(Over)leven in de natuur
Sleedoorn
Sleedoorn (Prunus spinosa) of zwarte doorn is een sterk vertakte
struik met takdoorns en wordt ongeveer 4 m hoog. De verspreide fijn-
gezaagde bladeren zijn langwerpig of breed lancetvormig.
De witte bloemen verschijnen voor het blad en zijn meestal alleen-
staand. De bloei is van maart tot april en de bestuiving vindt plaats
door insecten, met name bijen. Er zijn vruchten vanaf augustus,
maar deze zijn pas lekker nadat de vorst er over heen geweest is.
De 1 cm dikke vrucht is eerst groen en later blauwzwart. De slee-
doorn groeit op hellingen, in hagen en struikgewas en op open
plekken in bossen.
Toepassingen
De sleedoorn hoort bij een geslacht waarvan de meeste soorten waterstofcyanide produceren, een gif dat aan amandelen hun
specifieke smaak geeft. Dit gif wordt vooral in de bladeren en zaden gevonden en is duidelijk te herkennen aan een bittere
smaak. Over het algemeen komt het in kleine hoeveelheden voor zonder schadelijke gevolgen, maar elke erg bittere zaad of
vrucht moet niet gegeten worden.
Van de sleedoorn zijn de vruchten, zaden, bloemen en het blad te gebruiken. De vruchten en de zaden kunnen rauw of
gekookt gegeten worden. Vanwege de scherpe smaak worden vruchten meestal gekookt, maar blootgesteld aan (nacht)vorst
verliezen ze hun scherpte en kunnen dan rauw worden gegeten De vruchten kunnen tot en met januari verzameld worden en
worden verwerkt tot jam, siropen, vruchtenmoes en vruchtensap. Bloemen en net opengaande bladeren kunnen in april en
mei worden verzameld om thee van te zetten. Ook van gedroogde vruchten kunnen worden toegevoegd aan een kruidenthee.



