Algemeen

De mens in de prehistorie verdient een enorme respect wat betreft hun kennis, vaardigheden en moge-

lijkheden om zich te kunnen handhaven. Ze waren in staat om praktische, maar ook verfijnde voorwerpen te

maken van verschillende materialen, zoals bot en gewei.

 

Jager-verzamelaars trokken rond in groepen en hun kamp werd in gebieden opgeslagen waar ze gemakkelijk konden jagen.

Het meedragen van bezittingen was bij het rondtrekken lastig, daarom namen ze zo weinig mogelijk mee. Toen geleidelijk aan

de hoofdzakelijk steeds meer kwam te liggen op akkerbouw en veeteelt, en het verzamelen van wilde planten en de jacht slechts

een ondersteunende functie kreeg, werden gebruiksvoorwerpen steeds meer gespecialiseerd, zodat het makkelijker werd om 

in de levensbehoeften te voorzien. Daarbij werden ook nieuwe technieken en gereedschappen uitgevonden. Het gebruik van klei

zorgde ervoor dat er gekookt kon worden in aardewerken potten. Ook moest er opbergmateriaal worden gemaakt, zoals manden,

containers en verschillende soorten aardewerk, om voedsel te kunnen bewaren.

 

Vuur vormde de kern waarop het bestaan in de prehistorie draaide. Het vuur werd gebruikt om te koken, licht te maken en zich te

verwarmen, maar waarschijnlijk vormde een kampvuur ook een sociale ontmoetingspunt waar verhalen werden verteld en muziek

werd gemaakt. Geleidelijk aan kwamen er steeds meer toepassingen voor het vuur bij. Bijvoorbeeld het maken van aardewerk.

 

Ten tijde van de eerste jager- verzamelaars en van de eerste boeren valt te verwachten dat er naast water ook andere dranken

werden gedronken. Water kon toen direct uit beken en rivieren worden gedronken, maar samen met bepaalde kruiden kon er

ook thee worden gezet. Ook kunnen bepaalde bomen, zoals berk en esdoorn, sap leveren. Tevens kan dit sap worden ingekookt

tot siroop en suiker. Vruchtensap is eenvoudig te maken door allerlei vruchten apart of samen te koken met water en honing of

siroop.

 

Centraal binnen het leven van de prehistorische mens stond de natuur. Wat de mens nodig had kon de natuur hen bieden, maar op

bepaalde dingen in de natuur hadden ze echter geen vat, zoals ziekte. Vanuit de verbondenheid met de natuur leerde de mens

de geneeskrachtige en preventieve werking van bepaalde planten. Ook wisten ze andere materialen te gebruiken voor de natuur-

geneeskunde.