Voor het maken van vuur moet er eerst voor tondel, aanmaakhout en stookhout of voor een ander brandstof gezorgd worden.
Tondel, ook wel tonder genoemd, is de benaming voor een elk licht ontvlambaar materiaal. Het belangrijkste aspect hiervan is
dat het goed droog moet zijn. Tondel kan onder ander bestaan uit:
Tondel
Brandnetel
Als beste aanmaakmateriaal geldt brandnetelvezel. Het oogsten van de "oudere" brandnetels gebeurd bij voorkeur in de herfst
of winter. Nadat ze gedroogd zijn, moeten ze geplet worden met een steen of een houten hamer. Hierbij wordt automatisch de
bladeren en de te dunne zijtakjes, die niet de benodigde vezels bevatten, verwijderd. Daarnaast worden de stengels gebroken,
waardoor de witte binnenkant bloot komt te liggen en de vezels meer oppervlak krijgen. De stengels branden zeer goed.
Linnen en katoen
Linnen en katoen vormen vrij moderne stoffen. Er zijn verschillende manier om linnen en katoen te verkolen, zodat ze als tondel
gebruikt kunnen worden. Een eenvoudige manier om linnen/ katoen te verkolen is het gebruik van een koperen buis. Sla één kant
dicht, boor een gaatje 1 cm boven het dicht gemaakt gedeelte. Rol het linnen/ kantoen op en plaats het in het buisje. Maak de
andere kant dicht met leem of een klei/zand mengsel en leg het op de kooltjes van een vuur. Zodra er geen rook meer uit het gaatje
komt, is het verkolingsproces klaar.
Een andere manier van verkolen is het plaatsen van lapjes (ongeveer 10 bij 10 cm) in een blik met een afsluitbaar deksel. Dit blik
heeft in de deksel een klein gaatje. Zet het blik in een open vuur en bedek het tot aan de bovenkant met houtkooltjes. Het blik moet
namelijk gelijkmatig verwarmd worden. Al snel komt er dan rook uit de gaatjes. Als de rook afneemt is het proces voltooid en kan
het blik uit het vuur verwijderd worden om af te koelen.
De tonderzwam (Polyporus fomentarius) behoort tot de zogenaamde boomzwam-
men en groeit zowel op levende als dode eiken, beuken en vooral berken. De harde,
hoefvormige houtzwam is over het algemeen grijsachtig van kleur en kan van een paar
centimeter tot wel 50 centimeter in doorsnee worden. Ze vormen grote hoeden die aan
de bovenzijde zwartbruin zijn. Regelmatig vormt zich aan de onderkant een nieuwe
laag fijne buisjes met sporen. De hoed bestaat uit een dun, maar zeer harde schild.
Het okerkleurige, kurkachtige vlees wordt afgewisseld met lagen van de buisjes.
De kurkachtige laag wordt gebruikt om tondel te maken.
Om van de tondelzwam geschikte tondel te maken moet eerst de buisjeslaag en de
harde schild worden verwijderd. Gebruik een jonge zwam, want hoe ouder de zwam
hoe harder de buitenlaag, waardoor het verwijderen ervan veel moeite kost. Bewerk
de zwam wanneer deze vochtig is, dat wil zeggen vers geoogst of op een later tijdstipt ondergedompeld. De harde schild is makkel-
ijker te verwijderen door het, net als schors, in kleine snijbewegingen af te snijden. Hierna kan de taaie buisjeslaag worden verwijderd
door telkens kleine insnijdingen te maken en laag voor laag te verwijderen. Snij het overgebleven overgebleven fluweelachtige gedeelte
in dunne repen. Daarna zijn er verschillende manieren om de repen te verwerken. De eenvoudigste is ze te laten opdrogen.
Een andere manier is de reepjes eerst te koken. Week ze eerst in urine en laat ze daar in (voor een paar dagen) zachtjes koken.
Eventueel urine toevoegen. Door ze op deze manier te koken, worden de reepjes beter ontvlambaar, want ze nemen de salpeter
uit de urine op. Een andere manier is de reepjes enkel uren in een mengselvan half water, half as te koken. Na het koken worden
de reepjes afgegoten en gedroogd. Zijn de zwamrepen droog, kneus ze dan tot dunne lapjes. Voor het maken van een vuur werd of
wordt een reepje geprepareerd tondelzwam met een scherp voorwerp geschraapt, hierdoor ontstaat een pluizig materiaal dat zeer
geschikt is om tot ontbranding (gloeien) te brengen.
De hoed van de platte tonderzwam (Ganoderma applanatum) heeft een waaiervormige vorm en kan tot 40 cm groot worden. Hij is
kaneelkleurig tot roestbruin van kleur met een witte rand. Aan de bovenzijde is de hoed tijdens de spoorvorming vaak bedekt met
een laag bruine sporen. De zeer fijne poriën aan de onderkant zijn wit en rond. De platte tonderzwam komt gedurende het hele jaar
algemeen voor op stammen en stronken van loofbomen. Door de platte tonderzwam tot poeder te malen kan het als tondel worden
gebruikt.
