(Over)leven in de natuur
Wezel
 

De wezel (Mustella nivalis) behoort tot de familie der marterachtigen, net als de hermelijn,

de bunzingde boommarter en steenmarter. De vrouwtjes zijn een stuk kleiner dan de

mannetjes. Ze zijn zelfs zó klein, dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen.

Het lichaam van de wezel is slank en langgerekt met korte poten en een korte staart. De lengte

is 13 tot 23 cm, de staartlengte 3 tot 6 cm en het gewicht 40 tot 150 g. De rug is bruin en de

buik wit, met een onregelmatige afscheidingslijn. Soms zijn de voetjes wit. De staart van de

wezel is kort en geheel bruin, in tegenstelling tot de staart van de hermelijn; deze is langer en

heeft een zwarte punt. 

 

Leefwijze en voedsel

De wezel is een vleeseter. Hij jaagt op de reuk en zoekt continu holtes of holletjes af. Prooien

worden zo nodig onder de grond achtervolgd en gedood door een beet achter op de kop.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen (tot 85% van het menu). Daarnaast eten ze

ook wel bosmuizen, ratten, mollen, vogeltjes, eieren, slakken, kikkers, insecten en jonge

konijnen en haasjes, vooral als het aantal woelmuizen beperkt is. De voedselbehoefte is

één à twee muizen per dag. Soms bewaart de wezel zijn voedsel, bijvoorbeeld een dode muis

of vogeltje, in een holte, om het later weer op te halen. 

 

Leefgebied

Wezels leven in veel verschillende biotopen, eigenlijk overal waar muizen voorkomen. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld

bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen. Goede schuilmogelijk-

heden en de aanwezigheid van voldoenden geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. De grootte

van de leefgebieden van de wezels varieert van 1 tot 25 hectare; van de vrouwtjes zijn ze over het algemeen veel kleiner dan van

de mannetjes. Wezels doorkruisen hun leefgebied regelmatig en slapen op verschillende rustplaatsen in dat gebied.


Voortplanting
De wezel is zowel overdag als 's nachts actief. Hij leeft solitair, behalve in de voortplantingstijd. De paring kan het gehele jaar

door plaatsvinden, maar valt meestal in de periode februari-april. De draagtijd is ongeveer zes weken. Meestal worden de jongen

in mei geboren, ongeveer vijf tot zeven per worp. Soms is er dan nog een tweede worp. Na twee tot drie maanden zijn de jongen

zelfstandig.  

 

Sporen

 

                                De aanwezigheid van wezels is af te leiden uit pootafdrukken en uit uitwerpselen. Doordat wezels zich

                                voortbewegen in de zogenaamde 'martersprong' hebben wezels een paslengte van 15 tot 30 cm en staan de

                                pootafdrukken, in groepjes van twee, drie of vier. De voorvoet is 7 (tot 15) mm breed en een lengte van 8 tot

                                13 (tot 20) mm. De achtervoet heeft een breedte van 6 ( tot 13) mm en een lengte van 15 (tot 30) mm .

                                De spreiding is tot 3 cm. 

 

                                De wezel gebruikt zijn uitwerpselen als markering, zowel voor zichzelf (vertrouwde geur) als voor soort-

                                genoten (afschrikking of aantrekking). De uitwerpselen zijn klein, langgerekt en sterk gedraaid of gevlochten,

                                met een puntig uiteinde. Ze zijn ca. 3 mm dik, 3 tot 4 cm lang en zwart tot grijs van kleur. Vooral in de buurt

                                van schuilplaatsen worden veel uitwerpselen gedeponeerd.

 

 

                                Wezels graven meestal zelf geen holen, maar betrekken natuurlijke holtes of nemen door andere dieren

                                gegraven holen, zoals van konijnen en ratten, en graven die dan eventueel nog uit. Wezels passen vanwege

                                hun geringe omvang in muizenholen met een diameter van 3 cm.

 


                                Prooiresten worden af en toe bij de ingang van de schuilplaats achtergelaten, maar zijn meestal niet

                                herkenbaar als wezelsporen. Ze kunnen net zo goed afkomstig zijn van een hermelijn, bunzing of nerts. 

                                Wanneer een wezel een vogel verorbert, worden eerst de grote vleugel- en staartpennen afgebeten op de

                                plaats waar deze het lichaam uitkomen. De veren zijn dan herkenbaar aan het ontbreken van de schacht-

                                punten. Het bijtvlak is vaak een beetje vezelig of ruw. De afstand tussen de hoektanden zijn bij mannetjes

                                4 tot 5 mm en bij  vrouwtjes 3 tot 4 mm. Dode muizen met bijtwonden in lijf of schedel zijn meestal prooien

                                van kleine marterachtigen. Ook kleine prooidieren met van onderen opengebeten schedels. Wezels verstoppen

                                kleine knaagdieren of vogeltjes onder graspollen, moskussens, blad- of humuslaag of achter loszittende

                                boomschors. Meestal betreft het een enkel prooi, soms zijn het er enkele.

 

     Naar boven

 

 

Wezel
Wezel
Wezel
Wezel
Wezel