(Over)leven in de natuur
Eland

De eland (Alces alces) is een zeer groot dier met een opmerkelijk grote

snuit. De vacht is ruw en grijsbruin van kleur. De rui valt in de lente.

De poten zijn grijzig wit en bij vrouwtjes (koeien) loopt deze kleur over tot

bij de staart. Volwassen mannetjes (stieren) hebben een baard en een

gewei. De stieren hebben over het algemeen een breed, bladvormig

gewei met korte uitsteeksels, maar er zijn ook individuen met een

takvormig gewei 

 

De eland heeft een lengte van 200 tot 290 centimeter. Het vrouwtje is

ongeveer een kwart kleiner dan het mannetje. Het mannetje heeft een

schofthoogte van 180 tot 220 cm en een lichaamsgewicht van 320 tot

800 kg. Het vrouwtje een schoft van 150 tot 170 cm en een gewicht van

275 tot 375 kg. De staart is vrij klein en wordt slechts 7 tot 10 cm lang.

 

Leefwijze en voedsel

Elanden leiden meestal een solitair bestaan, maar in de winter komen een aantal dieren samen en vormen een `yard`, een

woongebied waarin ze de sneeuw vertrappen, meestal gelegen op een beschutte plaats omgeven door hoge pijnbomen en met

veel struiken voor de voedselvoorziening. Zij blijven daar tot het voedsel op is en trekken dan verder om elders een nieuwe `yard`

te zoeken.

 

Elanden zijn gebouwd om op een bepaalde hoogte te eten. Als een eland gras of paddestoelen

wil eten moet hij op zijn knieën of zijn poten spreiden. Aan de andere kant maakt het voor deze

dieren mogelijk om bij de hoogste twijgen te komen en zelfs de takken met een dikte van 3 cm

te breken om bij de jonge twijgen te komen. Elanden zijn eigenlijk (als ze kunnen kiezen) erg

kieskeurig wat betreft hun keuze aan planten, maar hebben een hoge aanpassingsvermogen

om te kunnen

overleven.

 

In de zomer brengen zij veel tijd wadend in meren en rivieren door, om waterlelies en andere

planten te eten. De zomerperiode bied een eland nog veel meer, zoals bessen, wilde bloemen, struiken, zaden, varens, zegge,

paddestoelen, gras en knollen. Hierdoor ontsnappen ze ook enigszins aan muskieten en vliegen. Om bij de wortels en stengels

van de waterplanten te kunnen komen, moeten zij geheel onderduiken. In de winter hebben ze profijt van hun grote afmetingen

om bij de jonge loten, bladeren en takken van jonge bomen te kunnen. Ook eet hij wel schors, zoals vooral die van wilgen,

witte berk, zwarte populier, hazelaar. Vaak leunt een eland tegen de stam van een jonge boom aan, zodat deze buigt en

de takken binnen zijn bereik komen. 's Winters eet een eland gemiddeld zo'n tien kilogram aan twijgen en scheuten.

 

Leefomgeving en leeftijd

Elanden voelen zich het meest thuis in vochtige bossen met wilgen en struikgewas, poelen, meren of moerassen met aangrenz-

ende open gebieden als bergweiden en grasvelden. De eland heeft een voorkeur voor meer drassige streken als riviervalleien en

meren. De eland is een goede zwemmer en is regelmatig in het water te vinden. Hij zal in het water gaan om daar voedsel te

zoeken en voor moeilijker bereikbaar voedsel zal hij zelfs duiken. 's Winters komt hij in droger gebied voor. Elanden kunnen wel

een leeftijd van 20 jaar bereiken.

Voortplanting 

Het mannetje, de stier, is een echte ‘solitair’ en maakt graag grote zwerftochten. Vanaf september begint echter de bronsttijd.

De stier brult dan om de wijfjes te lokken en stoot hij met zijn gewei luidruchtig tegen bomen. Ook koeien hebben roepgeluiden

waarmee ze contact leggen en onderhouden met een geslachtsrijpe stier. De benadering en later de toenadering van de stier

is zeer omzichtig. Met zeer rustige, haast onderkoelde, bewegingen, ondertussen lucht snuivend en zorgvuldig zijn omgeving

verkennend, komt hij tergend langzaam naderbij. Vaak zal de stier met het gewei struiken en bomen molesteren, daarbij kraak

en slaggeluiden veroorzakend. Door deze uitvoerig inleidende verkenningen zal zo'n elandstier eventuele rivalen tijdig ontdekken.

