Naast de kennis gebaseerd op directe observaties van dieren verkrijgen
spoorzoekers een gedetailleerde inzicht van het gedrag door de interpretaties
van dierensporen. Op deze manier kan veel informatie verkregen worden die
anders onbekend zouden blijven. Vooral het gedrag van zeldzame of nacht-
dieren. Dierensporen leveren informatie over ongestoorde, natuurlijke
gedrag. Ongeveer de helft van het spoorzoeken bestaat uit aanwijzingen
zoeken en de andere helft is het daadwerkelijk volgen van loopsporen.
Om een specifieke aanwijzing te herkennen heeft een spoorzoeker een van
te voren vastgestelde beeld van hoe een bepaalde aanwijzing eruit ziet. Zonder
zulke beelden kunnen veel aanwijzingen over het hoofd worden gezien. Met
een vastgestelde beeld van een specifieke dierenspoor in zijn achterhoofd,
kunnen spoorzoekers geneigd zijn om een spoor te ‘herkennen’ in prenten die
een andere dier heeft gemaakt of zelfs in willekeurige prenten. Hun gedachte
wordt dan gekleurd om te zien wat ze willen zien en om de voorkomen dat zulke fouten worden gemaakt moeten ze voorzichtig
zijn om niet te vroeg beslissingen te nemen. Beslissingen die in één oogopslag worden gemaakt, kunnen vaak een vergissing
zijn en dus, wanneer ze nieuwe aanwijzingen tegenkomen, nemen spoorzoekers hun tijd om de aanwijzingen in detail te
bestuderen. Alhoewel vastgestelde beelden kunnen helpen om in het herkennen van aanwijzingen, moet de spoorzoeker de
geconditioneerde neiging vermijden om zich op maar één aspect in de leefomgeving te richten daarbij voorbijgaande aan de
andere.
Spoorzoekers zullen altijd proberen om een spoor met zekerheid te identificeren door middel van een aantal afzonderlijke
aanwijzingen of gedragingen om het spoor niet te verliezen aan een soortgelijke spoor. Ze zoeken dan naar kenmerken in
de voetsporen, bijvoorbeeld beschadigingen aan de rand van een hoef, als ook door de manier te observeren waarop een
bepaalde dier zich voortbeweegt. Wanneer spoorzoekers een spoor volgen zullen zij ernaast lopen en niet erop. Op deze
manier zorgen zij ervoor dat het spoor niet verpesten, zodat het makkelijk weer gevonden kan worden als het spoor kwijt is
geraakt.
De schaduwen die door de randen in het spoor worden opgeworpen vallen het beste op als het spoor tussen de spoorzoeker
en de zon wordt gehouden. Wanneer de zon van achter het spoor schijnt, zullen de door de smalle randen en indrukkingen
opgeworpen schaduwen in het spoor beter zichtbaar zijn. Maar met de zon achter de spoorzoeker zijn de schaduwen die door
de randen wordt opgeworpen verborgen. Spoorzoeken is het makkelijkst in de ochtend of laat in de namiddag als de opgeworpen
schaduw langer zijn en beter opvallen dan ’s middags. Als de zonnestand hoger wordt, zullen de schaduwen kleiner worden.
’s Middags kunnen in een spoor geen schaduwen meer zijn opgeworpen, waardoor het moeilijker wordt om in het verblindende
zonlicht de sporen te zien. Dierensporen zijn met een opgaande zon het beste waar te nemen. Dit is echter mede afhankelijk
van de ondergrond. Op een harde ondergrond zijn prenten gedeeltelijk waar te nemen. Vochtig fijn zand legt goede details vast.
Het verstoorde zand rond de prent begint meestal als eerst op te drogen, waardoor de prenten makkelijker zijn te zien. Als het
zand verder opdroogt gaan details verloren. Tegen de tijd dat het zand compleet is opgedroogd worden prenten erg wazig.
Als spoorzoekers het kunnen voorkomen zullen ze nooit naar hun eigen voeten kijken, omdat dit ze langzamer maakt.
Door ver vooruit te kijken, afhankelijk van het terrein ongeveer 5 tot 10 meter, kunnen ze sneller en makkelijker spoorzoeken.
Tenzij ze een spoor dichter moeten onderzoeken is het niet nodig om elke aanwijzing te bestuderen. Als ze 10 meter vooruit
een aanwijzing zien, kunnen de tussenliggende aanwijzingen worden genegeerd terwijl ze naar het volgende spoor zoeken.
