Holen vormen een opvallende kenmerk in de dierenwereld. Met het begrip ‘hol’ wordt
een gebruikte ruimte in een boom, onder sneeuw of in ander oppervlak bedoelt, die
gebruikt wordt als:
- een verblijfplaats, schuilplaats of nestelplaats, bijv. konijn, vos, das, bijen, wespen
- een bewaarplaats, met name voor voedsel,bijv. eekhoorn, poolvos
- een hol als val of schuilplaats om prooi te verschalken, bijv. een valdeurspin
Hier worden alleen de holen besproken die in de grond worden gemaakt. In de meeste
gevallen komt bij het graven van die holen veel aarde vrij, zodat deze in hopen voor de
holingang terecht komen. Met name bij de grotere diersoorten valt dit op. De meeste
muizen en spitsmuizen werken het vrijkomende zand zijwaarts in de gangen weg, maar
enkele soortgenoten werken het naar buiten. Daarbij vormt het zand een waaiervorm of hoopt het zich op.

| Soort holen | Doorsnede hol, aardhoop | Diersoort |
| Zonder uitgewerkte aarde | 2,5 tot 3 cm | Spits- en woelmuizen |
| | 4 tot 8 cm | Mol, woelrat, grondeekhoorn |
| | 10 tot 15 cm | |
| Met bergjes uitgewerkte aarde | < 1,5 cm | |
| | 3 tot 6 cm, 10 tot 20 cm | Noordse woelmuis |
| | 5 tot 8 cm, 15 tot 25 cm Kraammolsholen > 50 cm | Mol, woelrat |
| Met waaiervormig uitgewerkte aarde | ± 3cm | Bosmuis, wezel |
| | 5 tot 10 cm | |
| | 10 tot 15 cm | |
| | ± 15 cm | |
| | 15 tot 30 cm | Alpenmarmot |
| | 25 tot 30 cm | |
| | Tot 40 (60) cm |


