
De vos (Vulpes vulpes) is een lid van de hondachtigen. De vossenvacht is over het
algemeen roodbruin, maar kan ook beige tot helderrood zijn, of zilverkleurig tot zwart
(vooral in de bergen). De oren zijn aan de achterzijde zwart, evenals de "sokken", de
onderbenen. Sommige dieren hebben een witte staartpunt; veel vossen hebben in ieder
geval enkele witte haren rond het puntje van de staart. De bovenlip is wit, evenals de bef.
Op de wangen zit bij veel vossen een zwarte of bruine "traandruppel". Sommige dieren
hebben een staalgrijze keel en buik, met een witte ster op de borst. In de paartijd heeft
het vrouwtje, de moervos, een roze glans over de vacht aan de onderzijde. De staart is
lang, dik en ruig. Hij heeft een schouderhoogte van 35 tot 40 centimeter en staat hoog
op de poten. Hij heeft een lengte van 58 tot 90 centimeter met een staart van 32 tot
48 cm. Hij weegt zes tot tien, soms vijftien kilogram. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes.
Leefwijze en voedsel
Vossen jagen solitair, meestal 's nachts en in de schemering, maar in onverstoorde gebieden jaagt hij liever overdag. De vos is
een opportunist: hij eet bijna alles. Hij kan hard rennen, tot zestig kilometer per uur, alhoewel zes tot dertien kilometer per uur
de normale snelheid is. Zijn prooien zijn meestal kleine en middelgrote prooidieren, zoals grote kevers, muizen en andere
knaagdieren, konijnen, hazen, vogels en katten, eieren, regenwormen en egels. Ook vruchten en bessen (vooral bramen)
worden gegeten. Dagelijks moet een vos ongeveer vijfhonderd gram aan voedsel binnenkrijgen. Een vos doodt soms meer dan hij
nodig heeft. Vooral op plaatsen waar meerdere prooidieren op elkaar zitten en niet kunnen ontsnappen, kan hij een ware slacht-
partij aanrichten, bijvoorbeeld in kolonies van grondbroedende vogels als kokmeeuwen. Voedselresten worden begraven en later
weer opgezocht, maar de vos legt geen voedselvoorraden aan. Een vos is meestal zeer succesvol in het terugvinden van begraven
voedsel.
De vos leeft meestal in een groep van zo'n zes dieren. Een dominante rekel (mannetjesvos) en een dominant moervos worden
begeleid door meerdere moervossen, waarschijnlijk uit vorige worpen. Meestal zijn alle vrouwtjes in een groep aan elkaar verwant.
Rekels worden, zodra ze volwassen zijn, uit de groep verjaagd. De ondergeschikte moervossen zijn helpers, die helpen met de
opvoeding van de jongen. Soms planten in een groep meerdere moervossen zich voort. De worpen worden dan vaak samengevoegd
tot één groep welpen, die bij alle moervossen mogen zogen.
Het territorium kan 1 tot 12 km² bedragen. Dit is o.a. afhankelijk van het voedselaanbod en veilige nestplaatsen. Het leefgebied
wordt afgebakend met geursporen, voornamelijk urine en uitwerpselen, die worden geplaatst op duidelijk zichtbare en ruikbare
plaatsen, maar vooral op vaakgebruikte plaatsen. Over het algemeen bakenen alleen de dominante moervossen het territorium af
met urine. Het afbakenen van een eigen gebied is nodig om het hele jaar door voldoende voedsel te kunnen vinden. Vooral in het
voorjaar moeten in het territorium steeds in korte tijd genoeg prooien gevangen kunnen worden om eetlust van de jongen te stillen.
Maar ook in de winter, mag er geen gebrek geleden worden.
Voortplanting en leeftijd
De paartijd duurt van december tot februari, wanneer de mannetjes vruchtbaar zijn. Een vrouwtje
is in die tijd slechts drie weken loops. De jongen worden na een draagtijd van 52 à 53 dagen in
de lente (tussen maart en mei) geboren. Het hol wordt soms gedeeld door drachtige vrouwtjes.
Een worp telt meestal 4 tot 6 jongen. Worpen van 5 tot 8 jongen komen ook voor, bij uitzondering
zelfs 10. De worpgrootte is afhankelijk van het voedselaanbod. In gebieden met veel vossen zijn
de worpen kleiner. Veel jacht geeft minder vossen, maar grotere worpen. Bij de geboorte zijn de
jongen blind en doof en wegen ongeveer 100 gram. Ze hebben bij de geboorte een donkere
fluwelen vacht, stompe snuitjes en kleine oortjes. De eerste twee tot drie weken zijn de jongen
volledig afhankelijk van hun moeder. De vader en de helpers brengen de eerste dagen voedsel
voor de moeder; nadat de jongen gespeend zijn, helpt ook de moeder mee.
Na elf tot veertien dagen gaan de ogen open. De eerste maand zijn de ogen blauw van kleur, maar later wordt ze bruin. Als de
pups vier weken oud zijn, groeien de neus en oren snel, en komt er een rossige glans over de vacht. Ze eten rond deze tijd hun
eerste vaste voedsel. Na zes weken worden de welpen gespeend en na zeven tot acht weken hebben ze het volledige melkgebit.