Er vinden namelijk in deze periode veel gevechten plaats tussen de stieren, waarbij ze elkaar met het gewei te lijf gaan, maar

gewoonlijk weinig schade aanrichten.

 

Stieren zijn polygaam: een volwassen stier dekt een aantal koeien. De stieren brullen

naar de wijfjes en als ze antwoord krijgen, stormen ze luidruchtig door het struikgewas

op het geluid af. De stier blijft soms bij de koe van zijn keuze totdat haar kalf 10 dagen

oud is. De draagtijd bedraagt 240 tot 270 dagen, waarna 1 tot 3, gewoonlijk 2 jongen

worden geboren. De eerste maal dat een koe werpt krijgt zij slechts één kalf, maar

daarna schijnen tweelingen regel te zijn, met heel af en toe een drieling. Het kalf is

geheel roodbruin gekleurd en na tien dagen trekt hij met zijn moeder mee. De eerste

drie dagen is hij niet in staat veel te lopen en de koe blijft dicht in de buurt. Kalveren

blijven gedurende 2 jaar bij de moeder, totdat ze seksueel volwassen zijn.

 

Sporen

  

                                Elandstieren werpen hun gewei af in december, na de bronst. In april en mei begint het nieuwe

                                gewei op te komen en tegen augustus is dat volledig uitgegroeid. In deze groeiperiode zijn de

                                geweitakken omgeven door een fluweelachtige, doorbloede basthuid die, zodra het gewei volgroeid

                                is, afsterft en los gaat zitten. Vanwege de ontstane jeuk vegen de elanden de losse huidflarden

                                van het gewei af. Door het gewei o.a. tegen stammetjes te vegen ontstaan hierin krassen, waardoor

                                het schors gaat rafelen en er uiteindelijk hele stukken vanaf worden getrokken. De afgeschuurde

                                basthuid zijn niet terug te vinden, omdat ze worden opgegeten. Aanvankelijk is het ontblote gewei

                                wit, maar nadat de stier het goed tegen struiken en takken heeft gewreven, wordt het glanzend bruin.

                                Het gewei wordt ieder jaar tussen december en maart afgeworpen.  

 

                                Elanden hebben platte, wijd spreidbare hoeven en grote bijhoeven. Het draagvlak wordt daardoor

                                aanzienlijk vergroot zodat de zware dieren niet ver wegzakken in de moerassige grond of in sneeuw.

                                De twee hoofdhoeven zijn de middelste en sterkst ontwikkelde tenen en de kleinere bijhoeven bevinden

                                zich aan de achterzijde van de voet. De bijhoeven drukken vaak af. Een eland loopt meestal in stap- of

                                drafgang, maar het spoor heeft een duidelijke spreiding. De afdruk van de voorvoet is iets groter en

                                zwaarder dan die van de achtervoet. De voorvoet heeft een lengte en breedte van 13 tot 15 cm., terwijl

                                de achtervoet in de breedte minder is dan 11 cm en de lengte minder dan 15 cm.

 

                                Elanden produceren geelbruine tot zwarte keutels. De formaat  van de keutels is variabel en hebben een

                                doorsnede tussen de 10 en 20 mm en zijn 20 tot 35 mm lang. In de winter zijn de keutels lichter van kleur

                                en daarbij droger en compacter dan in de zomerperiode. De losse keutels zijn ei- of capsulevorming, soms

                                eikelvormig.

  

 

                                Elanden eten bast wat te herkennen is aan de slordig geschilde stammetjes. Het vraatbeeld van elanden

                                is vooral onder aan de stam te vinden, waarbij de snijvlakken dwars op de stam staan. Dit is ook het geval

                                bij omgevallen bomen. Ze eten ook graag de jonge blaadjes uit de toppen van de wilgen. Om erbij te kunnen

                                lopen ze door de struiken heen. De takken buigen onder hun borst waardoor de toppen mooi op eethoogte

                                komen. Struiken met gebroken, half opgegeten takken zijn het eenvoudig te herkennen.

 

 

 

Elanden maken net als herten zoelbaden, diep in bossen of aan randen van moerassen en plassen, waarin zowel de mannelijke als

vrouwelijke dieren zich wentelen. Tijdens de bronsttijd maken elanden op de bronstplaatsen met hun gewei en voorpoten ondiepe

modderputten of gebruiken daarvoor natte plekken in het terrein waarin ze urineren en sperma spuiten. De elanden wentelen zich hierin

om daarmee zich te kunnen uiten bij de koeien.  

 

     Naar boven  

 

  

Eland
Eland
Eland
Eland
Eland, prenten
Eland, uitwerpselen
Eland