De Europese wilde kat (silvestris Felis silvestris) is fors gebouwd, heeft
een forsere, bredere kop, langere poten, zwarte of grijze strepen over het lichaam
en een dikke pluimstaart met 3 tot 5 zwarte ringen en een ronde, zwarte eindpunt.
De ogen zijn vaalgeel van kleur. De vacht is vaak geelgrijs, maar hierop zijn vele
variaties. Wilde katten hebben een kop-romplengte van 60 tot 85 cm en een
staartlengte van 25 tot 35 cm. Ze wegen 1,6 tot 8 kg en hebben een schouder-
hoogte van 35 tot 40 cm.
Leefwijze en voedsel
De Europese wilde kat is voornamelijk een nacht- en schemeringsdier en
onderneemt dan verre strooptochten op zoek naar prooidieren. Hij jaagt alleen
of in paren vooral in de avond en vlak voor zonsopgang. Hij bespringt en besluipt
zijn prooi vanuit een hinderlaag. Een wilde kat kan goed klimmen, waarbij hij
achterwaarts uit een boom klimt. Bij bedreiging kromt hij zijn rug en zet hij zijn
haren op, om groter te lijken.
Vrouwtjes hebben een vast territorium, terwijl de meeste mannetjes, voornamelijk jonge dieren) nomadisch zijn en zich vaak
door de territoria van vrouwtjes begeven. In de winter en het paarseizoen vestigen de katers zich in een vast woongebied.
Volwassen katers houden er soms het gehele jaar door een vast territorium op na, die vaak overlapt met dat van drie tot zes
poezen. Als hol gebruikt hij meestal een holle boom of een spleet tussen rotsen, maar ook verlaten konijnenholen of dassen-
burchten worden gebruikt. Hij gebruikt voornamelijk in koud weer een hol, voornamelijk tussen november en februari.
Een wilde kat krabt niet alleen aan een boom om zijn nagels te scherpen, maar markeert tevens zijn territorium met geurstoffen
uit klieren aan de voet en door te sproeien (urineren). In de herfst vormen wilde katten een vetlaag als reservebrandstof om de
vaak strenge koude van hun woongebied te doorstaan. In de winter en in de voortplantimgstijd komt het mannetje ver buiten zijn
eigen gebied op zoek naar voedsel of een partner. Een wilde kat jaagt voornamelijk op konijnen, kleine knaagdieren en ook op
vogels. De Europese wilde kat vult zijn dieet aan met gras, amfibieën, vissen, insecten en jonge hoefdieren, zoals reekalveren.
Hij jaagt voornamelijk in meer open terrein.
Leefgebied
De wilde kat heeft een voorkeur voor open plekken in laaggelegen loofwouden en aan de rand van uitgestrekte wouden. Hij komt
voor in afgelegen streken in middelgebergten en hoogveengebieden, in gevarieerde droge bossen en in heidevelden.
Voortplanting en leeftijd
Het paarseizoen valt in de late winter en de lente. Het wijfje maakt een haar nest, zonder
nestmateriaal, in een afgelegen rotsspleet of holle boom. De meeste jongen (kittens) worden
in mei geboren, maar geboorten komen van april tot september voor. Na een draagtijd van
ongeveer 63 tot 69 dagen komen 1 tot 8 (gemiddeld 3 à 4) jongen ter wereld. De jongen zijn
bij de geboorte blind en bedekt met een donkere vacht. Ze wegen 100 tot 163 gram bij de
geboorte. Na tien tot dertien dagen gaan de ogen open. Ze hebben dan blauwe in plaats van
gele ogen. Als ze ongeveer 10 weken oud zijn leert de moeder hen jagen. Ze krijgen moeder-
melk tot ze 4 maanden oud zijn. De jongen zijn op een leeftijd van circa vijf maanden
onafhankelijk en verlaten dan hun moeder.Na 10 maanden zijn ze volgroeid. In de herfst of
de winter verlaten de jonge mannetjes het territorium van de moeder, terwijl jonge vrouwtjes
vaak in of nabij het geboortegebied blijven. Mannetjes zijn na één jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na negen tot tien maanden.
Kittens vallen ten prooi aan roofvogels, vos, hermelijn en marters. Veel dieren sterven aan verhongering in de wintermaanden
en aan ziekten. Wilde katten worden hoogstens 12 jaar.
Sporen
De voorvoeten hebben 5 tenen, maar doordat de duim hoog aan de voet zit, is deze nooit in een prent waar
te nemen. Aan de achtervoeten hebben de wilde katten maar 4 tenen. De prenten vormen een vrij ronde
afdruk, waarbij de tenen in een halve cirkelvorm staan en boven de voetkussen. De voeten hebben een voet-
breedte van3,5 tot 4 cm en een voetlengte van 4 tot 4,5 cm. Bij het afzetten voor een sprong zijn soms de
afdrukken van de nagels te zien. Bij stap is de paslengte 25 tot 30 cm. Bij draf komen de prenten van de
achtervoet op die van de voorvoet, waardoor het lijkt alsof er slechts één prent staat met vijf prenten. De pas-
lengte is hierbij 35 tot 40 cm.
Wilde katten bijten bij grote prooien, zoals reekalfjes, de kop af en gaan deze dan verstoppen. De schedel wordt hiervan open
gemaakt, waarbij de hersens en tong worden aangevreten. Bij de grote prooien worden de ingewanden en het spierweefsel van de
voorpoten en de dijen niet gegeten. Bij kleinere prooien laten wilde katten geen vleesresten aan de botten zitten en zijn er soms
beschadigingen van hun klauwen waar te nemen, zoals op de schouderbladen. Wilde katten verstoppen hun prooiresten soms
onder struiken of bedekken het met bladeren, gras of aarde.
De uitwerpselen van een wilde kat zijn cilindervormig, 1 tot 2 cm dik en hebben een lengte van 2 tot 8 cm.
Bij het indrogen kunnen de uitwerpselen bij de insnoeringen uit elkaar vallen waardoor er korte en harde
uitwerpselen ontstaan. De uitwerpselen zijn hard en bestaan uit haren of veer- en botresten. De kleur is donker-
tot lichtgrijs. Een wilde kat deponeert zijn uitwerpselen op bepaalde markeringsplekken, zoals graspollen,
boomstronken, maar worden ook langs wissels gedeponeerd. De wilde kat maakt gebruik van vaste wissels.