Aanmaakhout
Aanmaakhout wordt gebruikt als fase tussen het branden van de tondel en de grotere minder snel ontvlambare stookhout. Het beste
aanmaakhout bestaat uit kleine, droge takjes. De voorkeur gaat uit naar zachtere houtsoorten. Houtkrullen of dunne latjes hout van
een droge, dode dennenboom of spar vormen het beste aanmaakhout. Ook de wortels hiervan zijn geschikt. Het ontbrandt makkelijk
en fel door de hars die het bevat. De kleine droge takjes op levende dennen kunnen ook worden gebruikt als aanmaakhout, zij zorgen
ervoor dat een vuur sneller brand. Het nadeel van zachte houtsoorten vormt het vonken en de zeer snelle verbranding. Er is veel
van nodig om het stookhout aan het branden te krijgen.
Stookhout
Gebruik als brandstof droog hout van staande bomen om het vuur op gang te brengen. Als het eenmaal brandt kan er groener hout
of zelfs vochtig hout aan worden toegevoegd. En hoe zwaarder het hout is, hoe meer hitte het produceert. Dit geldt voor zowel dood
als groen hout en wanneer ze samen worden gebruikt blijft het vuur langer aan. Het is niet alleen handig om ook voor de nacht een
vuur langer gaande te houden o.a. tegen de insecten, maar ook kan de volgende ochtend door de nog smeulende kooltjes vrij een-
voudig weer een groter vuur worden gemaakt. Bijvoorbeeld door een gloeiend kooltje toe te voegen aan wat tondel.
Hard hout, zoals beuk en eik, brandt goed, geeft veel hitte af en blijft lang als hete kolen doorgloeien. Het is goed hout om het vuur
’s nachts aan de gang te houden. Daarentegen brand zachthout, zoals naald- of berkenhout, snel op en geeft het ook spattende
vonken. Geen geschikt boomsoorten zijn de lariks (sterke vonkvorming), populier en vogelkers. De laatste twee branden alleen als
ze droog zijn en stinken ze bij ontbranding.
Tips
♦ Neem bij vochtig weer geen hout dat op de grond ligt. Mocht de buitenkant vochtig zijn, haal een laagje
ervan af, totdat er een droog stuk gevonden is. Als deze takken wat dikker zijn, kun je ze klieven.
De binnenkant is altijd kurkdroog als het om dood hout gaat. Hiervan houtkrullen schrapen en aansteken.
Kijk of er geen dode takken vindt die niet in contact zijn met de grond, zoek laaghangende dode takken
in bomen, die zijn een uur na de bui al droog. Omgewaaide bomen kunnen zelden gebruikt worden, omdat
het hout meestal te nat is doordat het op de grond ligt of omdat het al rot is en zo'n hout is zeker niet aan
te raden voor een goed vuur.
♦ Wanneer groener en droog hout door elkaar worden gebruikt, blijft het vuur langer aan.
♦ Maak ´veerstokken´. Een goed vuurstokje heeft meerdere ondiepe inkepingen, waardoor krullen ontstaan.
Hierdoor wordt de totale oppervlakte van het stokje vergroot, zodat het sneller zal gaan branden.
♦ Nat hout kan exploderen, leg nat hout dus niet direct in de vlammen.
| Soort tondel | |
| | |
| Berk: schors | Dunne velletjes op de stam. Deze bevatten een natuurlijk soort olie. |
| Den: naalden, takjes en gehakte dennenappels | Bevatten hars en ontbranden daardoor makkelijk en fel. |
| Dons van distel, wilg, paardebloem of wilgenroosje | Zorg ervoor dat het dons goed droog is. |
| Donsveertjes | De binnenkant van oude vogelnestjes bevatten vaak donsveertjes |
| Gedroogd gras | De dorre sprieten goed fijn wrijven. De vezels moeten zo fijn mogelijk zijn. |
| Houtkrullen (klein) | |
| Houtmolm | Verpulveren en verkolen in een vuurtje |
| Linnen of katoen | Behandelen met urine verhoogd de brandbaarheid. Zie onder |
| Lisdodde: pluis | In de herfst de sigaren plukken, daarna paar maanden drogen. Vervolgens zo bewaren dat ze, zodat ze niet volledig luchtdicht is afgesloten. |
| Spar: takjes | Bevatten hars en ontbranden daardoor makkelijk en fel. |
| Tonderzwam | Zie onder |
| Houtsoort | A | S | L | Opmerkingen |
Hard loofhout | | | | |
| + | + | - | Schors en twijgen vormen goed aanmaakmateriaal | |
| ± | ± | + | Brandt goed en lang | |
| - | ± | + | Geeft veel as dat lang blijft nagloeien | |
| ± | + | + | In minder droge toestand brandt het hout goed | |
| ± | ± | - | Bij verbranden verspreidt het een scherpe geur | |
| - | - | ± | Brandt alleen in droge toestand | |
| + | ± | ± | Vooral geschikt als aanmaakmateriaal | |
Zacht loofhout | | | | |
| - | ± | ± | Hout moet dood en vooral kurkdroog zijn, sterke vonkvorming | |
| - | - | ± | Hout moet droog zijn | |
| Naaldhout | | | | |
| + | + | - | De hete as van de kegels is goed voor bakken en poffen | |
| + | + | ± | Dode takken vormen goed aanmaakhout, geeft weinig as |
A= geschikt voor aanmaakhout + = goed
S= hout verbrandt snel ± = redelijk
L= hout verbrandt langzaam - = slecht




