De brasem (Abramis brama) is een vrij grote vis met een maximale lengte
van 90 cm. De rug is grijs tot bijna zwart en de flanken zijn zilverachtig
gekleurd. De kleur hangt af van de helderheid en begroeiing van het water.
Bij helder begroeid water krijgt de brasem een bronzen kleur, in rivieren en
troebele plasjes is hij meer zilverachtig met een wat gelige gloed.
Kenmerkend zijn echter de korte rugvin en de dubbel zo lange aarsvin.
Leefgebied, leefwijze en voedsel
De brasem is een echte bodemvis die er van houdt om in de modder te
wroeten. Hij komt veel voor in de oevergebieden van langzaam stromende
wateren en grotere, voedselrijke plassen en meren. De meeste en vooral
grootste brasem zit in zacht tot snelstromende water en zelfs in troebel
water De brasem is een scholenvis en zelfs de hele grote exemplaren
komen nog in kleine groepjes voor. De schuwe oudere vissen hebben een
voorkeur voor de diepere gedeeltes van het water, maar ’s avonds en ’s nachts azen ze wel vaak in ondiep water en zijn goed
waar te nemen door grote modderwolken of opstijgende bellen. De brasems graven gezamenlijk in de modder of het zand,
waar ze met hun onderstandige, uitschuifbare bek waterdiertjes en ander voedsel van de bodem filteren. De modder en planten-
delen worden dan weer uitgespuugd. Soms schakelen brasems over op watervlooien of andere diertjes in de middelste waterlagen.
Voortplanting
In de paaitijd kunnen mannetjes herkend worden aan de leguitslag, keiharde wratjes op de kop en kieuwdeksel. De brasems
paaien in mei en juni. Als de weer verslechterd wordt de paai vaak weer onderbroken om ze later weer te hervatten. Ze paaien
in de oevers, maar bij voorkeur wordt zeer ondiep water opgezocht. De mannetjes verdedigen kleine territoriums door andere
mannetjes te verjagen. De kleverige, geelachtige eitjes worden bij de oever op plantenmateriaal afgezet. Ze komen 3 tot 12 dagen
uit. Na enkele dagen vormen jonge brasems scholen in de oeverzone.



