Pijl en boog vormde een geducht wapen. Het doordringingvermogen van prehistorische pijlen was
behoorlijk. Men kon er tijdens de jacht bijvoorbeeld herten op een afstand van 75 meter mee doden.
Houtsoort
Bogen werden in de steentijd altijd uit één stuk hout gemaakt. Voor het maken van een boog kunnen
verschillende houtsoorten worden gebruikt, maar de ene houtsoort is meer geschikt dan de andere.
Het beste houtsoort komt van de taxus, maar dit hout moet minstens vier jaar drogen. Andere geschikte
houtsoorten zijn iep, esdoorn, es, berk, hazelaar en vruchtbomen. Het hout van deze boomsoorten
moet minstens een jaar drogen.
Het hout voor de boog moet dan worden gekapt en ontbast. Het is belangrijk bij het verwijderen van de
bast dat de buitenste jaarringen van het hout niet worden beschadigd, want deze vormen uiteindelijk
de boogrug. Indien de boog niet exact de jaarringen volgt dan is de kans groot dat het zal breken.
Ideaal vormt een stam met een dikte van 20 cm. Het hout moet zo recht mogelijk zijn, maar soms kan
een boomstam krom zijn gegroeid of gedraaid door bijvoorbeeld blootstelling aan de wind. Hoe rechter
het hout hoe makkelijker het is om er een werkende boog uit te maken. Om het droogproces te
versnellen kan een stam het beste in vieren worden gekliefd. Daarbij kunnen de uiteinden beschermd
worden met wat houtteer, omdat deze kanten namelijk het snelst zullen drogen en daardoor kan het
hout gaan splijten. (Hout droogt ongeveer 2,5 cm van af de buitenkant van het hout per jaar.)
Maken van de boog
Voor een boog uit een kwart stam is het beste om aan de buitenkant/vlakke kant van de boog een laagje
spinthout te hebben. De buitenkant van de stam (splinthout) wordt namelijk de 'platte' kant die van de schutter afwijst en het
kernhout (hard hout) vormt de binnenkant, want spinthout kan meer rek hebben en kernhout meer druk. De buitenkant kan
of een D-vorm hebben voor een smalle, lange boog of een brede platte kant worden voor een platte boog. De lengte van de
boog moet 10 tot 15 cm korter zijn dan de boogschutter lang is.
Eerst moet het midden worden bepaald. Een handige manier is om met een touwtje van het ene uiteinde naar het andere op te
meten en dan het touwtje dubbel te vouwen. Als volgt kan de grove vorm van de boog met houtskool op het hout worden uitgete-
kend, waarna de vorm met een bijl kan worden uitgekapt. Hierna wordt met een lichte, maar scherpe bijl of een grote mes de
armen van de boog zorgvuldig verder bewerkt totdat de boog overal, behalve in het handvat, ongeveer 2 cm dik is en de boog naar
beide einden toe spits toeloopt.
Controleer of de tekening op het hout nog klopt met de richting van het hout. Indien er per ongeluk te diep wordt gesneden op een
plaats van een jaarring dan kan de boog daarop scheuren of zelfs breken. Dit is dus een heel precies werk. Het laatste stukje zal
dan ook het best gaan met schuurpapier. De ringen zijn vaak verschillend in kleur en dit maakt het makkelijker om te zien wat er
van af moet worden gehaald. Uiteindelijk moet de hele platte kant 1 kleur zijn. Bij de ronde kant moeten de vlammen in het hout
ook in een nette lijn door het midden lopen en een mooie D-vorm vormen. De rechterkant moet ook ongeveer hetzelfde zijn als de
linkerkant van de boog. Tussendoor kan er worden gecontroleerd of de boog al begint te buigen. Zodra deze goed buigt kan met de
hand worden gevoeld of de boog de gewenste trekkracht heeft door één uiteinde op de grond te zetten, het andere uiteinde vast te
houden en dan met de vrije hand op het handvat te drukken. Met een mes kan dan aan de beide uiteinden inkepingen voor een
tijdelijke boogpees worden gemaakt en kan de hele binnenkant van de boog worden gladgeschaafd.
Het moeilijkste vormt het exact buigen van de beide boogarmen ten opzichte van de positie van het handvat. Als de boven of onder-
kant meer buigt dan zullen er zwakke plekken in de boog ontstaan waar het hout wordt overbelast en zal de boog op een dergelijke
plek breken. Ook is het niet goed als de boog in het handvat buigt, omdat dit vervelende klappen geeft in de zodra de pees bij het
schieten wordt losgelaten.
Om te zorgen dat de boog goed doorbuigt, is een houtbalkje nodig met aan een kant een uitholling waar het handvat van de boog
in komt te liggen en om de 5 cm een aantal inkepingen waar de pees in kan haken zodat de boog op spanning kan worden gezet.
In plaats van een plankje kan ook gebruik worden gemaakt van een gevorkte tak waarbij de twee vorktoppen ingekort moeten worden
tot ongeveer 2,5 cm. De tak moet niet te dik zijn, ongeveer met een diameter van 3 cm. De lengte van de tak zelf is weer afhankelijk
van de lengte waarop de boog uiteindelijk zal moeten worden uitgetrokken. Net als bij het houtblokje moeten er inkepingen in worden
gemaakt.
De pees moet langer zijn dan een normale, want de boog kan niet meteen volledig opspannen want dan zal deze breken. Het handig-
ste is het om een pees te hebben met slechts aan één kant een lus zodat deze op verschillende lengtes kan worden geknoopt.
