naar boven
Pimpernel
Pinksterbloem
De pinksterbloem (Cardamine pratensis) is een overblijvende plant die tot een halve meter hoog kan worden. De plant bloeit met lila tot roze bloemen. De kroonbladen zijn maximaal 18 mm lang. De plant heeft een wortelrozet. De bladeren zijn samengesteld. De deelblaadjes van het wortelrozet zijn kort en breed en vaak bochtig getand. De stengelbladeren zijn smal en lang. De kale stengel is hol, rond en soms iets kantig. De vrucht is een droge doosvrucht. Deze zijn bij de pinksterbloem smal en maximaal 5,5 cm lang. De plant bloeit van april tot en met juni, maar meestal is eind april het hoogtepunt. De plant komt voor op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte grond.De plant bloeit in grasvelden, bossen en moerassen. In een omgeving die heel nat is komt een bijzondere aanpassing voor aan dit milieu. De deelblaadjes zijn dan kortgesteeld en beginnen al, terwijl ze nog aan de plant zitten, worteltjes te vormen. Wanneer ze van de plant afvallen kunnen ze uitgroeien tot nieuwe planten. Het zaad komt in een dergelijk permanent nat milieu slecht tot ontkieming en op deze wijze kan de soort zich toch nog voortplanten. Toepassingen De bladeren en de jonge scheuten kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze zijn rijk aan vitaminen en mineralen;vooral aan vitamine C. De bladeren kunnen zowel mild als scherp smaken en kunnen aan een salade worden toegevoegd. De bladeren en scheuten worden in de lente verzameld. Bloemen en bloemknoppen kunnen ook rauw worden gegeten en geven een goede smaak aan salades. Naar boven
Pinksterbloem
Riet
Riet (Phragmites australis) kan 1 tot 3 m hoog worden. De stengel staat stijf rechtop en het 1 tot 3 cm brede blad met spits toelopende top is grijsgroen.De plant bloeit van juli tot oktober met een 15 tot 40 cm lange, sterk vertakte, purperkleurige of bruinachtige pluim, die rechtop staat of later aan de top kan gaan overhangen. De aartjes zijn tot 15 mm lang, bevatten twee tot acht bloempjes en zijn erg harig. De vrucht is een graanvrucht. Riet breidt zich uit door zaad, door holle ver kruipende of diepgaande wortelstokken en door horizontale stengels waarbij op de knopen een nieuwe plant ontstaat. De wortels van het riet verspreiden zich over een groot gebied. De plant groeit in het water of aan de water- kant op natte, zoete tot brakke grond. Riet komt in overvloed voor aan de rand van rivieren en ondiepe wateren. Toepassingen De wortel kan zowel rauw als gekookt worden gegeten. De smaak is het beste als de wortel jong is en nog steeds groeit. Het kan worden gedroogd, grof worden vermalen en als een pap worden gebruikt. De jonge scheuten zijn rauw of gekookt te eten. Ze kunnen het beste gebruikt worden voordat de bladeren uitkomen. Gedeeltelijk ontvouwde bladeren kunnen als kruid worden gebruikt. Jonge bladeren kunnen worden gedroogd, vermalen tot poeder en dan vermengd worden met meel. Zaden kunnen tot poeder worden vermalen en als bloem worden gebruikt. De zaden zijn vrij klein en moeilijk uit de vlies te verwijderen. Een suikerachtige substantie kan uit de stengel worden verkregen wanneer ze worden gebroken of doorboord. Deze substantie kan in een bol worden gedraaid en als snoep worden gegeten. De stengels kunnen ook in water worden gekookt, waarbij het water kan worden ingekookt om de suiker te verkrijgen. Een poeder verkregen uit gedroogde stengels kan vochtig worden gemaakt en tot een bal worden gemaakt om boven een vuur te roosteren. Riet kan gebruikt worden als dakbedekking of voor het maken van rietmatten en -schermen. Overjarig riet is hiervoor minder geschikt. Van de bladeren (en stengels) kan ooktouw worden gemaakt. Tevens kan van een gedroogde rietstengel een eenvoudige fluit worden gemaakt. Naar boven
Riet
Smeerwortel
Gewone smeerwortel (Symphytum officinale) is een overblijvende plant en wordt 30 tot 100 cm hoog. De rechtopstaande stengels hebben brede vleugels en zijn borstelig behaard. De holle bloeistengels zijn dik, vlezig en naar boven toe vertakt. De penwortel is van buiten zwart en van binnen wit. Het wortelblad is het grootst en kan 25 cm lang zijn. De stengelbladen worden geleidelijk smaller. De onderste bladeren zijn eirond tot langwerpig. De bovenste bladeren zijn langwerpig en niet getand. Alleen de onderste bladeren hebben een steel. De witte, roze of paarse gegroepeerde bloemen groeien dicht opeen in een hangende tros. De bloemen zijn klokvormig, 2-4 cm groot. De kelkbladen zijn spits, en 1/3 van de buisvormige, vergroeide kroonbladen. De bloeitijd is van mei tot augustus De zwarte nootjes zijn glad, glanzend en voorzien van een vlezig aanhangsel. Smeerwortel groeit op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op natte tot vochtige, voedselrijke grond en komt o.a. voor bij oeverruigten en uiterwaarden, in struikgewas en loofbossen. Toepassingen De jonge bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Omdat de bladeren harig zijn moeten ze eerst goed fijn worden gehakt voordat het aan een salade worden toegevoegd. Jonge scheuten kunnen als asperges worden klaargemaakt. Alleen de gebleekte stengels worden gebruikt. Oudere bladeren kunnen worden gedroogd en worden gebruikt als thee. Gepelde wortels kunnen in stukken worden gesneden en aan soepen worden toegevoegd. Een combinatie van gedroogde bladeren en wortels kan worden gebruikt om thee van te zetten. Geroosterde wortels kunnen samen met de wortels van paardebloem en cichorei worden gebruikt om koffie te maken. Geneeskrachtige toepassingen Smeerwortel staat al lang bekend voor zijn helende werking bij kneuzingen, verstuikingen en breuken. Leg gekneusde bladeren op een wond. Doordat de wortelsveel zetmeel bevatten kunnen ze worden gebruikt als een vorm van gips. Door ze te koken komt het zetmeel vrij die erg hard wordt en nadat het wat is afgekoeld kan dit rond een gewricht, arm of been worden gedaan. Het werkt ook goed om bij hetop het plaats houden van kompressen. Door de wortel tot poeder te vermalen kan dit op verse wonden worden gestrooid. Bij verkoudheid, keelpijn en ademhalingsproblemen kan een aftreksel van de gehele plant worden gebruikt. Een heet kompres kan gebruikt worden bij ontstekingen. Naar boven
Smeerwortel
Speenkruid
Gewoon speenkruid (Ranunculus ficaria subsp. bulbilifer) is een overblijvende plant en wordt tot 30 cm hoog. De wortels zijn voor een deel spoel- of knotsvormig verdikt. Gewoon speenkruid vormt vaak ronde knolletjes in de bladoksels. De vertakte stengels zijn sappig en richten zich halverwege op. De hartvormige bladeren zitten aan het uiteinde van een lange, wijde bladsteel. De glimmende bladeren zijn niet gedeeld. Ze zijn rond of de bovenste zijn hoekig. Vaak hebben ze een gave rand, maar soms zijn ze bochtig gekarteld. De planten vormen als het ware een "tapijt", het geheel is niet hoger dan 10 cm. De gele bloemen zijn 2 tot 3 cm groot, hebben acht tot twaalf kroonbladeren en drie groene kelkbladeren. Bij slecht weer blijven de bloemen gesloten, bij zon spreidt de bloem zich wijd open. Gewoon speenkruid bloeit van maart tot mei. Na de bloei sterft het bovengrondse deel van de plant af, maar de ondergrondse knolletjes van enkele millimeters lengte blijven in leven voor het volgende jaar. Het bijzondere van speenkruid is dat het alleen van maart tot mei groeit en niet in andere jaargetijden. Gewoon speenkruid groeit op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige grond en is te vinden aan o.a. bosranden, beek- oevers en rivieroevers. Toepassingen De eerste, jonge bladeren bevatten veel vitamine C en kunnen in de lente worden gegeten of als kruid worden gebruikt bij het koken. De bladeren en stengels kunnen als spinazie worden klaargemaakt. Het is van belang de blaadjes vòòr de bloei te verzamelenomdat tijdens de bloei in de plant een proces plaatsvindt waardoor er veel saponine en protoanemonine ontstaat, dat bitter en brandend smaakt en bovendien giftig is. Het sap kan op de huid blaren veroorzaken. Het plantensap werd vroeger als pijlgif gebruikt. De knoppen en bloesems kunnen echter wel worden gebruikt. Geneeskrachtige toepassingen Gebruik het uitgeperste sap uitwendig tegen aambeien. Naar boven
Speenkruid
Struisgras
Gewone struisgras, (Agrostis capillaris) is een overblijvende plant en wordt 10 tot 70 cm hoog. De gladde stengels kunnen aan de onderste knopen wortels vormen. De vlakke bladeren zijn ruw en 2 tot 5 mm breed. De bloeiwijze is een 5 tot 15 cm lange bruine soms paarsige pluim. De aartjes zijn eenbloemig en 2 tot 4 mm lang. Eerst zijn ze groen, maar na verloop van tijd worden ze purperachtig bruin. De aartjes zijn allemaal gelijk. Gewoon struisgras bloeit van juni tot augustus. De plant vormt een dichte zode en vormt soms korte bovengrondse uitlopers. De plant heeft lange ondergrondse uitlopers. Gewoon struisgras groeit op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op droge tot vochtige grond en is o.a te vinden op heide- en veengebieden, maar ook in weilanden, in wegbermen en in het bos. Tijdens droogte blijft Gewoon struisgras lang groen. Toepassingen De vruchten kunnen van juli tot en met oktober tot meel worden gemalen.