Bij moeilijker terrein is het niet altijd mogelijk om voor aanwijzingen vooruit te kijken, zodat spoorzoekers gedwongen worden
om vlak voor hen naar de grond te kijken en ook veel langzamer te bewegen. Spoorzoekers moeten voorkomen dat alle aandacht
uitgaat naar de prenten, en daarbij alles om hen heen negeren. Spoorzoeken vereist variërende aandacht, een constante
verplaatsing van aandacht tussen kleine details van het spoor en het hele beeld van de omgeving.
Alhoewel het in principe mogelijk is om een spoor te volgen door eenvoudig van de ene aanwijzing naar de andere te zoeken, is
dit zo tijdrovend dat een spoorzoeker nooit het achtervolgende dier zal inhalen. Voor een beginnende spoorzoeker is het beter om
elke prent te bekijken, want van elke prent kan wat geleerd worden. Het gaat dan om het leerproces en niet het inhalen of vinden
van een dier. Een ervaren spoorzoeker verplaatst zich in de positie van het dier om te bepalen welke route het mogelijk heeft
genomen. Ze zijn daarbij in staat om beslissingen vooruit te maken waar ze verwachten aanwijzingen te vinden en dus geen tijd
verliezen met ze te zoeken. Spoorzoekers kijken vaak naar sporen op overduidelijke plaatsen zoals openingen in struiken waar
het dier waarschijnlijkheid naar toe is gegaan. In dichte struikgewas kijken ze naar toegankelijke doorgangen.
Waar het spoor een open plek kruist, kijken ze in doorgaande richting naar uitgangswegen aan de andere kant van de open
plek. Als het dier zich van schaduw naar schaduw beweegt, dan kijken ze vooruit naar sporen in de schaduw. Als het achtervolgende
dier consequent in een doorgaande richting beweegt is het mogelijk om de meest waarschijnlijke route te volgen door te richten op
het terrein en zo nu en dan te kijken naar aanwijzingen voor een spoor. Ze moeten echter wel alert zijn op een abrupte richtings-
verandering.
Dieren maken meestal gebruik van een netwerk van paden, wissels, om van de ene plek naar de andere te gaan. Als het duidelijk
is dat een dier een bepaalde pad volgt kan deze eenvoudig worden gevolgd tot waar het zich vertakt of waar een dier het pad heeft
verlaten. Spoorzoekers moeten kunnen bepalen welke pad het specifieke dier heeft gebuikt wanneer er sprake is van meer dan
één pad. Dit is echter niet eenvoudig, omdat vaak meerdere dieren deze paden gebruiken. In gebieden waar veel dieren zijn die
gebruik maken van met elkaar verbonden wissels, lijkt het onmogelijk om sporen te volgen. Behalve, zodra er sporen zijn gevonden
op een pad, dat het voor een spoorzoeker mogelijk is om gewoon het pad te volgen zonder dat er sporen van het specifieke dier
worden gevonden. Door de beide zijkanten van een pad te bekijken, kan een spoorzoeker vaststellen of het dier van het pad is
gegaan en dan het nieuwe pad volgen. Wanneer spoorzoekers een spoor kwijt raken zoeken ze eerst naar aanwijzingen op
overduidelijke plaatsen door een aantal mogelijke uitgangswegen in het struikgewas te kiezen. Kennis van het terrein en het
gedrag van dieren maakt het voor spoorzoekers mogelijk om kostbare tijd te besparen door de bewegingen van de dieren te
voorspellen. Wanneer eenmaal de doorgaande richting duidelijk is en het is bekend dat een wissel, rivier of een andere natuurlijke
grens vooruit ligt, dan kunnen ze het spoor verlaten en naar deze plaatsen gaan, het spoor afsnijdend door een behoorlijke afstand
vooruit over en weer langs de voorspelde richting te zoeken om zo het spoor op te pikken.
Om in staat te zijn om op de bewegingen van een dier te kunnen anticiperen en te voorspellen moeten spoorzoekers het dier en
zijn leefomgeving zo goed kennen dat zij zichzelf met het dier kunnen identificeren. Ze moeten in staat zijn om zich een beeld te
vormen van hoe het dier rondloopt en zichzelf in diens positie plaatsen. Tijdens het eten zal een dier tegen de wind in bewegen,
door van de ene struik naar de andere te gaan. Als de spoorzoeker weet wat het favoriete voedsel van het dier is en weet hoe
het meestal beweegt, hoeven spoorzoekers niet het ontstaande zigzagpad te volgen, maar kunnen ze het spoor, om tijd te besparen,
op die plaatsen in een rechte lijn verlaten en het verderop weer oppikken.
