Naast het verzamelen van eetbare planten of plantendelen, zoals noten, bessen en wortels, leefden de mensen
in de prehistorische tijden van de jacht en de visvangst. Daarnaast werden ook andere dieren, zoals insecten,
wormen en slakken verzameld.
De jacht op wild leverden naast voedsel voor de mens allerlei bruikbare materialen op, zoals huiden en leer voor kleding of
schoeisel, bedekking voor boten en beschutting, touw gevlochten van haar, gelatine van de hoeven, pezen voor touw of als boogpees,
vishaken en naalden van de botten, vet gesmolten voor lampenolie, geweien als tentharingen, veren als isolatiemateriaal tegen de kou
of voor het maken van pijlen bij een boog of speerwerper. Om een jacht succesvol te maken was het belangrijk dat een jager kennis
had van de leefgewoontes van een dier, zoals voedselvergaring,terreingebruik en schuil- en woonplaatsen. Vooral toen het
klimaat veranderde en de open toendra’s plaats begonnen te maken voor uitgebreide bossen bestaande uit berken, dennen, eiken,
hazelaars, iepen en elzen. Mens en dier pasten zich hier echter goed bij aan.
De visvangst vormde een belangrijke vorm van voedselwinning. De mensen gebruikten fuiken, netten, lijnen met een benen haak
en speren om verschillende soorten vis te vangen. Door de vissen te roken of te zouten konden ze over een langere periode worden
bewaard.
Insecten vormen de grootste groep van dieren en leven zowel op het land als in zoet water. Hoewel insecten over het algemeen
klein zijn, komen ze in zo’n grote hoeveelheden voor dat ze makkelijk verzameld konden worden. Insecten vormden de meest
betrouwbare voedsel, maar waren alleen in bepaalde seizoenen te verzamelen. Insecten werden in verschillende ontwikkelings-
stadia (ei, larve, pop, volwassen insect) gegeten.