Struisgras
Veenpluis
Veenpluis (Eriophorum angustifolium) is een plant uit cypergrassenfamilie. De bladeren zijn donkergroen. Geleidelijk worden ze bruin en tegen bloeitijd sterven de bladeren af. Als het bloeiseizoen is afgelopen tegen het eind van de zomer, ontstaan er nieuwe bladeren. De bloempjes vormen aren, die van juni tot augustus in bloei staan. De bloemen zijn erg klein en vallen daarom niet op. Ze zijn tweeslachtig en in plaats van een kelk en kroon is er een krans van borstelharen, die later uitgroeien tot lange witte haren. Veenpluis bevat een driehoekig nootje, dat omringd wordt door langewitte haren (de pluis). De plant groeit op vochtige, zure grond, zoals zeggenmoerassen, heide en veen. Het vormt daar zoden met behulp van uitlopers. Opvallend is het lange, witte vrucht- pluis, waaraan de naam ontleend is. Toepassingen De basis van jonge stengels moeten worden gekookt. De zwarte bedekking van de wortels moet worden verwijderd waarna de wortel kan worden gekookt. De katoenachtige zaadharen kunnen gebruikt worden om kaarspitten of als tondel.
Veenpluis
Veldkers
De Kleine veldkers (Cardamine hirsuta) is een 7 tot 30 cm hoge, eenjarige plant. De planten zijn meestal groen, maar kunnen ook paars gekleurd zijn.De stengel groeit vrij recht omhoog. De plant is grotendeels kaal. De plant heeft een wortelrozet van geveerde bladeren, evenals 2-4 stengel bladeren. De 2-3 mm kleine kroonblaadjes zijn wit op een groene stengel, en elliptisch gevormd. De tweeslachtige bloemen kennen zelfbestuiving. De bloeitijd loopt meestal van maart tot mei, soms is er een nabloei in de herfst. De plantjes blijven gedurende de winter groen en bloeien al weer vroeg in het voorjaar. ToepassingenZowel de bladeren als de bloemen worden gebruikt als garnering of smaakversterker in o.a. salades of als kruid. De bladeren ontkiemen ook in de herfst, waardoor ze ook in de winter te gebruiken zijn.
Veldkers
Veldsla
Gewone veldsla (Valerianella locusta) is een eenjarige plant en wordt 7 tot 25 cm hoog.De stengels zijn niet behaard. De plant heeft aan de voet spatelvormige bladeren. De bovenste bladeren zijn lancetvormig tot langwerpig. De vijfslippige bloemen zijn bleeklila, maar soms wit of rozerood. De meeldraden staan op de bloemkroon ingeplant. Het driehokkige vruchtbeginsel is onderstandig, waarbij maar één hokje vruchtbaar is. De bloeitijd is in april en mei en soms ook in juli en augustus. De vrij grote en zeer lichte vrucht is een nootje en heeft de vorm van een platte ui of tulpenbol. Pas geoogst zaad kiemt slecht door de nog aanwezige kiemrust. De plant groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, grond en is te vinden in bermen en op dijken. Toepassingen De jonge bladeren hebben een vrij milde, enigszins nootachtige smaak en kunnen in grote hoeveelheden aan een salade worden toegevoegd of gestoofd worden gegeten. De bloemen en bloemstengels zijn rauw te eten.
Veldsla
Viooltje
Maarts viooltje (Viola odorata) is een overblijvende plant en wordt 5 tot cm hoog. De bladeren vormen een rozet. Het blad is hartvormig, rond of aan de top spits toelopend en verspreid behaard. De bladrand is gekarteld. De geurige bloem groeit in de bladoksels en is diep paars-blauw met in het midden wit. De bloemen zijn alleenstaand en staan op een lange steel. Het Maarts viooltje bloeit van begin maart tot eind mei, soms ook in augustus en september. Het maarts viooltje draagt een behaarde bolvormige doosvrucht. De plant heeft een wortelstok met kruipende uitlopers. Het maarts viooltje groeit meestal op licht beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond o.a. in bermen, bossen en struikgewas, langs bosranden en aan de voet van hellingen en rivierduinbosjes. ToepassingenMaarts viooltje is tijdens de hele winter aanwezig. De jonge bladeren en bloemknoppen kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De bladeren hebben een vrij milde smaak, maar worden wat taaier als ze ouder worden. De bladeren vormen een goede salade. Ook kunnen ze als verdikker in soepen worden gebruikt. Van de bladeren en de bloemen kan thee worden gezet. Bij het bakken van voedsel kan een aftreksel van de bladeren wordt gebruikt als smaakmaker.
Viooltje
Vogelmelk
Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum) is een 10 tot 30 cm hoge, giftige plant. De plant vormt een bloembol. De kroonbladeren zijn aan de buitenkant groen met een witte rand die tot aan het einde van het kroonblad loopt. De gewone bladeren zijn 2 tot 8 mm breed en hebben aan de binnenzijde een witte middenstreep. Vaak beginnen de bladen al tijdens de bloei te verdorren. De bloeiwijze is een schermvormige tros met tien tot twintig witte, stervormige bloemen, waarbij de onderste bloemstelen sterk verlengd zijn en zo een scherm vormen. De bloem bestaat uit twee trio's van binnen witte kroonbladen. De bloem heeft een doorsnede van 30 tot 50 mm. De bloem sluit zich bij slecht weer, en ook bij zon in de loop van de middag. De bloeitijd is in mei en juni. De voortplanting gebeurt doordat de bol nieuwe bolletjes voortbrengt. Zaden worden maar zelden gevormd en zijn dan meestal niet levenskrachtig. De plant groeit op zonnige tot licht beschaduwde en vaak vrij open plaatsen met een vochtige ondergrond en komt o.a. voor in loofbossen, aan bosranden en rivier- en beek- oeverwallen.(De plant is in Nederland beschermd.) Toepassingen De bol kan worden gedroogd en tot poeder worden vermalen. De bloemen kunnen aan brood worden toegevoegd.
Vogelmelk
Waterkers
Witte waterkers (Rorippa nasturtium-aquaticum) is een slappe plant, die onbehaard is en 10 tot 60 cm groot wordt. De holle, vierkantige, vlezige stengel is aan de onderkant kruipend. Witte waterkersen hebben geveerde bladeren met ovale deelblaadjes. De witte waterkers heeft witte bloemen met 4 tot 6 mm lange kroonblaadjes. De kroon- blaadjes zijn ongeveer tweemaal zolang als de kelkblaadjes. De plant bloeit als tros van mei tot de herfst. De vrucht is een onbehaarde hauw met een lengte van 1,3 tot 1,8 mm lang. De zaden liggen in ieder hokje in twee rijen en hebben aan beide zijden ongeveer twintig tot vijfentwintig mazen. De plant groeit aan en in het water van beken, sloten, plassen en moerassen. Slanke waterkers (Rorippa microphylla) is een vaste plant en groeit in en aan het water van beken, sloten en poelen. Het is een slappe plant, die onbehaard is en 10 tot 90 cm hoog wordt. De holle, vierkantige, vlezige stengel is aan de onderkant kruipend en wortelend. De geveerde bladen hebben ovale deelblaadjes. De plant bloeit met een tros van mei tot de herfst. De witte bloempjes hebben 6 mm lange kroonblaadjes, die ongeveer tweemaal zolang zijn als de kelkblaadjes.De vrucht is een onbehaarde hauw met een lengte van 1,6 tot 2,2 cm. In elk hokje komt een rij zaden voor. De zaden zijn netvormig getekend met op beide zijden circa honderdmazen. De plant lijkt op de witte waterkers, maar verschilt daarvan door de iets langere vrucht, de in elk hokje in een enkele rij in plaats van twee rijen liggende zaden en met ongeveer twee keer zoveel mazen op het zaad. Toepassingen De bladeren kunnen in salades en ook in soepen worden gebruikt. Ook kan de plant gekookt als een soort spinazie worden klaar- gemaakt. Vers bezit het blad een frisse, licht scherpe smaak. Zodra de planten bloeien zijn ze niet meer voor consumptie geschikt. De planten dienen alleen uit stromend water geoogst te worden, anders kan bacteriële infectie optreden. De bladeren zijn rijk aan vitamines en mineralen. De ontkiemde zaden kunnen aan een salade worden toegevoegd. De zaden kunnen worden gemalen en gebruikt als een mosterd. De scherpe mosterdsmaak wordt verkregen door het toevoegen van koude water. De reactietijd duurt 10 tot 15 minuten. Naar boven
Waterkers
Wilgenroosje
Het wilgenroosje (Chamerion angustifolium) heeft een lengte tussen de 60 tot 150 cm. De tegenover elkaar staande, ronde stengels zijn lang behaard en rijk vertakt. De rozetbladeren zijn eerst kaal en glanzend, maar later zijn de bladeren behaard en langwerpig. De bladeren zijn 6 tot 12 cm lang en hebben een gezaagde rand. Het is een overblijvende plant en bloeit in de maanden juni t/m september. De paarsrode bloemen hebben een doorsnede van 2 tot 3 cm en vormen bebladerde, soms vertakte trossen. De wortelstokken vormen vaak grote groepen met lange, dikke, ondergrondse uitlopers. Ze komen voor op zonnige tot half beschaduwde plaatsen op vochtige tot meestal natte, grond, zoals ruigten, verruigd rietmoeras,struikgewas, oevers, in duinvalleien, langs essen- en elzenbosjes en oeverwallen. Toepassingen De jonge scheuten kunnen in het voorjaar geplukt worden. Kook ze als asperges of doe ze inde soep. De jonge blaadjes en bloemknoppen kunnen in de zomer door een salade. Jong blad kan ook worden gekookt als spinazie. Van gedroogde oudere bladeren kan thee worden getrokken. De vezels in de stengel kan gebruikt worden om touw van te maken. De wortels kunnen rauw en gekookt worden gegetenof gedroogd en dan tot poeder gemalen. Gebruik de pluizige zaden als tondel.
