(Over)leven in de natuur
Verstoringen

Doordat dieren over een onderlaag lopen of door vegetatie laten ze allerlei sporen achter die, in een bepaalde omgeving, opvallen.

Er zijn twee aparte spoorsoorten: grondspoor en luchtspoor. Een grondspoor is een aanwijzing op de grond, bijvoorbeeld voet-

afdrukken, omgewoelde aarde, omgekeerde stenen. Een luchtspoor is boven de grond te vinden zoals in de vorm van vertrapte gras,

gebroken struiken en spinnenwebben. Een spoorzoeker let bij het spoorzoeken op een aantal aanwijzingen, zoals:   

 

(Dode) Gras en vegetatie

Wanneer een dier door dichte struiken of riet beweegt, worden takken en rietstengels in de bewegingsrichting getrokken en

daarbij kan het voorkomen dat ze in elkaar verward raken. Schuin geplaatste, gebogen of gebroken vegetatie hebben elk een andere

reflectie en zijn verschillend in kleur. De locatie van een breuk (de hoogte) geeft aan wat voor soort dier het betreft. De ouderdom

van een breuk kan worden bepaald door na te gaan hoe de vegetatie ten hoogte van de breuk verouderd is. Dit kan door bij dezelfde

plant een breuk te maken en deze dan te observeren. Beschadiging aan vegetatie is te zien aan de kleurverandering aan de buiten-

kant van een blad of stengel. 

 

Platte vegetatie kan duiden op een leger of rustplaats.

 

Gebogen bladeren geven de bewegingsroute aan. De bovenkant van het lange 

gras buigt in de richting waarin een dier loopt. Gedurende de dag begint alles dof

te worden. Elk dier dat over gras loopt zal het naar beneden duwen, waardoor de

glimmende kant van het gras het zonlicht opvangt. De tijd die het gras nodig heeft

om zich te herstellen is afhankelijk van de lokale weercondities en de grassoorten,

maar gemiddeld genomen zal het glimmen binnen 2 uur verdwenen zijn en herstelt

het gebogen gras zich ongeveer in 24 uur.

 

Een inschatting van de ouderdom van een spoor kan worden gemaakt aan de

hand van zijn droogheid. Gebogen gras zal in het begin groen zijn maar het wordt

na aan paar dagen bruingekleurd. Hierbij speelt de hoeveelheid zonneschijn en

regen gedurende de laatste dagen een rol.

 

Wanneer een dier op bladeren loopt laat het een spoor achter van samengedrukte bladeren. De bladeren komen daarna weer een

stuk omhoog, maar laat een uitholling achter. Door het spoor tussen jezelf en de lichtbron te houden kunnen de holtes worden

waargenomen.

 

Bekraste of afgebroken schors 

 

Een pas omgedraaide, droge blad is in vergelijking met de zongebleekte omliggende bladeren donker van kleur zodra de schaduw-

zijde wordt blootgelegd. Wanneer de grond bedekt is met droge bladeren kan er een spoor van samengedrukte bladeren zijn achter-

gebleven wanneer een dier er doorheen gelopen is.

 

Grond bedekt met bladeren voorkomt dat er duidelijke prenten op de onderliggende

grondlaag komen. Door bladeren op te tillen kunnen prenten in de onderlaag bekeken

worden. Doordat dieren, en dan met name grote grazers, bij het voortbewegen met hun

voeten een bepaalde druk op de ondergrond uitoefenen worden bladeren in en/of naar

achter geduwd. Weggeduwde bladeren vormen kleine hoopjes, zijn donker en vochtiger

dan de rest van de omliggende, vaak drogere bladerlaag. Dieren met (graaf-)klauwen

laten krasjes achter op de bladeren.  

 

Als er op een dunne twijg of droge tak wordt gestapt, zal dit zichtbaar zijn door de

afdruk er in de grond direct onder het twijgje of tak. Dode twijgen en takken op de grond

kunnen zijn gebroken of gescheurd. Om de bepalen of de breuk recent of oud is kan een

zelfde soort tak worden gebroken en vergeleken.

 

Ondergrond

Op elke bodemoppervlak liggen stofdeeltjes en zandkorreltjes verzameld. Wanneer iets over de bodem loopt zal het of het

zand in de oppervlakte duwen of het verwijderen. Houd het spoor tussen jezelf en de lichtbron en ga met het hoofd dicht langs

de grond liggen. Kijk ongeveer 30 cm naar voren. De samengedrukte delen verschijnen als een glimmende of als een dove plek

aan het oppervlak. Wanneer meer stof neervalt wordt er overal een laag toegevoegd, maar de plekjes zijn nog steeds zichtbaar.

 

Kijk naar stenen die zijn omgedraaid. De donkere kant zal naar boven liggen of de afdruk op de grond waar het eerst lag is te zien.

