(Over)leven in de natuur
Haren

Zoogdieren hebben een vacht bestaande uit twee soorten haren. De ondervacht bestaat

uit een laag wol, bestaande uit zachte, wollige haartjes (wolharen), waardoor deze een

isolerende werking heeft. De dekvacht bestaat uit stevige, vaak wat langere haren

(dekharen) die over elkaar liggen, waardoor deze waterafstotend is. De vacht vormt een

beschermende laag. De belangrijkste functies van de haren zijn het vasthouden èn

verliezen van lichaamswarmte, maar ze kunnenook een andere functie hebben, zoals

camouflage of om indruk te maken op tegenstanders.

 

De vacht van dieren verandert per seizoen. 's Winters hebben dieren een dikkere vacht

dan in de zomer. Als dieren verharen, heet dit rui. Tijdens de rui gaat er een hele laag

haar in één keer dood. Die dode laag haar valt uit zichzelf uit of komt los in de vacht te

zitten. Deze rui kan alleen maar voorkomen bij dieren die een vacht hebben met twee

verschillende lagen haar.

 

Haren zijn bijvoorbeeld te vinden op de plekken waar een dier, zoals een das, vos, ree,

of wild zwijn langs doornstruiken, zoals een bramenstruik, zijn gegaan. Ook op                                    Dassenhaar

rustplaatsen, bij holen en tegen schuur- en veegplekken zijn haren te vinden. Soms

kunnen hele plukken haar (in bossen) worden gevonden van dieren die hun wintervacht verliezen of haren die tijdens een gevecht

of paring worden verloren.  

 

De haren van konijnen (1) en hazen (2) zijn 2 tot 3 cm lang, waarvan het uitende zwart is. De dikkere dekharen zijn bij een haas

geelbruin en van een konijn beige bruin. Bij een haarpluk zitten naast de dekharen ook een dichte laag van dunne wolharen.

De wolharen van een haas zijn wit en van een konijn grijs.

 

De rugharen van een das zijn dik en voelen stroef aan. Ze zijn meestal 6 tot 10 cm lang en driekleurig. Voor het grootste deel zijn

ze geelachtig met in het midden een 1 cm brede, zwarte band en aan het uiteinde hebben ze een zilvergrijze punt. Het gaat bijna

altijd om losse haren en zijn te vinden in legers en op stortplaatsen bij een dassenburcht.

 

De haren van een vos zijn zijdeachtig en zijn ongeveer 3 cm in de zomer, maar ruim 6 cm in de winter. De haren zijn voor het

grootste deel geelbeige, waarbij het uiteinde vaak zwart is. Soms is er duidelijk een rossig deel te zien. Er kunnen dunne, grijze

wolharen bij zitten. In de rustplaatsen van een vos liggen vaak veel haren.

 

De rugharen van een wild zwijn zijn ruw en worden ook wel borstelharen genoemd. Het zijn ongeveer 10 cm lange, zeer dikke

haren en meestal zwart van kleur alhoewel er ook bruine delen in kunnen zitten. De haartoppen zijn vaak zijn gespleten.  

 

De haren van een wasbeer lijken sterk op vossenharen, maar zijn dunner. Ze zijn meestal geelwit van kleur met een zwarte punt.

Ze hebben soms een grove golving.

 

De edelhert, damhert en ree verliezen tijdens de rui van winter- naar zomervacht in de lente grote plukken haren. De dekharen

van de zomervacht is geelbruin en die van de wintervacht meer grijsbruin. Daarnaast zijn de haren van de wintervacht enkele cm

langer. Doordat de haren hol zijn, breken ze of knikken ze heel makkelijk. De holle haren hebben een warmte-isolerende werking.

De haren van reeën zijn in de zomer 3,5 cm lang en ‘s winters 5,5 cm. Bij herten is de lengte 5 cm en in de winter 6 cm. Reeën-

haren zijn te vinden aan prikkeldraad en in hun legers. De haren van herten in hun legers en soms tegen de stam van schuurbomen

of -takken. 

 

     Naar boven

 

 

Dassenhaar