Wilgenroosje
Weegbree
De grote weegbree (Plantago major) is een overblijvende plant en wordt 10 tot 50 cm hoog. De bladeren van de grote weegbree vormen een bladrozet en zijn breed-elliptisch of eirond. Elk blad is spaarzaam behaard of glad. De bladsteel is tamelijk lang en sterk geribbeld. De bloemen vormen een aar die rolrond is en 10 tot 15 cm lang kan worden. De tweeslachtige bloemen zijn groenachtig geel. De stempel komt het eerste te voorschijn. De helmknoppen zijn eerst lila, maar worden later geelachtig. De schutbladen zijn bruin en hebben een groene kiel en spits. De grote weegbree staat in bloei van mei tot november. De grote weegbree draagt een doosvrucht met een grootte van 2-5 mm. Elke vrucht bevat vier donkerbruine zaadjes of meer. De grote weegbree groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige tot matig droge grond. Toepassingen De jonge bladeren zijn nogal bitter en voor gebruik moeten eerst de vezels worden verwijderd. Het is beter om niet de bladstengel te gebruiken want die is nog vezeliger dan het blad. Om de bitterheid te verwijderen kunnen de bladeren worden geblancheerd en kunnen daarna in een salade worden gebruikt. De zaden zijn moeilijk te verzamelen. Ze kunnen worden vermalen in meel en vermengd worden met bloem. Het is erg rijk aan vitamine B. Gedroogde bladeren kunnen als thee worden gebruikt. Geneeskrachtige toepassingen Grote weegbree helpt bij een blaar en gaat blaarvorming tegen. Een blad moet eerst worden gekneusd, waarna het op de geïrriteerde huid kan worden gelegd.Grote weegbree heelt verder zweren en wondjes door ze te bedekken met een, aan een kant gepelde, blad. Ververs dit dagelijks. De blaadjes nemen geen bloed op. De hertshoornweegbree (Plantago coronopus) is een eenjarige, meerjarige of overblijvende plant en wordt 5 tot 30 cm hoog. De plant heeft een penwortel. De grond- standige bladeren staan in bladrozetten. Het blad is vlezig of zachtbehaard, enkelvoudig, lijn- tot lintvormig en/of veervormig ingesneden en toegespitst. De bladrand is gaaf of getand. De basis van de bladschijf is vleugelvorming. De nerven zijn in een veernervig patroon gerangschikt. De bladsteel is zeer kort of afwezig. De bloemstengel is rechtopstaand of opstijgend, behaard, rond en massief. De bloeiwijze is een aar. De witte bloemen zijn buis- of stervormig en symmetrisch. De bloemen bestaan uit vier kroonbladen en vier kelkbladen. De kroon is even lang of korter dan de kelk. De bloemen hebben vier meeldraden en één stijl met één stempel. De hertshoornweegbree bloeit van juni tot september. Na bevruchting worden er eivormige doosvruchten gevormd. Hertshoornweegbree groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige tot droge, meestal zilte en verdichte grond. Toepassingen De jonge bladeren zijn vrij zacht en hebben een lichte bitterheid. Ze kunnen worden gebruikt in een salade. Door ze even kort te blacheren worden ze nog zachter. Smalle weegbree (Plantago lanceolata) is een overblijvende plant en wordt 10 tot 80 cm hoog. De bladeren staan allemaal in een bladrozet. Ze zijn lancetvormig en in voedselrijke omstandigheden staan ze opgericht. Onder schrale omstandigheden zijn ze kleiner, ronder van vorm en liggen ze plat tegen de grond. Smalle weegbree begint in de voorzomer te bloeien en er zijn tot in de herfst bloeiende exemplaren te vinden. De aar staat op een gegroefde steel en is wat groen-bruinig van kleur. De witte helmknoppen die op de helmdraden relatief ver buiten de aar staan steken hiertegen af. De bloempjes hebben doorschijnende kroonslipjes met een bruine streep. De bloempjes produceren drie zaden. De aar is bij planten in voedselarme omstandig- heden korter en boller van vorm. De plant groeit op zonnige, open tot grazige plaatsen op droge tot vochtige, matig voedselrijke grond en is o.a.te vinden langs oevers, bij ruderale gronden, akkers en omgewerkte grond. Toepassingen De bladeren zijn nogal bitter en moeilijk om te bereiden. De vezels kunnen het best vlak voor het eten worden verwijderd. De zeer jonge bladeren zijn iets beter en minder vezelrijk. De zaden kunnen tot poeder worden vermalen en aan bloem worden toegevoegd. Geneeskrachtige toepassingen Smalle weegbree heeft een antibiotische, ontstekingsremmende, verzachtende, mild laxerende en vochtafdrijvende eigenschappen. Gekneusde bladeren helpen bij een snelle genezing van brandwonden, wonden en door heet water verbrande huid, bij zwellingen en insectensteken. Verse bladeren moeten kort voor de bloei worden verzameld en goed worden gedroogd. Een thee of siroop helpt bij ontsteking in de keel en de bovenste luchtwegen en wordt aanbevolen als middel tegen hoesten en verkoudheid. Een kompres van geweekte zaden of het verse sap verdunt met kamillethee helpt bij zweren, hoofdpijn en oog- en oorontsteking. Door de zaden in koud water te wellen kan het water ongezeefd na twee uur worden gedronken als middel tegen lichte diarree. Naar boven
Weegbree
Wollegras
Wollegras, slanke (Eriophorum gracile) is een overblijvende plant en 10 tot 50 cm hoog. De stengels zijn driekantig, zeer dun en vaal licht gebogen. De bladeren zijn 1 tot 2 mm breed en de onderste bladeren zijn min of meer vlak. De hogere stengelbladeren zijn helemaal of voor een groot deel driekantig en enkele cm lang. De bladscheden zijn vaak iets bruin tot rood gekleurd. Hij bloeit van mei t/m juli en vormt 2 tot 5 aren met iets ruwe stelen. De langste aarsteel is vaak niet langer dan 3 cm. De witte haren van het vruchtpluis zijn niet veel langer dan 2 cm en staan maar weinig uit. Slanke wollegras groeit op zonnige plaatsen op natte, voedselarme, zwak zure, vaak ijzerrijke veengrond en komt voor in veenmoerassen en aan de oevers van vennen en veenplassen. Toepassingen De basis van jonge stengels kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De wortel kan rauw of gekookt worden gegeten, maar dan moet de zwartachtige bedekking worden verwijderd.
Wollegras
Zegge
Zegge (Carex) zijn zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten en komen voornamelijk in gematigde en koude streken voor. Er zijn meer dan duizend soorten zegge. De stengels hebben randen want ze zijn driehoekig gevormd in plaats van de ronde stengels bij gras en biezen. Soms zijn de stengels en bladeren erg scherp door de gezaagde randen. De bladeren groeien in drie rijen en aan elke kant van de stengel één rij, waardoor ze naar drie verschillende kanten wijzen. Hierin verschilt de zegge met gras en biezen, want die groeien in twee rijen. Ook zijn de stengels van de zegge niet hol, zoals bij grasstengels. Zegge heeft smalle bloemen. De bloemen ontstaan uit de dichte aren en bestaan uit mannelijke of vrouwelijke delen. De bloemen hebben echter geen bloembladeren. Een aar bestaat uit alleen mannelijke bloemen, alleen vrouwelijke bloemen of uit allebei. De aren van de zegge hebben verschillende vormen van klein en eivormig tot lang en cilinderachtig.Zegge komt op talrijke plaatsen voor zoals bossen, rivieren, rond veenpoelen, in natte weide- en rivieren- gebieden en op en rond rivierduinen. Toepassingen Zowel de bladeren als de stengels kunnen worden gebruikt voor het maken van touw. De wortels kunnen worden gekookt.
Zegge
Zevenblad
Zevenblad (Aegopodium podagraria) wordt 60 tot 90 cm hoog. De blad- eren zijn drietallig bovenaan en tweetallig onderaan en hebben een buikige schede. De stengels zijn hol en gegroefd. De bloempjes zijn meestal wit, maar soms enigszins roze en hebben een doorsnede van 1 mm. Er zijn vijf kroonblaadjes met naar binnen gekrulde punten. Zevenblad bloeit als samengesteld scherm met 12 tot 20 stralen en er zijn geen omwindsels. De bloeitijd is van mei tot augustus. De plant groeit op beschaduwde plaatsen op vochtige of bemeste grond. Toepassingen De jonge bladeren en loten kunnen worden toegevoegd aan salades en soepen. Het zaad kan geroosterd worden en dan gebruikt worden als een koffiesurrogaat. Let op!! Er zijn zeer veel planten die opzevenblad lijken maar zeer giftig. Wees er dus zeker van dat hetzevenblad betreft.
