De Europese meerval (Silurus glanis) is een vissoort die behoort tot de been-
vissen (Osteichthyes), en wordt ook wel val of visduivel genoemd. Van deze vis
zijn prehistorische resten gevonden. De meerval is een langgerekte vis met een
afgeplatte bek, een vrijwel rolrond lichaam met een dikke buik en een zeer lange
staart. De meerval heeft zes baarddraden aan zijn opvallend grote bek: twee zeer
lange baarddraden vlak voor en boven de mondhoeken, en twee paar aan de onder-
zijde van zijn bek waarvan de achterste twee wat meer naar buiten staan. Hij heeft
een zeer klein rugvinnetje en een zeer lange anaalvin. De ogen zijn klein en de
huid is onbeschubd. De meerval is doorgaans donkergroen tot zwart aan de boven-
zijde en vaak zilverachtig tot wit aan de onderzijde. Het kleurverloop is grillig en
vlekkerig.
Leefwijze, leefgebied en voedsel
De Europese meerval voelt zich het best thuis in rivieren met een wisselend water-
peil, maar ook in grote, diepe meren met ondiepe, uitgestrekte oeverzones kan hij zich prima handhaven. Het dier heeft een
voorkeur voor ontoegankelijke, dicht begroeide wateren met een zachte bodem. In de grote rivieren komen meervallen voor in
diepe kommen en jagen ze 's nachts op ondiepe plekken. Meervallen zoeken overdag graag een schuilplaats op waar ze
onder kunnen schuilen.
Een jonge meerval leeft voornamelijk van ongewervelde diertjes die hij op de bodem vindt, maar ontwikkelt zich al vroeg tot een
jager op grotere diersoorten die hij in het water tegenkomt. In begroeide wateren kan de meerval een flinke slachting aanrichten
onder het zeeltbestand. In troebele onbegroeide wateren zijn brasem, karper, paling en snoekbaars geliefde prooien. Meervallen
jagen ook vaak op watervogels zoals meerkoeten, amfibieën en kleine zoogdieren.
's Nachts heeft de meerval veel profijt van zijn zeer goede gehoor. Door middel van een aantal verbonden beenstukjes, het orgaan
van Weber (zie zintuigen), worden geluidstrillingen van de zwemblaas overgebracht naar het middenoor. Ook de baarddraden met
tastzin en de smaakzin zijn belangrijk voor het opsporen van prooien. Daarnaast zijn de geur en de zijlijn belangrijk, en tenslotte
heeft de meerval ook nog elektroreceptoren waarmee hij prooien kan waarnemen.
Voortplanting en groei
Meervallen paaien van mei tot juli wanneer de watertemperatuur boven de 18 °C is. Ze zoeken ondiep plantenrijk water op en ze
zetten paarsgewijs af in een primitief nest van plantendelen of een ondiepe kuil. Het vrouwtje zet ongeveer 3000 lichtgroene
kleverige eitjes van 3 mm groot per kg lichaamsgewicht. Het mannetje bewaakt het nest totdat de eitjes uitkomen, wat ongeveer
een week duurt. De meerval groeit erg snel. Na de eerste zomer kan de meerval al 500 gram zwaar zijn en ze kunnen al op twee-
of driejarige leeftijd bij een gewicht van één of twee kg geslachtsrijp zijn.
De hoogste aangetoonde leeftijd bij een meerval was 80 jaar. Afmetingen van 150 tot 180 cm zijn voor een volwassen exemplaar
van ca. 25 jaar onder de juiste leefomstandigheden heel normaal. Sommige exemplaren overschrijden zelfs de twee meter. Tot een
lengte van ca. 130 cm is de meerval een slanke vis, maar daarboven nemen omvang en gewicht toe.



