De gewone wasbeer (Procyon lotor) is te herkennen aan hun karakteristieke zwart-met-witte
gezichtsmasker en de ruige, zwartgeringde staart. Het aantal ringen is meestal vijf, maar varieert
van vier tot tien. Het masker valt extra op door de grijze strepen die erboven en onder lopen.
Verder heeft de wasbeer een brede kop met een spitse korte, afgerondeoren, een gedrongen
lichaamsbouw en lange poten. De lange, dichte vacht varieert in kleur van grijsachtig bruin tot
donkergrijs. De tenen van de voorpoten zijn vrij lang en kunnen wijd uitgespreid worden. De nagels
zijn niet intrekbaar. Hij heeft een zonder de staart meegerekend een lengte van 48 tot 90 cm,
een hoogte van 30 tot 35 cm en een gewicht van 3 tot 15 kg. De staart heeft een lengte van
20 tot 40 cm.
Leefwijze en voedsel
Wasberen leven solitair of in kleine familiegroepen. De dieren zijn niet territoriaal, en meestal
overlappen de woongebieden van verscheidene dieren. De woongebieden van mannetjes
overlappen daarentegen nauwelijks met elkaar. Meestal overlapt het woongebied van een
mannetje met één tot drie vrouwtjes. Onverwachte ontmoetingen tussen alleen levende dieren gaan gepaard met veel gegrom
en met dreiggedrag. Onverwante dieren mijden elkaar in het algemeen. Ze zijn vooral 's nachts actief, maar soms komen was-
beren ook overdag tevoorschijn en ze zijn regelmatig in de schemering aan te treffen. Een wasbeer gebruikt meerdere verblijf-
plaatsen. Meestal slaapt de wasbeer overdag in ondergrondse holen, boomholten of verlaten vogelnesten, soms op aanzienlijke
hoogte. Ook verlaten holen, omgevallen bomen en ruimtes tussen rotsen worden gebruikt en zelfs in riolen en schoorstenen
brengen ze de dag door. Soms neemt hij overdag liggend op een boomtak een zonnebad. Meestal gebruikt maar één wasbeer
een verblijfplaats, met uitzondering van vrouwtjes met hun jongen.
Wasberen houden geen winterslaap, maar raken wel inactief bij te slecht of te koud weer (bijvoorbeeld als het vriest). Als de zon
schijnt zal hij echter tevoorschijn komen.
De wasbeer beweegt zich voort in een langzame gang met de kop laag bij de grond, de rug
gekromd en de staart laag. Toch kan hij, als het nodig is, zeer hard rennen. De wasbeer is ook
een zeer goede zwemmer en klimmer. Tijdens het zwemmen blijft de kop boven water en
wordt de staart gebruikt als roer. De reuk- en tastzinzijn goed ontwikkeld en helpen hem bij
zijn zoektocht naar voedsel. Met behulp van de gevoelige voorpoten voelt de wasbeer in
ondiep water onder stenen en in de modder of er zich voedsel bevindt. Ook brengt hij voedsel
in zijn voorpoten naar het water, waar hij het kneedt en omkeert, om oneetbare delen uit het
voedsel te verwijderen. Vroeger werd dit gedrag ten onrechte aangezien voor het wassen van
zijn voedsel. Hierdoor is de wasbeer aan zijn naam gekomen. Het leervermogen van wasberen
is groot en ze zijn in staat eerder opgedane ervaringen te benutten om nieuwe problemen op te lossen. Ervaringen kunnen ook
doorgegeven worden aan soortgenoten of aan een volgende generatie.
De wasbeer is niet kieskeurig wat betreft zijn voedsel. Vooral kleine dieren, waaronder wormen, schaaldieren als rivierkreeften,
weekdieren, amfibieën als kikkers, kleine zoogdieren tot de grootte van een haas, hagedissen, vissen, insectenlarven en zelfs
slangen staan op het menu. Verder haalt de wasbeer vogelnesten leeg, waarbij hij de eieren en jongen verorbert. Ook is hij dol
op vruchten, noten en granen. Daarnaast voedt de wasbeer zich ook met aas en eetbare afvalresten. Met hun voorpoten kunnen
ze voedsel dragen.
Voortplanting
De paartijd is van januari tot begin februari. Na een draagtijd van 60 tot 73 dagen worden er meestal
van maart tot mei vier of vijf jongen (maar variërend van drie tot zeven) geboren. Ook worden er in het
begin van de zomer wel eens jongen geboren. De jongen worden geboren in een hooggelegen
boomholte. Als de moeder ze wil verplaatsen draagt ze haar jongen bij hun nekvel. Bij gevaar vluchten
de jongen snel in een boom en worden ze fel verdedigd door hun moeder. Na een week of tien maken
de jongen kleine tochtjes met de moeder en een week later verhuizen de jongen voor de eerste keer
naar nieuwe holen. Na anderhalf tot vier maanden worden de jongen gespeend. Gewoonlijk blijven de
jongen bij de moeder tot in de herfst, maar bij schaarste aan goede schuilplaatsen brengen ze soms
nog samen de winter door in hetzelfde hol. Na één jaar zijn de jongen geslachtsrijp.
Een wasbeer kan in het wild tot zestien jaar oud worden, maar de meeste dieren halen de zeven jaar
niet. De meeste wasberen sterven aan menselijke activiteiten als jacht en vergiftiging, maar ook honger
(in de winter), parasieten en ziekten zijn belangrijke factoren. Jonge wasberen vallen vaak ten prooi aan
roofdieren.
Leefgebied
De voorkeur van een wasbeer gaat toch uit naar bosrijke gebieden, voornamelijk loofwouden, met meren en waterstroompjes.
Daarnaast leeft de wasbeer ook in stedelijke gebieden, kuststreken en berggebieden tot 2500 meter hoogte. Wasberen komen
in Noord- en Midden-Amerika en komt sinds de vorige eeuw in Europa voor. Wasberen gebruiken de wissels van andere dieren
naar meren, kreken en andere waterbronnen. Wasberen gebruiken tunnels om veilig onder wegen door te gaan.
Sporen
De wasbeer heeft zowel aan de voorvoet als aan de achtervoet 5 lange tenen met lange nagels.
De voorvoet heeft een breedte van 34 tot 40 cm en een lengte van 45 tot 50 cm. De achtervoet is
45 tot 60 breed en 50 cm lang. De spreiding is 15 cm. De paslengte is bij stap 35 tot 40 cm.
Bij de stap overdekken de prenten elkaar en liggen dichter bij de spooras. Bij een sprongengalop is
de paslengte 70 tot 80 cm. Bij draf staan de prenten van de achtervoet schuin naast die van de voorvoet.
De uitwerpselen van de wasbeer zijn kruimelig, hebben een platte uiteinde en kunnen een variatie aan
voedseldeeltjes bevatten. Ze zijn 7 tot 15 cm lang, maar zijn meestal in segmenten gebroken. De dikte
van de uitwerpselen zijn 15 tot 20 mm. De kleur is afhankelijk van wat zij gegeten hebben. Het kan zwart
tot roodbruin zijn, oranjeachtig wanneer er deeltjes in zitten van kreeften of schelpdieren of grijswit als er
botresten bevat. Wasberen laten hun uitwerpselen achter op bomstammen, aan de voet van bomen.
Wasberen markeren binnen hun leefgebied door hun uitwerpselen langs wissels en op opvallende plekken
te plaatsen.







