De muskusos (Ovibos moschatus) is een plomp holhoornig hoefdier met een grote kop
en een brede snuit. Hij dankt zijn naam aan de muskusachtige geur van zijn urine, die de
muskus over zijn achterste vacht verspreidt. Ze hebben een erg langharige vacht, bestaande
uit haren van zo'n 70 centimeter lang. Deze vacht bedekt de staart en de oren, en hangt
's winters tot op de brede hoeven. De vacht is 's zomers donkerbruin en 's winters zwartbruin.
Tussen april en juni verliest de muskusos de dikkere wintervacht. Beide geslachten hebben
hoorns. Deze hoorns zijn aan de basis breed en dik, buigen langs de kop naar beneden en
aan de punt weer omhoog. De hoorns van mannetjes (stieren) zijn breder dan die van vrouwtjes
(koeien).
De muskusos weegt 225 tot 400 kg. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben
een kop-romplengte van 200 tot 245 cm en de vrouwtjes tot 190 cm. De schofthoogte is bij
mannetjes 130 tot 165 cm en bij vrouwtjes tot 110 cm. De lange behaarde staart is 10 tot 12 cm lang.
Leefwijze en voedsel
Muskusossen zijn dagdieren. 's Zomers leven ze in harems van ongeveer tien dieren, geleid door een ouder mannetje, maar
's winters leven ze in gemengde kudden van zo'n vijftig dieren. De stieren zijn solitaire dieren en leven gescheiden van de kudde.
Tijdens de winter neemt het aantal dieren in een dan gemengde kudde toe tot ongeveer 50 dieren. De muskusos is bestand
tegen extreem koude temperaturen (tot onder 50 °C) dankzij hun lange, dikke wolvacht. Deze buitenste vacht behouden ze ook
tijdens de zomer, maar de onderste vacht verliezen ze in mei en juni.
In de zomer trekt de muskusos naar een vallei of meeroever waar op een dunne laag
vruchtbare grond volop gras, mos, kleine bodemplanten, dwergberk en wilgen groeien.
Omdat het lang licht is, kan het dier zich ook tijdens de nacht voeden en reserves op-
bouwen voor de winter, waarin sneeuwstormen en periodes van slecht weer het moeilijker
maken om zich te voeden. Doordat hij zich beperkt tot onbeschutte grond die alleen
's winters met een dunne laag sneeuw bedekt is, eet de muskusos grassen zegge en
taaie planten zoals vossebes en besheide. De zomers en winterse voedselgebieden
liggen nog geen honderd kilometer uit elkaar, zodat het dier niet ver hoeft te trekken en
energie kan sparen.
Leefgebied
De muskusos leeft op de arctische toendra waar de grond het grootste deel van het jaar bevroren is en waar het zomers niet
warmer wordt dan 10°C.
Vijanden
De belangrijkste natuurlijke vijand is de wolf. Bij gevaar vormen de volwassen muskusossen een ondoordringbare kring om de
kalveren heen, met de hoorns naar de buitenzijde. De muskusos wordt maximaal 23 jaar oud.
Voortplanting
Tijdens de bronsttijd in juli en augustus scheiden de stieren via de klieren boven hun
ogen een sterke muskusachtige geur af en vechten met elkaar om het recht om te
paren. Een rivaal die de dominante stier uitdaagt, stampt snuivend en met dreigende
blik op de grond, waarna ze met ongeveer veertig kilometer per uur op elkaar afstormen
en hun hoorns met een daverende klap op elkaar slaan. De verliezers vormen vrijgezel-
lenkuddes of trekken alleen verder, op zoek naar een andere kudde om over te nemen.
In de herfst sluiten ze zich weer aan bij gemengde kuddes. Tussen eind april en midden
juni worden de kalveren geboren, na een draagtijd van acht à negen maanden.
Het vrouwtje krijgt één kalf per worp, slechts zelden twee. Het kalf heeft een krullerige
vacht. Het kalf kan al na een week grazen, maar voedt zich het eerste jaar nog met de
moedermelk. Mannetjes zijn na vijf jaar geslachtsrijp, vrouwtje na twee jaar.