Zevenblad
Zilverschoon
Zilverschoon (Potentilla anserina) wordt 10 tot 50 cm hoog. De bladeren zijn afgebroken geveerd en bestaan uit zes tot twaalf deelblaadjes. Deze deelblaadjes zijn diep getand. De onderzijde van het blad is witviltig behaard, maar soms ook de bovenkant. De naam van deze plant komt door het zilverig uiterlijk dat ontstaat door zijdeachtige haartjes waarmee de plant is bedekt. De bladeren vormen een bladrozet. Uitlopers wortelen op de knopen tot op 80 cm van de plant. De bloem is geel en heeft een doorsnede van 1,5-2 cm. Er zijn vijf afgeronde kroonbladeren en tien kelkbladeren. De bloem is voorzien van veel meeldraden. Zilverschoon bloeit alleenstaand aan lange bloemstelen van mei tot augustus. Zilverschoon komt voor op vochtige plekken o.a. langs wegen en op graslanden. Toepassingen De dunne wortels kunnen worden gekookt of worden gedroogd en tot een poeder worden vermalen, waarna het in soepen kan worden gebruikt. De jonge bladeren zijn rauw eetbaar. Van de bladeren kan thee worden gezet
Zilverschoon
Zuring
Krulzuring (Rumex crispus) is wordt 30 tot 150 cm hoog en vormt een gele, vertakte penwortel. De plant heeft een gegroefde stengel. De lancetvormige, brede bladeren kunnen tot 40 cm lang worden en hebben van boven een vlakke bladsteel. De plant heeft haar naam te danken aan de sterk gekroesde rand. De krulzuring bloeit van mei tot oktober met groene bloemen die in slanke pluimen zijn gerangschikt. De vrucht is een 1,5 tot 1,8 mm breed, driekantig nootje.De plant komt voor op vochtige, voedselrijke grond en langs vloedmerken. Toepassingen De bittersmakende bladeren kunnen worden gekookt of toegevoegd aan een salade of soep. Alleen de jonge bladeren moeten worden gebruikt. Het beste is om de bladeren te verzamelen als de stengels zich nog niet hebben ontwikkeld en zelfs deze kunnen bitter smaken. Indien de bladeren in de vroege lente of en de herfst worden gebruikt smaken ze echter beter. De bladeren zijn rijk aan vitaminen en mineralen; vooral aan ijzer en de vitaminen A en C. Oudere bladeren worden te bitter om te eten. De stengels kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Ze kunnen het beste worden gepeld en dan kan het binnenste gedeelte worden gegeten. De zaden kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De zaden kunnen tot poeder gemalen worden en dan als meel worden gebruikt. Ridderzuring (Rumex obtusifolius) is een overblijvende plant en wordt 80 tot 150 cm hoog. De wortelbladeren en onderste stengelbladeren zijn groot en breed, zijn eivormig en hebben een hartvormige voet. De hogere bladeren zijn smaller. Ridderzuring heeft kleine, tweeslachtige groene bloemen. De vruchtdragende bloemdekken zijn langer dan 3,5 mm. De binnenste bloemdekbladen zijn eirond tot langwerpig. De bloeitijd is van juni tot en met oktober. Ridderzuring heeft de voorkeur voor zonnige tot licht beschaduwde en vochtige grond. Hij groeit o.a in bermen, beschaduwd grasland, waterkanten, rivieroevers en langs bospaden en dijken. Toepassingen De jonge bladeren worden eerst gekookt om de bittere smaak te verminderen. Bladeren kunnen gedroogd bewaard worden voor later gebruik. De bladeren hebben een mildere smaak wanneer ze in de vroege lente te voorschijn komen. De jonge stengels kunnen worden gekookt. Schapezuring (Rumex acetosella) wordt 10 tot 60 cm hoog en vormt veel en lange ondergrondse uitlopers. De 3 tot 7 cm lange, spiesvormige bladeren zijn omgekeerd-eirond tot lijnvormig. De bloemen zijn tweehuizigen zijngroen of lichtrood aangelopen. De mannelijke bloemen hebben een vrijwel vlak bloemdek met ongeveer even grote rode slippen. De vrouwelijke bloemen zijn rood tot groen. Schapenzuring bloeit van mei tot de herfst met meestal groene of lichtrood aangelopen pluimen. Schapezuring komt voor op zonnige, open plaatsen bestaande uit droge, stikstofhoudende zand-, heide- en veengrond. Toepassingen De jonge blaadjes kunnen rauw gegeten worden. Ze smaken fris zuur en kunnen alskruid worden toegevoegd aan gemengde salades. De bladeren kunnen als verdikker aan soepen, stoofpotten en sauzen worden toegevoegd. Tevens kan van de bladeren een frisse drank worden gemaakt door ze te koken en het geheel af te laten koelen. De wortels worden gedroogd en vermalen tot poeder om ze als meel te gebruiken in verschillende gerechten. Veldzuring (Rumex acetosa) is een overblijvende plant die meer dan een halve meter hoog kan worden. De bladeren zijn pijlvormig en gaaf- randig. De bladeren van het rozet zijn gesteeld, maar langs de stengel zijn ze ongesteeld. De bloemen zijn tweehuizig en bestaan uit kleine roodachtige en groene bloempjes. De bloeitijd is in mei en juni. De plant komt op matig voedselrijke en matig vochtige grond voor, zoals in loofbossen, langs bospaden, beekoevers, rivieroevers. Vaak en met name op zonnige plaatsen zijn veel delen van de plant rood aangelopen. Toepassingen De jonge blaadjes worden in kleine hoeveelheden gebruikt in salades, soepen en als kruid voor sauzen. Bladeren kunnen gedroogd bewaard worden voor later gebruik. De bloemen kunnen als groente worden gekookt. Naar boven
Zuring
zwenkgras
Rode zwenkgras (Festuca rubra) is een overblijvende plant en wordt 10 tot 100 cm hoog. De stengels vormen brede pollen of matten. De onderstebladeren zijn borstelvormig en 0,5 tot 1 mm breed. De stengelbladeren zijn vlak en 1 tot 6 mm breed. De bladschede is kokervormig en meestal behaard. Het tongetje is kort en stomp. De rechtopstaande bloempluim is 6 tot 15 cm lang en heeft schuin omhoog staande takken. De 0,5 tot 1 cm grote aartjes bestaan uit paarsrode of geelbruine met 4 tot 6 bloemen. De bloeitijd is van mei tot en met augustus.De vruchten zijn bovenaan kaal. Rood zwenkgras groeit op zonnige of soms licht beschaduwde grond en is te vinden in duinen, bossen, houtwallen, struikgewas en langs de oeverwallen van grote rivieren. Toepassingen De vruchten kunnen van juli en augustus tot meel worden gemalen.
Zwenkgras
Varens
Varens vermenigvuldigen zich door middel van sporen, dit in tegenstelling tot de zaadplanten. Alle varens hebben wortels, een stam en zowel vruchtbare bladen, waar de sporen zich op bevinden als onvruchtbare bladen zonder sporen. De meeste soorten hebben een wortelstok (rhizoom), een kruipend stuk stengel onder de grond. Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) is een forse plant met fris- of geelgroene bladeren met een tot 1 meter lange, geelachtige bladsteel. De bladeren van de adelaarsvaren staan alleen en zijn dubbelgeveerd en soms zelfs driedubbel geveerd. De adelaarsvaren wordt vaak massaal aangetroffen in bossen op zandgrond, maar groeit ook op open plekken. De adelaarsvaren houdt niet van heel vochtige grond. De vermeerdering gebeurt vooral door middel van de dikke, zwarte wortelstok. De adelaarsvaren dankt zijn naam aan het feit dat als de bladsteel aan de voet schuin wordt doorgesneden er een figuur ontstaat dat op twee adelaars lijkt. Dit figuur ontstaat door de ligging van de vaarbundels. Toepassingen De vezelrijke wortels bestaan voor ongeveer 60% uit zetmeel en gedroogd kunnen ze jaren worden bewaard. De wortels zijn in gekookte of geroosterde vorm eetbaar. Om de zetmeel vrij te maken worden ze, na eerst te zijn gedroogd, geroosterd. Hierna wordt de buitenste schil eraf gepelt, waarna de wortels tot poeder worden gestampt, zodatde binnenste vezels verwijderd kunnen worden. Dit zetmeelrijke poeder kan worden toegevoegd aan meel en samen met suiker tot een soort pasta worden gemaakt. De wortels hebben een verstoppende effect en kunnen daarom beter gegeten worden met voedsel,welke een meer laxerende werking heeft. Alleen de jonge scheuten, die zich nog niet hebben ontvouwd, kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Het is echter beter om de scheuten eerst te koken. Eerst worden de wollige delen verwijderd en vanwege de wat bittere smaak worden ze vaak voor een paar minuten geblancheerd in kokend water en daarna voor twee uur in koud water gedompeld. Hierna kunnen ze worden gekookt. Eet geen grote hoeveelheden. Geneeskrachtige toepassingen Een papje van fijngewrevenbladeren kan worden gebruikt voor het behandelen van zweren en wonden. Een aftreksel van bladeren helpt bij maagklachten. De wortel is een middel tegen misselijkheid en/of braken en is antiseptisch. Een thee van de wortels kan worden gebruikt voor de behandeling van maagklachten, pijn in de borst, verkoudheid en bij het verdrijven van wormen. Een papje van wortels kan toegepast worden bij pijnlijke plekken, zweren en brandwonden. Let op!!! De bladeren en de wortels bevatten stoffen die, indien ze rauw worden gegeten, het lichaam van vitamine B1 beroofd. Naar boven
Varens
Aalbes
Aalbes (Ribes rubrum) is een overblijvende plant en wordt 90tot 150 cm hoog. De bladeren zijn aan de voet hartvormig met meestal 5 lobben. De bladeren zijn aan de onderkant vaak dicht behaard. De geelgroene, vaak iets paarsige, bloemen hebben een grootte van 5 mm en groeien in hangende trossen. De kroonbladeren zijn zeer klein. Eerst staan ze af en later rollen ze achterover. De kroonbladeren zijn niet behaard en schaal- vormig met in het midden een vijfhoekige richel om de stijl. De bloeiperiode is in april en mei.De 6 tot 10 mm grote bessen zijn glanzend helderrood of soms geel- achtig wit en zijn eind juni rijp. Aalbessen groeien op zonnige tot meestal licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte grond, zoals in bossen, houtwallen, moerasbossen, beschaduwde rotsen en beekoevers. ToepassingenAalbessen kunnen vers worden gegeten of tot sap of jam verwerkt. Gedroogde bessen kunnen worden verwerkt tot een frisse thee.