Alhoewel in de middagwarmte de steen snel zal drogen, geeft het aan dat een dier maar een paar uur voorligt. Als de steen in de

ochtend wordt gevonden dan is het dier voor zonsopgang actief geweest. Hoe donkerder en natter de steen, hoe dichter bij het

achtervolgde dier.

 

Wanneer een dier in het water moet om een stroom te doorwaden, verplaatst een dier water of modder uit de stroom. Als de

bodem kan worden gezien kan er omgewoelde modder of gedraaide rotsen of stenen worden waargenomen. Dicht aan de

waterkant kan in zachte modder duidelijke voetafdrukken worden waargenomen. Let op de staat van droogte van een spoor in

modder of zachte grond. Als het spoor zeer vers is, zal het water niet in de voetafdruk zijn teruggelopen. Later loopt het water

terug en begint de omhoog geduwde modder rond de voetafdruk en de naar voren geschopte modder op te drogen.

 

Wanneer wind en regen rond een kiezelsteen grondafzettingen heeft opgebouwd ontstaat er een kleine krater die zichtbaar wordt

als de kiezelsteen uit de holte komt. Een pas omgedraaide kiezelsteen of steen zal over het algemeen anders gekleurd zijn,

meestal donkerder dan de omliggende stenen. Een kiezelsteen waarop gestaan is zal in de grond ingebed worden. 

 

Kapotte spinnenwebben

Kapotte spinnenwebben kunnen aangeven dat een dier door een opening in de struiken is gegaan en hele spinnenwebben het

tegenovergestelde. Spinnenwebben voor de opening van een hol geeft aan dat deze in onbruik is geraakt, terwijl de opening bij

gebruikte holen schoon is.

 

De gesteldheid van de dauw op een spoor

Wanneer in de ochtend de dauw op de grond ligt, glimt alles. Als een dier door gras loopt zal het de dauwvocht wegvegen of

wegduwen, waardoor er een dof of een vaag donker gebied ontstaat. Dit verdwijnt zodra het dauw verdampt.

 

Op harde, platte oppervlakten zoals een rots wordt door vocht prenten als lichte plekken weergegeven. De stof op de oppervlakte

wordt donkerder door het vocht, maar bij het betreden verwijdert een dier het stof en daarom zal het vocht zich niet zo makkelijk

worden vastgehouden.

 

Insecten

Platgedrukte insecten geven een aanwijzing hoe oud een spoor is en dan vooral of er wel of geen mieren

rond de dode insecten actief zijn en hoever de mieren zijn met het ontleden ervan. Vliegen, vlinders en

mestkevers geven de aanwezigheid van urine (zout) en uitwerpselen aan. Bij regen alleen de aanwezigheid

van de mestkevers.

 

Geuren 

Geur, zoals van urine of van beschadigde planten, wordt beïnvloed door temperatuur en het weer. Koele, rustige omstandigheden

help bij het behouden van  de geur, terwijl hitte en wind het geurspoor verwijderd. De Omstandigheden in de ochtend en avond

zijn beter dan in de middag en ook beter in de winter dan in de zomer. Vochtige grond levert meer gunstige omstandigheden dan

droge grond, maar regen zal geur uitwissen. Verse uitwerpselen en urine hebben ook een aparte geur.

 

Klimaat en weergesteldheid

Wind en andere klimaatfactoren vormen de belangrijkste punten bij het bepalen van de ouderdom van

een spoor. Bij een (bijna) uitgewiste spoor door regen of lichte regen kan, door uit te gaan van wanneer

het geregend heeft, ten aanzien van de ouderdom van sporen een nauwkeurige uitspraak worden gedaan.

Het spreekt voor zich dat als de prenten kratertjes bevatten deze voor de regen zijn gemaakt en als

deze niet aanwezig zijn dus na de regen. Op dezelfde manier kan bij lichte regen de ouderdom worden

bepaald door het bekijken van prenten op kratertjes veroorzaakt doordat de lichte regen van de bomen

druipt.

 

De wind en andere klimaatfactoren zorgen er geleidelijk voor dat de opvallendste eigenschappen van een spoor inzakken tot er

geen fijn detail overblijft. Waar dauw of vorst zich voordoet, of na regen, zal de gelijke verspreiding van druppeltjes of ijs een

glanzende oppervlakte veroorzaken. In deze situaties maakt een dier een duidelijke spoor wat te zien is als een donkere lijn.

 

Voeding

Voedingsaanwijzingen kan bestaan uit alles van afgebeten vegetatie door herbivoren, zoalsngekauwde gebladerte in struiken

of bomen en grassen, tot gedeeltelijk begraven karkassen van carnivoren.     

 

     Naar boven

 

 

Beschadiging aan het blad
Gebroken tak