De jeneverbes (Juniperus communis) is een tot 6 m hoog
struikachtig conifeer met eivormige kroon. De bast heeft een
roodbruine kleurt, het sap uit de boom vormt een dikke harslaag
op de stam en takken. De takken dragen in 3-tallige kransen
blauwgroene 1 tot 2 cm lange naalden. De takken spreiden
zich grillig uit. De blaadjes zijn naaldvormig en indien gekneusd
doet de geur van het blad aan appels denken.
De gele, mannelijke en de groene, vrouwelijke bloemen staan
op dezelfde plant, maar soms ook over verschillende planten
verdeeld. De bloeiwijze is van april tot mei. De bessen zijn
geen echte bessen, maar de blauwzwarte, zachte schalen van de sparappels, die bij de jeneverbes zacht en vlezig zijn. Ze zijn
pas rijp na twee jaar en hebben een doorsnee van 5 tot 6 mm. Ze zijn eerst groen daarna blauwzwart berijpt. In de herfst van
september en oktober zijn de bessen rijp. De smaak van de rijpe bessen is zoetig, geurig en wat harsachtig. De jeneverbes groeit
in het wild op heidegrond, in dennenbossen, op zandachtige en steenachtige gronden.
Toepassingen
De vruchten van deze plant worden vaak gebruikt voor medicinaal toepassingen en als smaakversterker bij verschillende
voedsel en dranken. Gebruik niet teveel vruchten, want een te grote dosering kan schadelijk zijn voor de nieren. De gehele struik
mag door zwangere vrouwen niet inwendig worden gebruikt.
De vruchten kunnen rauw of gekookt worden gebruikt en worden meestal in de herfstperiode, wanneer ze volledig zijn gerijpt,
verzameld. Hierna voor het gebruik eerst drogen. Van de geroosterde zaad kan koffie worden gemaakt. Thee wordt verkregen
door bladeren en stengels te koken of gebruik te maken van de (gedroogde) vruchten. Gebruik een aftreksel van de takken als
een anti-roosshampoo. Verse of gedroogde takken werken als een insectenverdrijver. Van het schors kan touw worden gemaakt.
Het hout vormt een goede brandstof.



