Visvallen werden al in de prehistorie toegepast. Bij archeologische opgravingen zijn er visfuiken gevonden. Deze visfuiken
bestonden uit twijgen van de rode kornoelje die verbonden waren met touw vervaardigd uit biezen. Deze fuiken zijn meer dan
6000 jaar oud. Ook is er een visweer gevonden die waarschijnlijk 4000 jaar oud is. Deze visweer bestond uit 120 palen met
een gemiddelde doorsnede van 15 cm.
Fuiken, visweren en dammen
Een fuik werd gemaakt van een net of van buigzame takken als van de hazelaar, wilg of dus ook van de rode kornoelje. Fuiken
bestonden uit permanente of semi-permanente fuiken of uit potfuiken, waarbij vissen (en kreeftachtigen) soms gelokt werden met aas.
Een losstaande fuik had meestal een of meerder ‘kelen’. Een ‘keel’ zorgde ervoor dat
een vis moeilijk uit een fuik kon ontsnappen. De ingang van een fuik was breed, waar-
door een vis makkelijk naar binnen kon zwemmen, maar versmalde geleidelijk aan en
eenmaal binnen werd door de hoek van de trechtervorm het voor de vissen moeilijk om
te ontsnappen. Om de kans te verhogen dat een vis een fuik binnenzwom kon er aas
worden gebruikt, maar ook kon er gebruik worden gemaakt van ‘vleugels’. Deze vleugels
hadden dezelfde werking als een visweer en konden aan een fuik worden gemaakt om
zo vissen naar de opening te leiden. Een vleugel kon bijvoorbeeld bestaan uit gevlochten
matten die links en rechts van de opening waren vastgemaakt. Om de fuiken te laten
zinken werden deze verzwaard met keien.
Een visweer was vaak V-vormig en gemaakt van hout of steen. Door de V-vorm werden vissen gedwongen om naar de punt te
zwemmen, waar dan vaak een fuik was geplaatst. Een visweer werd vaak toegepast in gebieden waar gebruik gemaakt kon worden
van de getijden. Vissen waren gedwongen om met het terugtrekkende water mee te gaan en kwamen dan in een visweer terecht.
Een visweer kon echter ook worden toegepast in (stromende) rivieren of beken. Vissen werden dan opgejaagd richting de visweer.
Een fuik die in zo’n visweer werd geplaatst hoefde geen keel te hebben, omdat een vis toch al naar voren zwom en de fuik snel
geleegd kon worden. Bij (snel-)stromende water zorgde het water zelf ervoor dat vissen een visweer niet konden verlaten.
Een kleine stroom kon ook worden afgedamd, waarbij een deel van de dam open werd gelaten en waar dan een fuik werd geplaatst.
Het maken van een fuik
De grootte van een fuik was afhankelijk van de vissoort. Een fuik voor grotere vissen, zoals snoek en baars, waren grover gemaakt
dan een fuik voor kleine vissen en paling. Er zijn verschillende manieren waarop een fuik gemaakt kan worden. Een manier is om
eerst van buigzame takken, zoals hazelaar en wilg een aantal hoepels met verschillende diameters te maken. Door (verse) takken
te stomen kunnen ze makkelijk worden omgebogen tot een hoepel. Door de buitenkanten tegengesteld schuin af te snijden vormen
ze een egale hoepel. Hierna kunnen er takken met touw op de hoepels worden vastgemaakt en/of takken worden gevlochten.
Om een grove fuik te maken hoeven er niet veel takken aan de hoepels te worden vastgemaakt of er tussen worden gevlochten.
Door takken in de lengte richting tussen de hoepels te vlechten, komen de hoepels vanzelf vast te zitten. Het uiteinde kan vast
worden gebonden (met touw of een twijg) maar ook kan een hoeveelheid stro aan die kant worden geplaatst. Eventueel kan er een
keel en vleugels worden gemaakt. Een keel kan worden gemaakt door tussen twee hoepels van verschillende diameter dwarslatjes
te plaatsen. Hierdoor krijg je een trechtervorm die in de grootste/ buitenste hoepel (ingang) kan worden geplaatst, waarbij de dwars-
latjes naar binnen wijzen. In principe is er door het vlechtwerk geen enkel stuk touw nodig.
Een andere manier is om eerst over vier takken hoepels met verschillende diameter te plaatsen en dan de vier takken schuin
(wigwamvorm) in de grond te steken. De hoepels kunnen dan over de vier takken worden verspreid, waarna er kan worden gevlochten.
Het uiteinde kan vast worden gebonden (met touw of een twijg) of een hoeveelheid stro kan aan die kant worden geplaatst.
In plaats van hoepels te gebruiken kunnen er ook dunnere takken tussen de lengte takken worden gevlochten.
Handig daarbij is om meerdere takken in een wigwamvorm in de grond te steken en dan op verschillende
afstanden de takken erdoor te vlechten.
Om eenvoudig een fijnere fuik te maken is het makkelijk om touw te gebruiken. Hierbij moeten ook eerst hoepels van verschillende
diameter worden gemaakt. De takken worden dan niet gevlochten, maar worden zo dicht mogelijk tegen elkaar aan op de hoepels
geknoopt. Er kan echter ook gebruik worden gemaakt van allerlei vlechtwerktechnieken.





