De Bunzing (Mustela putorius) heeft een donkerbruine vacht met een geel, geelwitte of
lichtbruine ondervacht, die er vooral op de flanken doorheen schemert. In de winter is zijn
vacht langer dan in de zomer. Op de kop heeft hij rondom het donkere haar rond de ogen
een band van witte, gelige of grijsachtige haren, ook wel aangeduid als masker. Ook de
zijkanten van de neus zijn witbehaard, de snorharen zijn lang en donker. De ogen zijn
donker en de oren zijn relatief klein, met grijswitte randjes. De staart is lang en donker
behaard. Het mannetje is duidelijk groter dan een vrouwtje en een mannetje kan tweemaal
zo zwaar worden als een vrouwtje. Een mannetje heeft een lengte van 30,5 tot 46 cm,
een staartlengte van gemiddeld 14 centimeter en een gewicht van 502 tot 1522 gram.
Een vrouwtje heeft een lengte van 29 tot 35,5 cm, een staartlengte van gemiddeld
12,5 cm en een lichaamsgewicht van 442 tot 800 gram.
Leefgebied en verspreiding
De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met
voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden
en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij
open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor.
Leefwijze en voedsel
De bunzing is vooral 's nachts actief. In de uren na zonsondergang en voor zonsopgang vertoont de bunzing de meeste activiteit.
Dan gaat hij op jacht. Dit doet hij vrijwel nooit in de buurt van zijn hol. In de periode juni tot september, wanneer de jongen nog
niet zelfstandig zijn, worden bunzingen soms ook overdag gezien. Bij strenge koude verlaat de bunzing zijn schuilplaats soms
gedurende enige dagen niet, terwijl regen hem niet deert. Tijdens de paartijd (april, begin mei) en in de tijd dat de jongen
opgroeien, leeft de bunzing in familiegroepjes. Dat duurt tot de herfst, waarna de jongen een eigen plek gaan zoeken.
Bunzings zijn soms vrij sociaal en verzorgen vaak elkaars vacht. De bunzing klimt zelden, maar zwemmen en duiken kan hij
wel goed.
Het voedsel van de bunzing bestaat voornamelijk uit allerlei dierlijk voedsel zoals konijnen, hazen,
ratten, muizen, mollen, vogels, vogeleieren, reptielen, amfibieën en insecten. De bunzing gaat bij
de jacht vooral op zijn neus en oren af. Afhankelijk van de prooi past hij uiteenlopende tactieken
toe om deze te doden: een konijn wordt in de neus gebeten, een muis in de kop en een kikker
in de nek. De bunzing is een echte grondjager. Soms legt de bunzing een voedselvoorraad
aan van kikkers die hij door middel van een beet in de rug heeft verlamd.
Territorium en verblijfplaats
De grootte van een leefgebied bedraagt 8 tot 1000 hectare. Het varieert in de loop van de seizoenen en door de jaren heen.
Het gebied van mannetjes is veel groter dan dat van vrouwtjes en overlapt dat van een aantal vrouwtjes. De territoria zijn het
grootst in de zomer, als voedsel voor de jongen wordt gezocht. De bunzing verdedigt zijn territorium tegen seksgenoten.
Hij markeert bepaalde punten in zijn leefgebied met een secreet uit zijn anaalklieren (muskus) en soms met uitwerpselen.
Jonge vrouwtjes bezetten vaak het woongebied van de moeder of blijven in de omgeving, terwijl jonge mannetjes verder weg
trekken.
Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen,
houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn
schuilplaats op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen.
Voortplanting en leeftijd
In de paartijd (ook wel ranstijd genoemd) onderneemt het mannetje lange tochten, op zoek
naar een vrouwtje. Daarna maakt hij het vrouwtje het hof. Deze hofmakerij neemt veel tijd in
beslag. Uiteindelijk laat het vrouwtje zich slap en willoos, als een gedood prooidier, door het
mannetje meeslepen, waarna de paring plaatsvindt. Na een draagtijd van circa 6 weken
worden 4 tot 10 jongen geboren in een hol. De jongen zijn kaal en blind en worden door de
moeder grootgebracht. Ze worden een maand lang gezoogd, daarna gaan ze mee op jacht.
Na 3 maanden zijn ze zelfstandig en daarna gaan ze op zoek naar een eigen leefgebied.
Als de jongen vroegtijdig sterven, is er soms later in de zomer een tweede worp. De bunzing
kan 5 tot 6 jaar oud worden, maar meestal sterven ze veel jonger.
Sporen
De uitwerpselen van een bunzing zijn 5 tot 10 cm lang, 5 tot 9 mm dik, cilindervormig en gevlochten.
Vers zijn ze zwart tot donkerbruin glimmend en oud zijn ze doffer, maar zelden viltig van uiterlijk.
Bunzingen hebben aan elke voet vijf tenen met scherpe nagels. De voorvoeten hebben een breedte van
25 tot 35 mm en een lengte van 25 tot 30 mm. De achtervoeten hebben een breedte van ongeveer 25 mm
en een leegte van 32 mm. De spreiding is tot 8 cm en de paslengte bij de sprongengalop is 30 tot 50 cm.
In sneeuw is soms een sleepspoor van de staart te zien.
Vraatsporen die een bunzing achter kan laten zijn gebalgde (gedroogde) en geheel of gedeeltelijk
leeggegeten huiden van konijnen en andere zoogdieren, maar dit kan ook het werk zijn een (wilde) kat,
vos, das, boommarter, steenmarter, buizerd of een oehoe. Door te kijken naar mogelijke perforaties
in de schedel of huid door hoektanden kunnen de roofvogels worden uitgesloten en kan worden achterhaald
wie het bewuste dier heeft gedood. Bij de bunzing is de afstand tussen de hoektanden 10 tot 11 mm.
Bij grotere prooivogels laat de bunzing de vleugels aan het schoudergewricht vastzitten. Bij de holopeningen
van bunzingen blijven soms de muizenstaarten en kleine prooiresten liggen. Van kikkers en padden wordt
alleen het achterlijf gegeten. Bij padden wordt ook wel de huid afgestroopt. Nadat de bunzing een vrouwelijke
kikker of pad heeft gegeten, braakt hij de eierstokken en het gelatineachtige omhulsel van de onontwikkelde
dril uit (ook wel sterrenschot genoemd).
Bunzingen verstoppen, net als de vos, hermelijn of wezel, kleine knaagdieren of vogeltjes onder graspollen, moskussens, blad-
of humuslaag of achter loszittende stukken boomschors.