De pees moet daarop telkens voorzichtig naar een andere inkeping worden gebracht terwijl bij elke inkeping de tijd genomen moet
worden om te controleren of de boog een perfecte vorm heeft door van een afstand de boog te bekijken. Daar waar de boog niet goed
buigt is deze te stug en zal er dus wat hout moeten worden verwijderd (met een schaaf of schuurpapier) totdat de definitieve vorm en
trekkracht zijn bereikt. Ter afronding kan de boog ingeschoten, afgewerkt en enkele malen met olie worden ingewreven.
Tips
¨ Indien de boog wordt uitgetrokken laat dan nooit de pees in één keer los zonder dat er een pijl mee wordt geschoten. De energie
van de pees gaat dan niet de pijl maar de boog in en komt niet ten goede aan de boog.
¨ Een boog kan vele jaren meegaan zolang hij droog maar niet te warm wordt bewaard en zo nu en dan wordt ingevet.
¨ Indien een boog voor lange tijd niet is gebruikt moet hij, voordat er de volle spanning op wordt gezet, een aantal malen
voorzichtig worden opgerekt.
Pijlen
Wilg, inlandse eik, es en kornoelje zijn slechts enkele inheemse houtsoorten die geschikt
zijn om er pijlen van te maken. Zoek in ieder geval takken uit die zo recht mogelijk zijn en die
een dik te van ongeveer 10 mm, en natuurlijke met zo weinig mogelijk zijtakjes. Snijdt de lengte
ruimschoots af deze is afhankelijk van het type boog waarmee we gaan schieten, maar de lengte
van de pijl zal toch al gauw zo’n 60 cm gaan bedragen. Hierna worden ze geschild waarna ze zo
recht mogelijk gemaakt. Pijlen kunnen ook (gedeeltelijk) van riet worden gemaakt. Snij de onder-
kant van het riet ongeveer 1,5 cm van een tussenschot en plaats een smalle houten plug die
dienst zal doen als de nok van de pijl (plaats waarin pees van de boog komt). Bind het vast met
darm, peesdraad of lijm het vast. Voor het hoofdeind moet het riet 5 cm van een tussenschot
worden gesneden en een 10 tot 15 cm lange houten schacht in het riet worden geplaatst, die tegen het tussenschot aan moet
komen. Deze kan worden gelijmd of worden vastgebonden. De gehele lengte van de pijl is afhankelijk van de grote van de boog.
Rieten pijlen zijn licht en snel.
Recht maken
Dit recht maken gaat heel goed boven een houtsvuurtje. Maak het kromme gedeelte wat nat en verwarm dit gedeelte dan boven
kolen van een vuur. Heet hout is goed te buigen en zal na afkoelen die vorm houden. Hierna kan de pijl in de goede vorm worden
gebogen of de pijl kan over een boomstam of een natuursteen in de goede vorm worden gebracht. Na het afkoelen zal de pijl de
vorm behouden.
Balanceren
Om ervoor te zorgen dat een pijl in balans blijft moet een pijl over de gehele lengte dezelfde dikte hebben. In de prehistorie
werden hier verschillende werktuigen voor gebruikt. Zo kan een doorboorde hoorn hiervoor gebruikt worden of een stukje bot
of gewei met een gat erin met de juiste diameter. Een pijl kan met deze hulpstukken op de gewenste dikte worden geschaft.
Ook kan van vuursteen schraap- en snijwerktuigen worden gemaakt. De dikte van de pijlschacht moet aan het gewicht van de
boog zijn aangepast. Zware bogen hebben dikke, stijve pijlschachten nodig, en lichte bogen hebben dunne, lichte pijlschachten
nodig, maar over het algemeen heeft een pijl een dikte van 8 mm. De nok van de pijl waarin de pees van de boog moet komen
moet voorzichtig ingekerfd, waarna deze omwonden kan worden met wat darm of pees en ingesmeerd met houtteer om splijten
te voorkomen.
Een goed uitgebalanceerde pijl heeft eigenlijk geen veren nodig, maar voor grote afstanden dragen ze bij aan de stabiliteit, zodat
een pijl tijdens de vlucht niet draait of schommelt. Nadat de veren zijn bevestigt kan er aan de andere uiteinde een pijlpunt worden
gemaakt of aan worden toegevoegd.
Pijlkokers
Pijlkokers kunnen van dierenhuiden worden gemaakt. Door de haren erop te laten zitten, zijn ze beschermt tegen de regen. Pijl-
kokers kunnen over de schouder worden gedragen van de booghoudende arm (dus over de linkerschouder bij rechtshandige). Ook
kan een pijlkoker worden gevlochten.
Polsbeschermers
Polsbeschermers kunnen van huid worden gemaakt. Het leer beschermt de arm en de pols tegen de inslag van de pees als de
boog wordt afgeschoten.
Schiettechniek
Indien rechtshandig staat de schutter met de linkerschouder naar het doel. Daarbij staan de voeten iets uit elkaar en wijzen naar
voren. De boog wordt in de linkerhand vastgehouden. De rechterhand zorgt voor het spannen van de boogpees, waarbij de toppen
van de wijs-, middel- en ringvinger tegen de boogpees liggen. De pijl wordt dan lichtjes tussen de wijs- en middelvinger geplaatst.
De pijl rust op de knokkel van de wijsvinger aan de linkerhand.
De boog wordt gespannen door de linkerarm te strekken, waarbij de rechterelleboog zo naar achteren wordt gebracht dat de rechter-
bovenarm horizontaal komt. De linkerhand, de pijl, de rechteronderarm en de beide schouders vormen dan een rechte lijn, welke
naar het doel is gericht. Het richten gebeurd door langs de pijl naar het doel te kijken, de vingers worden dan gestrekt waarbij de pees
wordt losgelaten en de pijl wordt afgevuurd. Er moet wel rekening worden gehouden met de afstand en de kracht van de wind.






