De eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) wordt 2 tot 10 meter hoog, vertakt
bij de grond en heeft een lage kroon. De schors is aanvankelijk glad en bruin, maar wordt
later donkerder en tot ribbels gebarsten. De twijgen zijn donkerrood of bruin en hebben
veel scherpe, 1 tot 2,5 cm lange doorns. De knoppen zijn zeer klein, roodachtig zwart en
schubbig.
De bladeren hebben drie tot zeven lobben en grof dubbelgetande randen. De bladsteel
is circa 3,5 cm lang. Het blad is glanzend donkergroen van boven en van onderdonkerroze .
Aan de voet en in de oksels van de nerven zitten witte haartjes.
De bloemen zijn 0,8 tot 1,5 cm breed. De komvormige kroonblaadjes overlappen elkaar
gedeeltelijk. Er zijn meeldraden met paarse helmknoppen. Er is maar één stijl, vandaar
de naam. De bloeitijd is mei en juni. De plant heeft circa 1 cm grote, eivormige vruchten
die bij het rijpen verkleuren van groen tot donkerrood.
De eenstijlige meidoorn groeit opzonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot droge grond en komt voor in heggen,
struikgewas, bossen, randen van vochtige duinvalleien, steile hellingen, rotsen, dijken en langs sloten.
De tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) kan 2 tot 5 meter hoog worden. De takken dragen doorns die tot 2.5 cm
lang zijn. De bladeren zijn breed-eirond, met drie tot vijf korte gezaagde lobben (de insnijdingen gaan niet tot halverwege de
middennerf).
De witte bloemen hebben meestal twee of 3 stijlen, soms drie of zelfs slechts één. De bloeitijd is in de maand mei. De vruchtjes
hebben twee of driezaden. De meeldraden van de tweestijlige meidoorn zijn roodachtig.
De tweestijlige meidoorn groeit op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige grond en is te vinden in struikgewas,
heggen, oeverwallen van riviertjes, lichte loofbossen, boswallen en in hellingbossen.
Toepassingen
Van de meidoorn worden zowel de bladeren, de bloesems als de vruchten gebruikt. Jonge scheuten hebben een nootachtige
smaak, kunnen rauw worden gegeten en kunnen aan salades worden toegevoegd. Van gedroogde bladeren kan thee worden
gemaakt. De bloemen worden in mei en juni geoogst, als ze net open zijn, waarna ze in het donker moeten worden gedroogd.
De bloempjes die tijdens het droogproces bruin verkleuren moeten worden verwijderd. De bloemen kunnen in een siroop worden
gebruikt.
Pluk de geheel rijpe, rode vruchtjes van half september tot half november. De vruchten kunnen rauw worden gegeten, maar smaken
droog en melig en kunnen daarom beter worden gekookt . Ze worden meestal gebruikt om jam, compote of siroop van te maken.
Gedroogde vruchtenvlees kan worden vermalen en dan worden vermengd met meel om brood van te maken. Geroosterde zaad kan
gebruikt worden als een vervanger voor koffie. Het hout wordt vooral gebruikt om stelen voor gereedschap te maken. Tevens vormt
het een goede brandstof, want het geeft veel hitte af.