Aalbes
Wilde appel
De wilde appel (Malus sylvestris) is een is een kleine boom of struik. De hoogte kan 10 m bedragen, maar de plant is vaak kleiner. De wilde appel heeft een dichte, lage en koepelvormige kroon met dichte, kronkelende takken. De boomschors is grijsachtig bruin of donkerbruin. Vaak is deze gebarsten in rechthoekige stukjes. De twijgen zijn geribbeld en vaak gedoornd. De bovenkant is donkerpaars en de onderkant is bleekbruin. Er zitten kleine knoppen op met een lengte van 4 à 5 mm. Deze zijn donkerpaars en zijn bedekt met kleine haartjes. De wilde appel heeft eivormige bladeren met een afgeronde of wigvormige voet. De bladeren zijn toegespitste en gekarteld of gezaagd. Het blad is ongeveer 5 bij 3 cm. De bladsteel is gegroefd en dicht behaard. Het blad is aan de bovenzijde heldergroen en aan de onderkant bleek en donzig. De wilde appel heeft kleine bloemen met vijf witte kroonblaadjes met een roze waas. Er zijn veel gele meeldraden. De bloeiwijze is een schermvormige tros en zit aan de top van de korteloten. De vrucht (de appel) is bolvormig en groenachtig geel met witte spikkels. Soms hebben ze een rood blosje. De top en basis hebben een indeuking. Wilde appels zijn zuur, maar smaakvol. Toepassing De wilde appel kan voor van alles worden gebruikt. Het hout kan worden gebruikt voorsnijwerk en andere houtbewerking. Het hout is ook geschikt voor brandhout. Uit de wortels kan een stof worden gewonnen om wol geel te verven. De appels kunnen verwerkt worden tot appelsap enappelstroop. Hoewel veel kleine appeltjes niet goed eetbaar zijn kan er bijvoorbeeld jam van worden gekooktof gelei gemaakt. Vroeger werd gegist sap van appels als geneesmiddel tegen brandwonden en verstuikingen gebruikt. Geneeskrachtige toepassing Gegist sap van appels helpt tegen brandwonden en verstuikingen. Naar boven
Wilde appel
Berk
Berken (Betula)zijn heel gemakkelijk te herkennen aan de opvallende witte kleur van hun stam. In ons land komen twee soorten van nature voor: de ruwe berk (Betula verrucosa) en de zachte berk (Betula pubescens). De ruwe berk en de zachte berk zijn spontaan met elkaar gaan kruisen, hierdoor is het moeilijk om zuivere vormen te vinden. De ruwe berk behoudt tot op hoge leeftijd een gladde, afschilferende bast. De zachte berk draagt een dikke bast in de vorm van schubben. De ruwe berk heeft, in het algemeen, meer afhangende takken in tegenstelling tot de zachte berk, waarvan de takken schuin omhoog gericht staan. Zowel de ruwe berk als de zachte berk hebben zonnige tot licht beschaduwde plaatsen nodig. De ruwe berk (Betula pendula) wordt tot 30 m hoog. De oudere stambasis vertoont over het algemeen barsten. De twijgen zijn meestal overhangend. De bladeren worden 3 tot 7 cm lang, eirond tot ruitvormig, spits en kaal. De katjes worden 2 tot 4 cm lang. De ruwe berk is onder andere te vinden inloofbossen, naaldbossen, houtwallen, heide en langs vennen. De zachte berk (Betula pubescens) wordt tot 20 m hoog enheeft opgaande twijgen, door elkaar groeiend, en heeft haren op de jonge twijgen. De bladeren zijn 3-6 cm, eirond tot ruitvormig, spits, onderzijde behaard. De katjes zijn 2 tot 3 cm. De zachte berk is onder andere te vinden in moerassen, moerasbossen, hoogveen, venige duinvalleien en loofbossen. Toepassingen Van de bladerenkan thee worden gezet. Uit de bladknoppenkan een lichtgele olie gedestilleerd worden met een houtige geur. Berkenbladeren die in het voorjaar geplukt worden bevatten naast harszuur en kalizout ook saponine. Binnenschors kan worden gekookt of gedroogd en tot meel gemalen. Het kan worden toegevoegd aan soepen als verdikker of vermengd met bloem om broodte bakken. Berkensap is het hars afkomstig van de berkenboom. Dit hars is eenlichtzoete, waterige vloeistof. Het wordt verzameld in het vroege lente voordat de bladeren zich ontplooien. Tegen eind maart bevat het sap zo'n 10 a 15 g suikerper liter. Het verzamelde sap kan gedronken worden als een vruchtensap. Het kan worden ingekookt tot een siroop. Bij de berk zijn er verschillende methodes voor het aftappen van sap. De bekendste methode is het boren van een gat in de berkenboom en dan met behulp van een buisje en een afgedekte pot het sap om te vangen. Het sap komt hierdoor rechtstreeks uit de stam met als gevolg dat de boom dood kan gaan doordat er teveel sap wordt afgetapt. Een grote berkenboom kan vijf tot tien liter wel missen en als deze hoeveelheid is bereikt moet het gemaakte gat dicht worden gemaakt. Dit kan door een houten plug op maat te snijden en in het gat te slaan, zodat deze volledig afgesloten is. Een andere methode is een stuk eenvoudiger en beter voor de boom. Snij bij verschillende bomen één tak schuin af. Dit hoeft geen dikke tak te zijn. Hier komt dan sap uitgedruppeld. Bevestig aan die tak een smalle, lange pot en zorg er voor dat de tak wat naar beneden gebogen wordt. Bijna elke dag of om de twee dagen kan dan een volle pot berkensap worden geoogst. Het tappen kan doorgaan totdat het sap een wit kleur krijgt.Het schors wordt o.a. gebruikt als kanobedekking, dakpannen en om drinkvaten te maken. Het is waterafstotend, duurzaam en sterk. Het is het makkelijkst te verwijderenaan het einde van de lente en begin van de zomer. Houtteer wordt in de lente verkregen van de witte schors. Het heeft een schimmelwerende werking en wordt ook gebruikt als een insectenwerend middel, lijm en medicijn. Eenafkooksel vanhet binnenschors wordt gebruikt als conserverend middel om touw te beschermen. Touw kanvan de vezels vanhet binnenschors worden gemaakt. De jonge takken zijn erg flexibel en worden gebruikt om o.a. kwasten en bezems te maken. Ze worden ook gebruikt om te vlechten en om schotten te maken. Het hout is zacht, licht en duurzaam. Het wordt voor verschillende doeleinden gebruikt, zoals stelen voor gereedschap, meubels en voor houtsnijwerken. Het hout van de berk brandt snel en helder. Ideaal voor een snel vuur. Repen dunne schors zijn buitengewoon geschikt om als tondel tegebruiken. Geneeskrachtige toepassingen Het sap moet dus in de lente worden verzameld, maar de bladeren en schors in de lente en de herfst en moeten vervolgens worden gedroogd. Berkenbladthee werkt urine-uitdrijvend, zweetdrijvend en ontwormend en is een uitstekende vochtafdrijvende middel zonder dat de nieren overmatig gestimuleerd worden. Het vocht dat wordt verkregen door de schors te koken, werkt als een verdovend middel bij het baden bij aanhoudende zweren en wonden of als warm kompres. Een kompres van de bladeren, schors en katjes kan worden toegepast op open wonden, brandwonden en huidirritaties. De berk helpt ook bij hevige pijn door van gekneusde bladeren een kompres te maken, kan dit op de zere plek worden gelegd.Wonden genezen door ze met een aftreksel van berkenknoppen- en bladeren te wassen. Op slecht genezende wonden kan ook vers jong berkenblad worden gelegd. Naar boven
Berk
Beuk
De beuk (Fagus sylvatica) is een van nature in Europa voorkomende boom. Met zijn grootte tot 40 meter is het een hoge boom. De schors vrij dun, grijs en glad. De bladeren zijn eivormig, tot 10 cm, hebben een spitse top, een gegolfde of soms getande gewimperde rand eneen korte steel. Eerst doorschijnend lichtgroen en rimpelig, later glanzenddonkergroen. Debeuk is eenhuizig; er zijn dus mannelijke en vrouwelijke bloemen aan dezelfde boom. De knoppen zijn langwerpig en bestaan uit schubben. De bestuiving vindt plaats door de wind. De vruchten van een beuk zijn noten, welkeworden omsloten door een napje, dat gevormd wordt uit de vruchtbladen en de schutblad. In elk napje zitten 2 nootjes. Als de nootjes rijp zijn opent het napje in vier delen en vallen de beukennootjes op de grond. De beukennootjes wordenverspreid door o.a. eekhoorns, die ze gebruiken als wintervoorraad. De beuk kan goed tegen schaduw. Toepassingen De jonge bladeren kunnen rauw worden gegeten en worden toegevoegd aan een salade. Gebruik alleen de allerjongste bladeren, want de bladeren worden snel stug. Elk jaar worden in twee periodes van drie weken bladeren gevormd, de eerste keer in de lente en de tweede keer middenzomer. De noten zijn rijk aan proteïne en zijn zowel rauw als geroosterd eetbaar. Door ze eerst te schillen en te vermalen en daarna te persen komt de olie in de noten vrij. De noten kunnen niet in grote hoeveelheden worden gegeten, omdat ze een klein beetje giftig blauwzuur bevatten, maar door ze te roosteren wordt het gif verwijderd. De olie kan worden gebruikt voor salades en voor bij het koken, maar ook als brandstof om licht te maken en als smeermiddel. De in de winter verzamelde en op de twijgen gedroogde bladknoppen worden gebruikt als tandenstokers. De bladeren worden in de herfst verzameld om als opvulmateriaal te dienen voor matrassen. Geroosterd noten worden gebruikt als vervanger van koffie. Het hout is hard, zeer goed te bewerken en splintert niet. Het krimpt echter tijdens het drogen meer dan de gemiddelde houtsoort, waardoor het lelijk kan werken (scheuren). Het hout geeft eengrote en regelmatige vlam en is zowelgroenals doodgoed brandbaar. Geschikt voor het roken, bijvoorbeeldvan vis. Naar boven
Beuk
Bosbes