Aangezien aanwijzingen onduidelijk of gedeeltelijk weggeveegd kunnen zijn is het niet altijd mogelijk om een reconstructie te
maken van de bewegingen en de activiteiten van een dier op basis van prenten. Spoorzoekers moeten daarom een werkhypot-
hese opstellen niet alleen op hun kennis of het gedrag van dieren, maar ook op hun creatieve vermogens om nieuwe problemen
op te lossen en het vinden van nieuwe informatie. De hypothese is vaak een reconstructie van wat het dier aan het doen was,
hoe snel het bewoog, wanneer het daar was, waar het naar toe is gegaan en waar het op dat moment kan zijn. Zo’n hypothese
maakt het voor spoorzoekers mogelijk om de bewegingen van een dier te voorspellen. Als er nieuwe informatie is verzameld, zal
de hypothese misschien moeten worden aangepast, waardoor er een betere reconstructie van de activiteiten van het dier wordt
gemaakt. Om dicht bij een dier te komen moeten spoorzoeker niet worden ontdekt door niet alleen het dier, maar ook door andere
dieren die het kunnen waarschuwen. Door zo rustig mogelijk te lopen kunnen spoorzoekers vermijden dat op droge bladeren en
takken stappen en ervoor zorgen dat er heel voorzichtig door droog gras wordt gelopen.
Wanneer de spoorzoekers in de dichte nabijheid van een dier zijn, is het belangrijk om tegen de wind in te gaan, in een positie
waarbij de wind van het dier weg waait in de richting van de spoorzoeker. Ze moeten nooit in een positie zijn waar hun geur door
de wind mee genomen kan worden richting het dier en daarbij het alarmeert. Het is ook belangrijk dat het dier niet de gelegenheid
heeft om hun sporen te kruisen, omdat het menselijk geur die is blijven hangen, het zal alarmeren. De meeste dieren hebben
wanneer ze zich verplaatsen een voorkeur om de wind in hun gezicht te houden, zodat ze het gevaar voor hen kunnen ruiken.
Als spoorzoekers dieren van achteren benaderen doen ze dit tegen de wind in. Als de windrichting ongunstig wordt moeten de
spoorzoekers het spoor verlaten om hun prooi te zoeken door weer tegen de wind in te gaan.
Als de spoorzoekers dichter bij het dier komen, moeten zij er zeker van zijn dat zij het dier eerder zien dan het dier hen.
Sommige spoorzoekers geven aan dat een dier steeds langs zijn eigen spoor terugkijkt, altijd alert op gevaar dat van achter komt.
Wanneer een spoor erg vers is, bestaat de kans dat spoorzoekers het spoor moeten verlaten voordat het dier hen als eerste ziet.
Tijdens het rusten kijken dieren windafwaarts zodat zij gevaar zien naderen, terwijl zij het mogelijke gevaar die van achteren komt
kunnen ruiken. Een dier kan ook omdraaien en terugkomen op zijn spoor en dan onder de wind draaien voordat het gaat liggen
om te rusten. Een roofdier die het spoor volgt zal het rustende dier tegen de wind in passeren voordat hij realiseert dan het dier is
omgedraaid en op zijn spoor is teruggekomen.
Bij het besluipen van een dier gebruiken spoorzoekers de beschutting van struiken en indien noodzakelijk gaan ze op hun handen
en knieën. In lange gras gaan ze op hun buik liggen en trekken zich naar voren met hun ellebogen. Het belangrijkste is te voorkomen
dat er geen aandacht getrokken wordt door plotselinge bewegingen. Spoorzoekers nemen hun tijd, bewegen langzaam als een dier
niet kijkt en blijven stil liggen als een dier in hun richting kijkt. Bij het besluipen van een dier moeten spoorzoekers voorzichtig zijn
om andere dieren niet te storen. Een verstoord dier zal een alarmsignaal afgeven en daarmee waarschuwt het alle dieren in de
omgeving, inclusief het dier dat beslopen wordt.



