(Over)leven in de natuur
Ree

De ree (Capreolus capreolus) is een klein, algemeen soort hert dat voornamelijk in

Europa voorkomt. De ree heeft een zandgele tot roodbruine zomervacht, 's winters

is deze meer grijsbruin tot zwart van kleur. Volwassen dieren hebben geen vlekken,

maar op de romp is een duidelijke witte tot gelige rompvlek zichtbaar. Bij een

mannetje (reebok) is deze vlek 's zomers vrij onduidelijk. De neus is zwart en de kin

is wit. De staart is vrij klein en enkel zichtbaar tijdens het ontlasten. 's Winters steekt

bij het vrouwtje (reegeit) een bosje witte haren tussen de achterpoten naar achteren

dat op een staart lijkt.

 

Het volwassen mannetje heeft een eenvoudig gewei, welke tot 25 cm lang kan

worden. 's Winters groeit het gewei en tussen oktober en januari wordt weer afgeworpen.

De ree heeft een lengte van 95 tot 140 centimeter, een lichaamsgewicht van 16 tot

35 kilogram en een schofthoogte tussen de zestig en de negentig centimeter.

Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben gemiddeld

een schofthoogte van 64 tot 67 centimeter, vrouwtjes van 63 tot 67 centimeter.

 

Leefwijze en voedsel

De ree is voornamelijk in de schemering actief. Van september tot april is hij voornamelijk 's nachts actief en van mei tot augustus

is hij ook meer overdag actief. Mannetjes en vrouwtjes hebben het grootste deel van het jaar een territorium. Meestal overlapt het

territorium van een mannetje met dat van een of meerdere vrouwtjes. De grenzen van de mannetjes territoria overlappen elkaar niet,
maar worden juist bepaald door de grenzen van andere mannetjes. Hetzelfde geldt voor de gebieden van de vrouwtjes, maar soms

overlapt het territorium van een ouder vrouwtje geheel of gedeeltelijk met dat van haar dochters.


Reeën leven over het algemeen alleen. Soms leven reeën in kleine groepjes van een vrouwtje,

haar kalveren en soms een bok. Eenjarige reeën leven meestal ook in groepjes. Eenjarige

geiten leven meestal in groepjes van twee, eenjarige bokken in groepjes van twee tot vier, soms

met oudere bokken zonder een eigen territorium.

 

's Winters zijn reeën minder territoriaal, mogelijk omdat de dieren energie moeten besparen

door voedselschaarste, of omdat door voedselschaarste dieren vaker hun eigen territorium

moeten verlaten om voedsel te vinden. Ze kunnen zich dan zelfs samenvoegen in kudden van

tot wel dertig dieren, met een duidelijke hiërarchie tussen de bokken. 

 

De ree eet bramen, bessen, twijgen, scheuten, knoppen en loten van struiken en bomen als rozenstruiken en coniferen, kruiden,

grassen, bladeren, noten, paddenstoelen en ook landbouwgewassen als tulpen, granen en kroppen. 's Zomers voedt hij zich ook

met jonge blaadjes en in de herfst ook met eikels. In de winter eet de ree meer knoppen en twijgen en eet dan alleen de meest

voedzame delen van een plant.

 

Leefomgeving en leeftijd

De ree leeft bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden. Soms is hij ook te zien in hoge heidevelden.

Hij heeft behoefte aan beschutting en rust in dicht struikgewas als bramenstruiken, heggen en coniferen. In de schemering waagt

hij zich ook in meer open terrein. De ree wordt maximaal twintig jaar oud, maar de meeste dieren worden in het wild slechts zeven

of acht jaar oud. Vrouwtjes worden iets ouder dan mannetjes.

 

Voortplanting 

De bronsttijd valt in juli en augustus en het duurt tot eind mei, begin juni voordat het kalf wordt

geboren. Vrouwtjes die niet in de zomer drachtig waren, raken in oktober voor een tweede keer

bronstig, maar werpen rond dezelfde tijd als de drachtige dieren in de zomer. De zomerdrachtige

dieren hebben namelijk een verlengde draagtijd.

