(Over)leven in de natuur
Foerageergebieden

Foerageerplaatsen bestaan voor herbivoren uit locaties rijk aan gras, klaver en

jonge gewassen of in de winterperiode jonge bomen en struiken met eetbare schors,

twijgen en knoppen. Wanneer dieren met hun voorpoten of snuit naar voedsel zoeken

in de kale grond of in de blad- of humuslaag, ontstaan er wroetplekken.

 

Dassen en wilde zwijnen zoeken in de grond naar larven, kevers, paddestoelen, eikels

en beukennoten. De hierdoor ontstane wroetsporen zijn vaak onregelmatig zigzaggevormd.

De wroetsporen van dassen kunnen snuitputjes of zigzagvormige sleuven zijn. Wanneer

een das naar voedsel in de humuslaag van het bos of op de bodem van een droge greppel

zoekt, laat hij een spoor achter van snuitputjes. Dit zijn kleine, met de voorpoot gemaakte

kuiltjes waarin met de snuit is gewroet. Het zijn conische kuiltjes van een paar centimeter

diep en vaak met een doorsnede van niet meer dan 10 cm waar in soms de neusafdruk nog

herkenbaar  is. 

 

Een door de dassen gemaakte zigzagvormige sleuf bestaat uit een opengekrabde oppervlakte met uitgetrokken of omgelegde

graspollen of -zoden. Deze zigzaglopende sleuf is meestal niet meer dan enkele meters lang. Bij een wild zwijn is deze sleuf

grover, kan soms wel meer dan 100 meter lang zijn en wordt vaak over een groter oppervlak gemaakt. Wilde zwijnen foerageren

vaak in groepjes, waardoor er veel wroetsporen zijn te zien.

 

Waar konijnen leven ontstaan graafsporen in de vorm van ondiepe, komvormige putjes, schraapjes genoemd, maar zonder de

bedoeling om voedsel te vergaren. Bijna altijd liggen er een aantal keutels op. 

 

Opengekrabde en omgewoelde plekken bij mostapijten of tussen gevallen bladeren in het bos zijn vooral foerageerplaatsen van

fazanten die naar insecten of andere kleine dieren gezocht hebben. Maar ook een ree, korhoen, duiven en merels maken dit soort

woelsporen.