Na zes maanden zijn jonge vossen op het oog niet meer te onderscheiden van volwassen dieren. Tegen de herfst zijn de jongen
volwassen en na tien maanden zijn ze geslachtsrijp.
In het wild wordt de vos zo'n tien jaar oud. De meeste vossen worden echter niet ouder dan 3 jaar. Meestal is jacht de voornaamste
doodsoorzaak. Ook worden veel vossen verkeerslachtoffer. Belangrijke ziektes waaraan vossen kunnen lijden zijn hondsdolheid en
schurft.
Leefgebied
De vos heeft een grote verspreidingsgebied en komt voor over praktisch het gehele Noordelijk Halfrond. De vos kan zich goed
aanpassen, en komt in bijna alle leefgebieden voor o.a. in woestijnen, moerassen, gebergten, duinen en op toendra's.
Sporen
Meestal kan de aanwezigheid van vossen alleen worden vastgesteld aan de hand van hun sporen. In sneeuw
of zachte grond blijven de pootafdrukken mooi zichtbaar. Ze lijken op die van de hond, maar zijn smaller.
Kenmerkend is dat de buitenste tenen geheel achter de binnenste tenen staan, en dat de afdruk mooi
symmetrisch is: bij een onduidelijke afdruk is niet goed te zien wat voor en achter is. De voorvoet is 4,5 cm
breed en heeft een lengte van 5 cm. De achtervoet is 4 cm breed en 5 cm lang. De spreiding is minder dan
12 cm en de paslengte bij stap is 30 cm. Bij draf is de paslengte 45 tot 80 cm en bij galop meer dan 60 cm.
Soms laten vossen plukjes lange roodbruine haren achter op prikkeldraad daar waar ze er vaak onderdoor
kruipen.
De uitwerpselen zijn zwart tot donkerbruin, maar krijgen na korte tijd meestal een grijze tot witte kleur.
De uiteindelijke kleur is echter afhankelijk van wat de vos gegeten heeft. Vaak zijn lopen de uitwerpselen
aan één kant puntig en gedraaid. Ze zijn langgerekt, vingerdik (tot 25 mm) en 6 tot 12 cm lang. Ze zijn
dikwijls te vinden op tamelijk opvallende plaatsen, zoals molshopen, graspollen of keien, zodat de geur
zich kan verspreiden.
Buiten het voortplantingsseizoen verblijft de vos overdag meestal op beschutte plaatsen tussen de begroeiing
op bosgrond of in greppels. Een vossenleger is ondiep en ovaal van vorm, ongeveer 50 cm lang en 30 cm breed.
Een vos krabt net als een ree zijn leger in de bodem, welke dan de vorm krijgt van zijn opgerolde lichaam.
Er kunnen meerdere van zulke rustplaatsen bij elkaar liggen. De leger van een vos onderscheidt zich van die
van een ree doordat een vos meer haren achterlaat.
Vossen leven soms in een hol. Het hol is zelf gegraven of van een konijn of een das. Het komt voor dat vossen
zelfs hun hol delen met konijnen en dassen. Een zelf gegraven hol bevindt zich meestal in een zandbank, onder
een omgevallen boom, tussen boomwortels of onder rotsen, en heeft vaak twee tot vier ingangen. Een groot hol,
met meerdere ingangen, wordt een burcht genoemd. Meestal gebruiken alleen drachtige vrouwtjes het hol.
Het verschil tussen een vossen- en dassenhol is te zien aan de vorm, de grootte, het nestmateriaal en aan het uitgegraven
zand. Bij een vossenhol ligt namelijk het uitgegraven zand aanvankelijk op een min of meer kegelvormige hoop voor de ingang; later
wordt hij platgelopen. Dassen deponeren het uitgegraven zand op een halfcirkelvormige 'storthoop' rond de ingang. Als de storthoop
hoog wordt, graaft de das er een vaak boogvormige geul doorheen. De ingang is bij een dassenburcht breder dan hoog, waarbij de
bodem min of meer vlak is en het de bovenkant rond. De ingang van een vossenhol daarentegen is ovaal, en hoger dan breed.
Meestal hebben dassenburchten veel ingangen met grote storthopen, terwijl het merendeel van de vossenholen bescheiden van
omvang is. Bij dassen is de aanwezigheid van nestmateriaal, meestal in de vorm van droog gras of droge bladeren, een kenmerk
dat het hol bewoond en is voor de bewoning door dassen.
De vos kan tenminste 28 verschillende geluiden voortbrengen, en hij kent ook een groot aantal houdingen om mee te communiceren.
Onderdanige vossen houden bijvoorbeeld de oren naar achter, de mond lichtelijk open met opgetrokken lippen, en kwispelen bochtig
met hun staart. Agressieve vossen plaatsen de oren zijdelings en houden de mond wagenwijd open.