 

Driekwart van alle worpen zijn tweelingen, maar ook eenlingen en drielingen komen voor. Het jong

is bij de geboorte 1,3 tot 2,3 kg zwaar en heeft een bruinig zwarte vacht met rijen witte vlekken

over de rug en de flanken. Na zes weken vervagen de vlekken en in oktober zijn de vlekken

verdwenen. De zoogtijd duurt zes tot tien weken. Jonge kalveren worden zo'n zes tot tien keer

per dag gezoogd voor zo'n enkele minuten, oudere kalveren slechts twee tot drie keer per dag.

De rest van de tijd zijn de kalveren alleen. Tweelingen worden meestal apart van elkaar gezoogd,

zo'n twintig meter uit elkaar. Het jong blijft bij de moeder tot de volgende worp, waarna het wordt

weggejaagd. Meestal zijn dieren na veertien maanden geslachtsrijp.

 

In de voortplantingsperiode wrijft de reebok met zijn gewei langs bomen en struiken om ze van

zijn geur te voorzien en zijn

gebied af te bakenen.

 

Vijanden

Voor de ree vormen de lynx, de wolf en de bruine beer een gevaar. Jonge kalfjes vallen wel eens ten prooi aan arenden, de vos,

de wilde kat en het wilde zwijn. Vooral in de eerste weken na de geboorte zijn de kalveren gevoelig. Ook sterven veel dieren

in de winter door infecties aan de luchtwegen of voedselgebrek.


Geluid

De ree kan klagelijk schreeuwen of schor piepen. Tijdens de bronst maakt een ree korte hese blafjes. En een geit slaakt

klagelijke kreten, fiepen, wanneer ze haar kalf naar zich toeroept en in de paartijd. Jonge kalveren op zoek naar hun moeder

maken een vergelijkbaar geluid. 

 

Sporen

 

  

                             De hoefafdrukken van de ree zijn 3-4 cm breed en de lengte is 4,5 cm of groter, wanneer de bijhoeven

                             te zien zijn, zijn de prenten tot 7 cm lang. De afstand tussen verschillende afdrukken kan tot 140 cm

                             bedragen, wanneer de ree zich in draf voortbeweegt. Doordat de dieren hoeven bezitten kunnen vele

                             bodemsoorten worden betreden.

                             

 


                            Vraatsporen van reeën zijn te vinden op bieten en knollen en zijn te herkennen aan afdrukken van de onder-

                            snijtanden: elke snijtand is 4-5 mm breed. Vraat aan jonge boompjes, zoals sparren, is vaak te zien aan

                            dichte vertakkingen aan de voet van deze boompjes. Wanneer een ree een stengel of twijg afbijt, ontstaat

                            een schuin snijvlak dat aan de bovenkant gerafeld of vezelig is. Verder kunnen reeën vraatlijnen aan bosranden

                            veroorzaken, deze is tot ongeveer 150 cm hoog. 

  

 

 

 

                            De uitwerpselen van een ree zijn 7-10 mm dik en 6-13 mm lang en eikel- of capsulevorming. Ze zijn donker

                            van kleur en hebben vaak een holle pool. Vaak liggen ze in kleine hoeveelheden bij elkaar.  

  

 

 

De ree maakt gebruik van wissels; regelmatig of veelvuldig belopen paadjes. Soms worden ze door een individu gebruikt, soms

door meerdere, maar vaak door diverse diersoorten. Aan de hand van prenten en/of haren die blijven hangen aan struikgewas of

prikkeldraad is te zien of deze daadwerkelijk door ree gebruikt wordt. De wissels die een ree gebruikt, zijn 30 cm of meer breed. 

 

     Naar boven

 

 

Ree
Ree
Reekalf
Reeprenten
Ree, vraatspoor
Ree, uitwerpselen