Legers zijn ondiepe uithollingen in de bodem, vegetatie of sneeuwlaag, die dieren
zelf uitkrabben om hierin te rusten of te slapen. De vorm is meestal ovaal, maar de
grootte en vindplaats variëren naar diersoort. In recent gebruikte legers zijn meestal
haren te vinden. Deze vaste slaapplaatsen zijn te vinden in dicht struikgewas waar
een dier kan horen of er een roofdier aankomt.
Een rustplaats wordt meestal één of twee keer gebruikt. Het wordt o.a. gebruikt
om te rusten en te herkauwen. Het herkenbaar aan de gebroken en platgedrukte
vegetatie.
Vogels, zoals de hoenderachtigen, gebruiken ook een soort leger, maar dan om in
fijn zand een stofbad te nemen. De stofbaden dienen om de veren schoon te maken,
waarbij met snavel en poten het zand door de veren wordt gesmeerd. Rustplaats van een hert
Bij hazen zijn de legers tot 10 cm diep, 20 cm breed en tot 25 cm lang. De afmeting heeft precies het langwerpige grootte en
de omtrek van het dier. Wanneer hazen rusten liggen ze beschut met hun achterlijf in het diepste gedeelte en met de achterpoten
onder de buik in zijn rusthouding. Sneeuwhazen hebben hun legers vaak tussen rotsblokken of heidestruiken. Ook konijnen
hebben als rustplaats wel eens een leger, maar die zijn wat kleiner en hebben een minder opstaande achter rand.
In de humus- of bladlaag krabben reeën ondiepe plekken uit, waarin ze opgerold liggen te rusten. Vaak ligt een leger dichtbij
een boomstam. De afmeting is ongeveer 40 bij 60 cm en heeft een ovale vorm. In verse legers zijn haren te vinden en ook zijn
de eikelvormige keutels in de buurt te vinden, omdat reeën bij het verlaten van hun leger zich meestal ontlasten. Gedurende een
bepaalde tijd van het jaar leven reeën in kleine groepen en kunnen er meerdere legers dicht bij elkaar worden aangetroffen.
Beverratten maken vaak vrij platte en ronde legers bestaande uit bladeren en takken of platgevouwen plantenstengels. Zo’n
leger heeft een doorsnede van ongeveer 50 cm, maar hebben soms ook een oppervlak van 4 m². Deze legers liggen aan oevers,
maar als er voedsel in de buurt is soms ook wel tot 80 meter van het water vandaan. In koude winterperiode maken beverratten
ook plateaus van rottende plantenresten met een ondiepe kuil in het midden. Beverratten profiteren dan van de warmte die vrij-
komt bij het broeien van de plantenresten.
Bevers hebben in oevervegetatie hun rustplaatsen op de kale grond of op platgevouwen planten.
Vossen rusten bovengronds regelmatig tussen de begroeiing op bosgrond of in greppels. Een vossenleger is ondiep en ovaal
van vorm, ongeveer 50 cm lang en 30 cm breed. Een vos krabt net als een ree zijn leger in de bodem, welke dan de vorm krijgt
van zijn opgerolde lichaam. Er kunnen meerdere van zulke rustplaatsen bij elkaar liggen. De leger van een vos onderscheidt
zich van die van een ree doordat een vos meer haren achterlaat.
Zolang het een gebied betreft waarbij hij nauwelijks gestoord wordt, zal een das overdag wel eens op de bosbodem of onder
dekking van struikgewas liggen. Zo'n rustplaats kan bestaan uit een tot 10 cm diepe, kale kuil, maar zijn soms voorzien van
een rand van gedroogd gras en blad en lijken dan op een enorme vogelnest. Een leger heeft een binnendoorsnede van 30 cm
en een buitendoorsnede
van 50 cm.
Wilde zwijnen schrapen als dagrustplaats een ondiepe kom in de bladerenlaag of in de kale grond. Ook maken ze grotere,
tot enkele decimeters diepe kuilen, ketels genaamd, die met gras, bladloof en mos worden bekleed en waarin meerdere dieren
uit dezelfde groep bijeen liggen.
Tijdens koud weer gebruiken bruine beren bij het maken van een leger , vooral in de lente wanneer de grond nog bevroren is,
bladeren of plaatsen conifeertakken op de grond om zich van de grond te isoleren. Soms ook het schors van bomen.
Bij warm weer liggen ze direct op de grond en dan vaak op koele, vochtige, mosachtige plaatsen.
| Leger (Breedte, Lengte) | Diersoort |
| B 10-20 cm, L tot 25 cm | |
| B tot 60 cm, L tot 60 cm | |
| > 60 cm | |
| Tot 1 meter |