De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een dwergstruikje van 15 tot 60 cm hoog. Hij houdt niet van kalkhoudende grond maar past zich beter aan op een vochtige, zure bodem. De blauwe bosbes groeit voornamelijk in open bossen, op heide en veen in de gematigde en subarctische gebieden in de wereld. De stengels ontspringen uit een wijdverspreid wortelstelsel met wortelstok. De kantige twijgen zijn groen. De bladeren zijn lichtgroen, eirond tot elliptisch en hebben een zwak gezaagde rand. Ze zijn 1-3 cm lang. De bladeren vallen af in de late herfst. Hierbij worden ze eerst geelbruin; maar op sommige plaatsen kunnen ze oranje of rood kleuren.De ballonvormige bloemen zijn roze en hebben een groene waas. De bloemen zijn met hun open einde naar beneden gericht. De bloeitijd is van april tot juni, met soms een tweede bloei in de herfst. Kort na het uitbloeien van de roze, bolronde bloemen ontstaan er op stengels, ouder dan 3 jaar, zwartblauwe bessen, bedekt met een waas. Elke bes kan tot 40 zaadjes bevatten. De rode bosbes of vossenbes (Vaccinium vitis-idaea) wordt tussen de 10 en 40 cm groot en heeft een compacte, rechtopstaande vorm. De ovale bladeren zijn afwisselend geplaatst en tweedelig gerangschikt, donkergroen en leerachtig. Aan het einde van de groeischeuten hangen de trossen met witte, soms rossige, klokvormige bloemen. De bloemtrossen bestaan uit vier bloemen. Eind augustus, begin september rijpen de bessen in vijf tot zes weken via wit naar helderrood. Onder goede omstandigheden rijpen de rode bosbessen nog een tweede keer in september en oktober. De rode bosbes is groenblijvend. Ze prefereert zonnige en droge standplaatsen op zure, schrale grond en verdraagt zelfs nog schaduwrijke bossen en voedingsarme zandgronden. Omdat de rode bosbes vorstbestendig is (temperaturen tot -22°C worden verdragen) komt ze overal op het noordelijk halfrond voor; van de noordelijke gematigde klimaatszone tot in het bereik van de Noordpoolcirkel. Toepassingen De bessen, rauw of gekookt, smaken zoet en bevatten een hoge gehalte aan vitamine C. Gebruikt de bessen voor jam of voor sap. De vruchten kunnen worden gedroogd en als krenten worden gebruikt. Van de bladeren kan thee worden gezet. Geneeskrachtige toepassingen Gedroogde bladeren werden voor allerlei verschillende behandelingen gebruikt. De bladeren moeten vroeg in de herfst worden verzameld, waarbij alleen de groene bladeren moeten worden gekozen. Deze moeten dan boven een klein vuur worden gedroogd. De bladeren mogen niet meer dan drie weken achter elkaar worden gebruikt. Thee gemaakt van de gedroogde bladeren is sterk bloedstelpend, werkt bevorderend voor urineafscheiding, werkt versterkend en is antiseptisch. Een aftreksel van de bladeren wordt plaatselijk gebruikt voor zweren. Verse vruchten hebben een lichtlaxerende werking, maar indien gedroogd werkt het bloedstelpend. Bij maagklachten kan een extract van de vrucht worden gebruikt. Naar boven
Bosbes
Braam
De Gewone braam of Bosbraam (Rubus fruticosus) is een meerjarige struikachtige plant die algemeen voorkomend. De bladeren overlappen elkaar niet aan de randen. De steeltjes van de blaadjes van een vijftallig blad zijn 0-8 mm lang. De bladeren blijven tot laat in de herfst of het begin van de winter aan de plant. De onderzijde van de bladeren bevatten stekels. De stengel is niet of nauwelijks berijpt en met sterke stekels bezet. De plant klimt tot 1,5 tot 3 meter hoog. De bloemen zijn wit of roze en bloeien in juli en augustus. De kelkbladen zijn niet toegespitst. De kroonblaadjes zijn vaak iets elliptisch van vorm. De vruchten zijn van donkerblauw totblauw- rood en verschijnen in augustus en september. De vrucht bestaat uit een verzameling (steen)- vruchtjes, de deelvruchtjes zijn alle goed ontwikkeld. Ze groeien alleen aan tweejarige stengels. Bramen worden op lichtzure tot zure grond aangetroffen. Bramen groeien op arme grond, maar ook op omgewerkte voedselrijke grond. De dauwbraam (Rubus caesius) is een kruipende overblijvende plant. De takken zijn kruipend , en 1 tot 3 meter lang. De bladeren groeien altijd in 3-tallen. De kelkbladen zijn lang gespitst. De bloemen zijn wit of roze. De vruchten zijn vaak iets kleiner dan die van de bosbraam, hebben een lager suikergehalte en zijn iets sappiger. Ze houdt van kalk en open plaatsen met veel zon. Ze houdt ook van humus, maar nodig is dit niet, ook op vrijwel puur zand groeit ze en brengt bloemen en vruchten voort. Toepassingen De vruchten kunnen zowel rauw of gekookt gegeten worden en worden verwerkt in siroop, jam en tot sap. Om de wortel eetbaar te maken moet het lang worden gekookt. De wortel mag echter niet te jong en niet te oud zijn. Thee kan van gedroogde, maar jonge bladeren worden gemaakt. Verzamel jonge scheuten als ze in de lente net uit de grond komen en ze nog zacht zijn. Pel de jonge scheuten en gebruik ze voor in een salade. Van de stengels kan touw worden gemaakt. Naar boven
Braam
Den
De den is van de spar te onderscheiden doordat de naalden bij de den bij elkaar staan en bij de spar afzonderlijk. Ook heeft de den ronde en de spar platte, driehoekige of vierhoekige naalden. De naalden van de den staan twee aan twee. De grijsgroene naalden zijn gedraaid en kunnen tot 8 cm lang worden. De grove den (Pinus sylvestris) is eennaaldboom. De naam is misleidend en zou pijnboom moeten zijn. De grove den kan 25 tot 35 m hoog worden en heeft een penwortel, waarmee ook uit grotere diepte water opgenomen kan worden. Jonge bomen hebben een kegelvormige kroon. Oudere bomen hebben een meer schermvormige kroon en een lange stam. De onderste takken zijn afgestorven en zitten deels nog aan de stam vast. De jonge bast aan de top van de boom is glad en grijsgeel van kleur. Op oudere leeftijd wordt er een ruwe plaatvormige schors gevormd. De plaatjes van de schors zijn vrij klein. De jonge kegels zijn groen en kleuren later donkergrijsbruin. De kegels kunnen tot 8 cm lang worden en zitten twee aan twee of in groepjes aan kromme steeltjes. De zeeden (Pinus pinaster) is een boom uit de dennenfamilie en heeft een hoogte van circa 30 meter. De kroon is piramide- vormig. Bij oudere bomen is er een lange, kale en bochtige stam. De takken staan dan ook wat meer gespreid aan de top, die dan tamelijk plat is. De boomschors is bleekgrijs of roodachtig bruin en heeft diepe groeven. Later wordt de schors donkerder. De takken zijn rozekleurig of roodachtig bruin en zijn onbehaard, in tegenstelling tot sommige andere dennen. De knoppen zijn helder roodbruin. Ze zijn niet harsachtig en hebben franje aan de schubben. De zeeden heeft stevige, leerachtige naalden met een scherpe punt. De naalden groeien in paren en worden 15 tot 25 centimeter lang. De kegels zijn helder glanzend bruin en puntig. Ze worden tot 22 cm lang. De schubben dragen een naar boven gerichte stekel. De kegels blijven verscheidene jaren aan de boom zitten. Toepassingen De naalden en de binnenbast (cambium) zijn eetbaar. De dunne binnenbast is rijk aan vitamine C. De dennenappels kunnen verhit worden om zodoende de zaadjes eruit te laten komen. Deze smaken rauw al goed, maar nog beter als ze worden geroosterd. De jongere dennenappelszijn gekookt net eetbaar. Twijgen en dennenkegels vormen goed aanmaakmateriaal. De as van de kegels is ideaal voor bakken van brood en omwortels en knollenin te poffen. Dennenbomen leveren stevig, harshoudend hout, maar het hout brandt vlug weg. De boom een belangrijke leverancier van hars en houtteer. De wortels die net onder de oppervlakte liggen, of zelfs er net boven, zijn geschikt voor bindwerk. Naar boven
Den
Duindoorn
Duindoorn (Hippophae rhamnoides) komt van nature vooral voor in open, kalkrijke duinen. De duindoorn (Hippophae rhamnoides) is een struik, verdraagt zout en is aangepast aan omstandigheden waarin weinig vocht beschikbaar is. Ook is hij goed bestand tegen het stuiven van het zand. De duindoorn is overblijvend en kan tot 4,5 meter hoog worden. De wortels vormen een wortelstelsel met meer dan 1 meter diepgaande hoofdwortels en horizontale uitlopers. De struik heeft meerder stammetjes met een grijze, gegroefde bast. De takken zijn doornig, dun en overdekt met zilverkleurige schubben, welke later donkerbruin kleuren. Aan het einde van het voorjaar krijgt de duindoorn smalle, grijsgroene bladeren. Die kleur wordt veroorzaakt door de haren op het blad die de duindoorn tegen uitdroging beschermen. De bladeren zijn verspreid, langwerpig tot smal spatelvormig, hebben eengave rand eneen korte steel. De steel is van boven grijsgroen en van onderen witachtig. De bloemen verschijnen voor de bladeren en bloeien in de maanden april en mei. De groenige bloemen zijn tweehuizig, er zijnzowelmannelijke en vrouwelijke struiken zijn. In het najaar draagt de vrouwelijke struikgrote hoeveelheid vruchten. De vruchten bestaan uit oranje bijna bolronde bessenvan 6 tot 8 mm groot. Toepassingen De vruchten zijn rijk aan vitamine C en A, maar zijn voor de meeste mensen te zuur om rauw te eten. Ze kunnen worden gebruikt om vruchtendrank te maken. De vruchten worden minder zuur door ze te koken of na nachtvorst. De vruchten zijn vanaf eind september rijp en hangen, indien ze niet door vogels worden opgegeten, de hele winter aan de struik.
