Natuurbeleving
In de ontwikkeling van de mens is een lange periode geweest waarin hij slechts verzamelaar was. Hij was
voor zijn voedsel afhankelijk van wat hij vond tijdens zijn rondzwervingen en met het verzamelen van
voedsel; op deze wijze was het grootste deel van zijn leven gevuld. Later werd hij ook jager, wat inhield dat
hij zelf actie ondernam om voedsel, in de vorm van eiwitrijk vlees, te bemachtigen. Door op pad te gaan voor
het verzamelen van eetbare planten en het jagen op wilde dieren zorgden zij elke dag weer voor voldoende
voedsel. Om te kunnen overleven was voor de jager-verzamelaars kennis van de natuur zeer belangrijk,
want zij waren van deze natuur afhankelijk. Kennis van de planten, de dieren en de seizoenen. Zij waren in
staat om zich aan te passen aan de mogelijkheden en de moeilijkheden van hun omgeving door het gebruik
van hun kennis en vaardigheden. Wat de mens nodig had kon de natuur hen bieden. De kwetsbaarheid van de
mens stimuleerde de ontwikkeling van de samenwerkingsgeest en het verstand, waaruit zich een verfijnde
evolutie ontwikkelde over jachtmethoden en jachtwapens.
In de steentijd leefden veel verschillende soorten dieren, zoals wild zwijn, edelhert, ree, eland, bunzing, marter, bever en otter,
maar ook eend, gans en zwaan. De jacht op wild leverden, naast voedsel voor de mens, allerlei bruikbare materialen op, zoals
huiden en leer voor kleding of schoeisel, bedekking voor boten en beschutting, touw gevlochten van haar, gelatine van de hoeven,
pezen voor touw of als boogpees, vishaken en naalden van de botten, geweien als tentharingen, veren als isolatiemateriaal tegen de
kou of voor het maken van pijlen bij een boog of speerwerper.
Jagen in de prehistorische periodes vereiste speciale vaardigheden, zoals spoorzoeken, en de creativiteit om de jacht te
plannen en uit te voeren. Om een jacht succesvol te maken was het belangrijk dat een jager kennis had van de leefgewoontes van
een dier, zoals voedselvergaring, terreingebruik en schuil- en woonplaatsen, zodat hij in staat was om zijn prooi te vinden.
Vooral toen het klimaat veranderde en de open toendra’s plaats begonnen te maken voor uitgebreide bossen bestaande uit berken,
dennen, hazelaars, eiken, iepen en elzen.
In plaats van de directe jacht kon een jager ook strikken en vallen gebruiken om zo een prooi te verkrijgen. Een val of strik
zetten betrof niet alleen de kennis van de werking en constructie van een bepaalde val of strik, maar ook een kennis van de gewoontes
van een dier. Het is niet bekend of de jager-verzamelaars gebruik maakten van vallen en strikken. Het is echter een gemakkelijke
manier om met name kleine dieren te vangen, want het vergt minder vaardigheden en minder tijd.
De visvangst vormde een andere belangrijke vorm van voedselwinning. De mensen gebruikten fuiken, netten, lijnen met een benen
haak en speren om verschillende soorten vis te vangen, zoals snoek, brasem, karper, baars, blankvoorn, paling, meerval, zalm,
elft en steur. Door de vissen te roken of te zouten konden ze over een langere periode worden bewaard.