Duindoorn
Eik
Eiken (Quercus) zijn historisch gezien één van de dominantste soorten in het West-Europese bos. Eiken hebben echter licht nodig om te ontkiemen en op te groeien tot een boom. In een 'natuurlijk' bos zonder grote grazers is de concurrentie voor licht in het nadeel van de eik. Schaduwhoutsoorten als beuk en haagbeuk zijn beter in staat om die gaten te dichten. In een natuurlijke bos met grote grazers (rund, paard, herten, eventueel wisenten eland) bestaat een bos uit een boomgroep omgeven door bos- randen van struweel. Dat struweel, bestaande uit sleedoorn, braam, meidoorn en roos, is in eerste instantie boomloos. De eik is aangewezen op dieren om de eikel verder van de boom te verplaatsen. Eikels worden hoofdzakelijk door de Vlaamse gaai, de bosmuis, en de eekhoorn verspreid. De Vlaamse gaai zorgt voor transport op lange afstand (tot enkele kilometers ver). De eekhoorn en de bosmuis zorgen vooral voor de verspreiding van eikels binnen het bos. Eekhoorns begraven voorraden eikels voor de winter. Als een eekhoorn omkomt of de voorraad niet of onvolledig aanspreekt of vergeet, is dat een ideale plaats voor de eikels om te kiemen. Zomereik Wintereik Amerikaanse eik Toepassingen De bast en de eikels bevatten tannines. De bast van de eik werd vroeger gebruikt om een dierenhuid te kunnen looien tot leer. Eikels zijn voor mensen giftig, maar kunnen echter eetbaar worden gemaakt door ze te schillen. Een handige manier om te ‘schillen’ is door met een steen op de eikel te slaan, waardoor de eikel makkelijk open breekt. Nadat de noot van de schil is ontdaan, verwijderdan de dunne, bruinevlies rond de noot. De vlies komt makkelijker los door de noot in twee de splijten en dan rustig tussende handen te rollen.Daarna de eikels in al kokend water plaatsen en dan verschillende malenkoken. Het water verwisselen om de bittere smaak te verminderen. Ook is het mogelijk omde eikels eerst enkele dagen in water te weken en ze daarna te roosteren. Daarna kunnen de eikels tot meel worden gestampt en gemalen. Ook kunnen de eikels worden gepoft in de hete as van een vuur. Een andere manier is om de eikels enkele dagen te laten drogen en dan de eikels te pellen, waarbij ook het bruinevlies moet worden verwijderd. Verpulver de eikels tot meel en spoel dit enkele malen met water schoon. Vermeng het meel met water en breng dit zachtjes aan de kook (ongeveer 45 minuten). Deze pap kan primain combinatie met gedroogde bessen, vlees, vis of kruiden. Van geroosterde en vermalen eikels kan koffie worden gezet.Het eikenschors kan als theeworden gebruikt. De eik is een harde houtsoort, geeft een langbrandendevuur en vormt prima as. Geneeskrachtige toepassingen Een afkooksel van jonge bast kan worden gebruikt als een gorgeldrank bij infecties aan de mond, de keel en het tand- vlees.Afkooksels van de bast kunnen ook gebruikt worden bij acute diarree en bloed in de urinewegen en maagdarmkanaal. Een handvol bast, gekookt in melk, is een antigif na het inslikken van giftige bessen, paddestoelen en strychnine. Let wel op, want een (te) sterk gezette thee verstoort de maag. Naar boven
Eik
Els
De els (Alnus) kan een hoogte bereiken van 25 meter.De rijkvertakte, meerstammige boom heeft een gladde grijswitte tot groenachtige stam. De bladeren zijn rondachtig tot eirond-elliptisch en graf dubbelgezaagd. Van boven zijn de bladeren donkergroen en kaal, maar van onderen grijsgroen.Ze vallen groen van de boom en vertonen dus geen herfstkleur.De boombloeit voordat de bladeren verschijnen eniseenhuizig. De els heeft dus zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen, katjes genoemd. De mannelijke katjes zijn langwerpig en hangen. De vrouwelijke katjes staan min of meer rechtop. Na de bevruchting groeien deze laatste uit tot groene ribbelige kegeltjes en rijpen in de herfst totelzenproppen (kegels zonder zaad), die nog wel een jaar aan de boom kunnen blijven zitten. Elzen kunnen uitstekend tegen vochtige omgevingen, en ze staan dan ook veelal langs de waterkant of op moerassige grond. ToepassingenElzenhout is zacht hout met een rustige nerf en een rossige kleur. Na het omzagen van een els veranderd de houtkleur die kan variëren van rood tot bruin. Het is ideaal hout om te bewerken o.a. voor het snijden van houten lepels, schalen en andere producten. Van het hout kan ook goede houtskool worden gemaakt. Om de tanden schoon te houden kunnen stokjes van de schors worden gebruikt. Geneeskrachtige toepassingen Schors en bladeren hebben een samentrekkend, verkoelend en kalmerend effect ,waardoor gezwellen afnemen. Bij ontsteking aan de tandvlees kan een mondspoeling worden gemaakt door jonge elzentakjes 10 min te laten koken en na het afkoelen te gebruiken. Door de takjes wat langer te laten koken kan er ook een gorgeldrank worden verkregen tegen keelontsteking. Een aftreksel van els- takken kan worden gebruikt als hand- en voetbad tegen winterhanden en -voeten. Naar boven
Els
Es
De es (Fraxinus excelsior) is een snelgroeiende boom die tot 40 m hoog, maar niet heel oud wordt. De kroon is eivormig en de grijsgele bast vertoont op latere leeftijd overlangse scheuren en dwarsbarstjes. De bladeren zijn oneven geveerd met 7 tot 13 lancetvormige deelblaadjes. De bladeren zijn kruislings tegenoverstaand. De geelachtige, onopvallende bloemen verschijnen voor de bladeren en zijn één- of tweeslachtig.De vrucht bestaat uit een samengedrukte, bruin nootje met een tot 4 cm lange en 1 cm brede vleugelrand. De vruchten blijven tijdens de winter lang aan de kale boom hangen.De es komt algemeen voor in loofbossen op vochtige of natte zand, maar voedselrijke zand- of kleigrond. ToepassingenUit de zaden kan een bruikbare olie worden verkregen. De bladeren hebben een laxerende werking. Verzamel de bladeren in juni, droog ze en plaats ze in een luchtdichte potten. Het schors levert een touwachtig materiaal op. Het hout van de es is lichtgekleurd, taai en sterk. Vanwege deelasticiteit wordt het gebruikt o.a. voor stelen van bijlen, roeiriemen, staken en spades.Het hout vormt een uitstekende brandstof.
Es
Esdoorn
De gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) is de meest voorkomende esdoorn en komt overal in Europa voor. Deze boom wordt tot 35 m hoog met een brede kroon. Hij heeft stevige twijgen die dikke tegenoverstaande knoppen met bleekgroene knopschubben dragen. De bladeren zijn 5-lobbig en handnervig, bovenaan donkergroen, onderaan blauw-groen tot grijsrood. De toegespitste lobben zijn ongelijk gekarteld. De bloemen zijn geel-groen en ontstaan in hangende, samengestelde trossen. In één tros kunnen mannelijke, vrouwelijke en steriele bloemen voorkomen. De bladeren verschijnen iets voor de bloemen. De vleugels van de vruchten vormen een scherpe tot een rechte hoek, smaller aan de basis. Deze vruchten ontkiemen de volgende lente. De gewone esdoorn heeft graag een diepe frisse grond, maar groeit ook op arme slechte grond. ToepassingenBijna alle soorten hebben in het voorjaar door de hoge worteldruk een sterke sapstroom.Het sap heeft een hoog suikergehalte. Uit een liter sap kan ongeveer 25 gram suiker worden verkregen.Tapvan half februari tot begin meide boom af, omdat de sapstroom van de boom dan het sterkst is. Dit houdt aan zolang de tempera- tuur schommelt tussen vriezen en dooien, variërend van 1 week tot maximaal 6 weken. Kerf de esdoornin of booreen gatin de boom tot een diepte van 5 cm en met een doorsnee van 1 cm. Plaats een stok in of onder het gaatjewaar het vocht langs kan lopen in een pot of container. Afhankelijk van de dikte en sterkte van de boom worden maximaal drie tappunten ingebracht. Er kan worden getapt totdat hetsteeds donkerder wordt, omdat er steeds meer andere organische stoffen met de sapstroom meegaan.Het sap kan zo gedronken worden ofdoor hette koken in een siroopworden geconcentreerd.Dit siroop wordt gebruikt als een basis voor limonade enals eensmaakversterker bij verschillende soorten voedsel.De dunne binnenschors van de esdoorn is eetbaar. Wikkel voedsel in de bladeren, zodattijdens het bakkeneen zoete smaak wordt afgegeven. Om voedsel, zoals appels en knolgewassen, voor een lange tijd te bewaren kunnen ze met bladeren worden ingepakt. Het hout is hard, zwaar, elastisch en toch makkelijk te bewerken. Het hout van de esdoorn brandt goed, maar snel. Daarnaast kan van het hout goede houtskool worden gemaakt. Het is niet geschikt voor het aanmaken van een vuur. Naar boven
Esdoorn
Framboos
De framboos (Rubus idaeus) is eeninheemse plant, die op open plaatsen in het bos en langs bosranden voorkomt. De plant is een heester waarvan de stengels tot 2 meter lang kunnen worden. Elk jaar worden nieuwe stengels uit wortelopslag gevormd. Bij de zomerframboos dragen alleen de tweejarige stengels vrucht, waarna deze afsterven. Bij de herfstframboos dragen daarentegen de toppen van de eenjarige scheuten de vruchten. De bloei is van eind mei tot eind juni. De framboos kan zich zelf bestuiven, maar door insecten- bestuiving wordt de vruchtzetting bevorderd. De framboos bestaat uit vele vruchtjes en is een steenvrucht. In tegenstelling tot de braam laat de framboos makkelijk los van de bloembodem. De meeste rassen dragen rode vruchten, maar enkele rassen hebben gele vruchten. Er zijn, afhankelijk van het ras, bij de zomerframbozen rijpe vruchten vanaf eind juni tot half augustus.Bij de herfstframbozen zijn er rijpe vruchten vanaf begin augustus tot de eerste week van oktober en bij een doorteelt ook in mei tot half juli. Per ras duurt de oogst bij herfstframbozen zes tot acht weken. Toepassingen De vruchten kunnen zowel rauw of gekookt gegeten worden en worden verwerkt in jam en tot sap. Om de wortel eetbaar te maken moet het lang worden gekookt. De wortel mag echter niet te jong en niet te oud zijn. Verzamel jonge scheuten als ze in de lente net uit de grond komen en ze nog zacht zijn. Pel de jonge scheuten en eet ze rauw of gekookt. Van gedroogde bladeren kan thee worden gezet.
Framboos
Gagel
De wilde gagel (Myrica gale) is een bladverliezende, aromatisch geurende struik die 0,6 tot 1,5 m wordt hoog. De 2,5 tot 4 cm lange bladeren zijn omgekeerd eirond-lancetvormig en aan de top getand. Op de onderzijde van de bladeren zitten harspuntjes met harsklieren. De aromatische bladeren smaken bitter. De wilde gagel bloeit in april en mei. De katjes verschijnen voor de bladeren aan twijgen die daarna niet meer doorgroeien. De struik is veelal tweehuizig. Meestal komt op een struik of mannelijke of vrouwelijke katjes voor, waarbij dezelfde struik van geslacht kan wisselen doordat het in het ene jaar vrouwelijke katjes kan dragen en in een ander jaar mannelijke katjes kan dragen. De mannelijke katjes zijn langwerpig en de vrouwelijke meer gedrongen. De schubben (schutbladen) van de vrouwelijke bloemen vallen niet af en zijn met de vruchten vergroeid. De vrucht is een 3 mm grote afgeplatte, drie toppige steenvrucht met een enkel grote pit. De wilde gagel groeit op natte, zure, venige grond en komt voor op heidevelden, in moerasbossen en laagveenmoerassen Toepassingen De aromatische vruchten en bladeren kunnen gedroogd of vers worden gebruikt om soepen en stoofpotten op smaak te brengen. Van de gedroogde bladeren kan thee worden gezet.De waslaag op vruchten en de bladeren kan worden verwijderd door er kokend water over te gieten en voor een paar minuten onder te dompelen. De was zal op het oppervlakte drijven en kan dan worden afgeschuimd. De vruchten kunnen dan worden gekookt om de was uit de pulp te krijgen. Het wordt dan gezeefd door een doek en er kan dan gebruikt worden om aromatische kaarsen te maken. De plant verdrijft motten en andere insecten. Hiervoor worden de geurige bladeren gebruikt. Geneeskrachtige toepassingen Een sterke aftreksel van de bladeren kan worden gebruikt als een parasietenbestrijdingsmiddel om lichaamsparasieten te doden. Naar boven
Gagel
Hazelaar
De hazelaar (Corylus avellana) behoort tot de familie van de berken. Het is een struikachtige boom of heester met verschillende onder- stammen die elk jaar toenemen. Hij kan tot 12 m hoog worden en gaat pas na tien jaar vrucht dragen. Het blad loopt in mei uit en valt er pas in november af. De bladrand is dubbelgezaagd. Het blad heeft een bijna ronde vorm met een korte spits en is aan beide zijden behaard.De hazelaar bloeit meestal rond januari als hij nog geen bladeren heeft en is voor de bestuiving afhankelijk van de wind. Aan de hazelaar zitten de mannelijke en de vrouwelijke bloeiwijzen apart. De mannelijke bloempjes zitten in bruingele katjes en zijn al in de zomer aanwezig in de oksels van de bladeren. De vrouwelijke bloempjes zitten met drie tot vier in een klein knopje bij elkaar. De zeer voedzame noten, 5-20mm, worden omhuld door rafelig, bladachtig en bekervormig omwindsel van dezelfde grootte. Naar- mate de noot rijper wordt, verkleurt de bast van de noot naar geeloranje. In een koele en vochtige zomer produceert de boom meer hazelnoten dan in een droge, warme zomer. De hazelnoten worden door dieren, zoals de Vlaamse gaai, verspreid.Verder verspreidt de hazelaar zich via worteluitlopers. De hazelaargroeit op vochtige, leemachtige grond van beekdalen of bosranden. Toepassingen De hazelnoten kunnen in september tot november geoogst worden. Uit de noten kan een heldere, gele olie worden geperst, welke o.a. gebruikt kan worden voor het bakken van voedsel. Ongeschilde noten kunnen op een koele plaats ongeveer een jaar worden bewaard.Het schors en de bladeren bevatten tannine en kan worden gebruikt bij het preparen van huiden. Het hout van de hazelaar voorziet al duizenden jaren in speer- en pijlenhout. De buigzame twijgen zijn geschikt voor vlechtwerk.
Hazelaar
Hondsroos
Hondsroos (Rosa canina) wordt 1 tot 3 meter hoog en is overblijvend. De bladeren en takken zijn groen of soms roodachtig aangelopen. De bladeren bestaan uit 5 tot 7 deelblaadjes. De vaak iets blauwachtige deelblaadjes kennen sterk variëren: langwerpig tot eirond, enkel of dubbel gezaagd, niet of weinig glanzend en kaal tot dicht behaard. De stekels zijn grotendeels haakvormig gebogen. De hondsroos bloeit in juni en juli met 4 tot 6 cm grote, witte of roze bloemen. De kroonbladeren zijn veel langer dan de kelkbladeren. De vrucht is een ovale, rood-oranje, 1,5 tot 2 cm grote bottel. De zaden kunnen zich zonder bevruchting ontwikkelen. De hondsroos komt voor op voedselrijke, niet te zure endonkere plaatsen, zoals langs bosranden, in heggen en in struikgewas. ToepassingenDe vruchten (bottels) bevatten veel vitamine C en worden o.a. gebruikt voor het maken van jam en siroop. Ze kunnen ook worden gedroogd om thee mee te zetten. De vruchten worden zachter en zoeter indien ze zijn blootgesteld aan (nacht) vorst. Wees wel voorzichtig bij het gebruik van de vruchten. Er zit namelijk een laag haren rond de zaden wat voor irritatie kan zorgen aan de mond en het spijsverteringgebied. Nadat eerst de haren zijn verwijderd kunnen de zaden worden toegevoegd aan meel of aan andere voedsel. Van gedroogde bladeren kan een zachte, versterkende thee worden getrokken. De bloembladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Verwijder de bitter smakende basis van de bloembladeren. Geneeskrachtige toepassingen Rozenbottelthee helpt bij verkoudheid en koorts, maar ook bij slecht genezende wonden. Het heeft een vochtafdrijvende effect zonder de nieren te irriteren. Naar boven
Hondsroos
Iep
De ruwe iep (Ulmus glabra) of heeft een brede, koepelvormige kroon met takken die ombuigen en kronkelen. De laagstgeplaatste takken raken soms de grond. De boomschors is glad en zilverachtig grijs bij jonge bomen. Als de boom ouder wordt, verandert de schors. Deze wordt dan bruin en krijgt een netwerk van brede, grijsbruine richels. De boom heeft stevige, roodbruine twijgen. In de jeugd zijn deze bedekt met kleine haartjes. De knoppen zijn spits en dof roodbruin en zijn bedekt met rode haartjes. De bloemknoppen zijn ronder en zitten lager. De bladeren zijn eivormig en omgekeerd eirond. Ze zijn toegespitst en hebben een erg scheve bladvoet. De bladrand is dubbel- getand. De bladeren kunnen maximaal 18 x 9 cm groot worden, maar zijn vaak circa 14 x 7 cm groot. De bladsteel is harig en heeft een lengte van 2-5 mm. De bovenzijde van het blad is donkergroen en erg ruw. De onderzijde is bleker van kleur. Ook is de onderkant zachtbehaard. De ruwe iep heeft donkere, paarsrode bloemen. Deze komen aan de boom te zitten voordat de bladeren uitlopen. De bloemen vormen dichte kluwens. De vruchten zijn heldergroene vleugels met een nootje in het midden. Ze hangen in trossen en zijn al zicht- baar voordat het blad verschijnt. Voordat ze afvallen (in juni) worden ze bruin. De gladde iep (Ulmus minor)of veldiep kan 30 m hoog worden. De boom heeft een rechte stam en een dichte kroon met bochtige en zware takken en geeft veel wortelopslag.De boomschors is grijsbruin en heeft lange, diepe verticale groeven en dikke richels. De takken zijn voorzien van verticale barsten. De gladde iep heeft bleekbruine, slanke, onbehaarde twijgen en eivormige knoppen. De knoppen zijn donkerrood en behaard. De bladeren zijn elliptisch tot eivormig en worden 6- 8 cm lang. Ze hebben een scheve bladvoet, een toegespitste top en zijn dubbelgezaagd. Aan de onderkant komen heel vaak kleine gallen voor. De bladsteel is zachtbehaard en ongeveer 0,5 cm lang. De bovenzijde van het blad is glanzend groen. De oksels van de nerven zijn behaard. De gladde iep heeft kleine, rode bloemen met witte stempels en rode helmhokjes. De bloeiwijze is een hoofdje. Deze verschijnen voordat de bladeren uitlopen. De vruchten zijn vleugelnootjes, die omringd zijn door een doorschijnende, elliptische vleugel. Het zaadje zit dicht bij de inkeping. Aan de top is de vleugel ingesneden tot aan het nootje. Toepassingen Met name de jonge bladeren kunnen rauw of gekookt worden gegeten. De oudere bladeren zijn soms wat bitter. De bladeren vormen een goede aanvulling bij een gemengde salade. De net ontwikkelde vruchten kunnen rauw worden gegeten. Uit de binnen- schors kunnen matten of kan touw worden gemaakt. Ook kan de binnenschors worden vermaalt tot een poeder om als verdikker toe te voegen aan soep en sauzen of vermengd worden met meel om brood te bakken. Het hout is zwaar, broos en moeilijk te splijten. Genee