Houtachtige planten kunnen verdeel worden in bomen en struiken. Een boom is een vaste plant met een
doorlopende stam waaraan op een bepaalde hoogte naar verschillende richtingen zijtakken groeien, die de
kroon van de boom vormen. Een struik of heester vertakt zich echter onmiddellijke boven of reeds in de
grond in een aantal takken, die meer of minder dik kunnen worden. Struiken worden daardoor niet zo hoog
als vele boomsoorten en komen van nature met name voor in bosranden.
Bomen kunnen verdeeld worden in loofbomen en naaldbomen. Loofbomen zijn bloemdragende bomen met brede bladeren.
Veel loofbomen, zoals de eik en de beuk, zijn loofverliezend. Sommige breedbladerige loofbomen zijn echter altijd groen,
bijvoorbeeld de hulst. Breedbladerige bomen dragen bloesems die zich tot vruchten ontwikkelen. Het hout van loofbomen heet
hardhout. Naaldbomen hebben naaldvormige bladeren. Ze krijgen geen bloemen, maar produceren zaden in zaadkegels.
De meeste naaldbomen zijn altijdgroene bomen. Een uitzondering vormt hierop de larix. Het hout van naaldbomen wordt zacht-
hout genoemd.
Houtachtige planten produceren eetbare vruchten en noten die veel proteïne en vetten bevatten. Van bepaalde houtachtige
planten is de dunne binnenbarst (cambium) zowel eetbaar als voedzaam (het beste in het voorjaar), waarbij de cambium
dicht aan de onderkant van de boom of van blootliggende wortels het beste kan worden gebruikt. Cambium is zoet van smaak
en kan rauw worden gegeten, maar het is beter verteerbaar door het in repen te snijden en een langere tijd te laten koken.
Hierdoor ontstaat een gelatine-achtige massa die na het drogen kan worden geroosterd of tot meel kan worden gemaald.
De buitenbarst van de boom kan in grote stukken worden verwijderen en als dakpannen of ruwe planken gebruikt worden.
De schors (kurkhuid) en de boombarst is onbruikbaar, omdat deze teveel looizuur bevatten. Het looizuur kan echter weer
worden gebruikt bij het leerlooien.
Alle bomen in de dennenfamilie (en ook sommige loofbomen) maken hars aan. Hars is in feite hard geworden balsem.
Het beschermt de bomen tegen vraat en aantasting. Het bevindt zich in de kanalen die in horizontale en verticale richting in
het hout van de stam lopen. Ook in de naalden en de schors bevindt zich balsem, maar dan in holten. Bij beschadiging van
de boom begint de boom te 'bloeden'. De balsem loopt dan naar de wond, waar ze aan de buitenlucht tot hars uithardt. Hars
is rijk aan suiker. Enkele soorten kunnen gebruikt worden voor het op gang brengen van een vuur, omdat deze goed ontvlam-
baar zijn, of hebben medicinale eigenschappen.
Elke boom heeft zijn eigen brandbaarheid. Niet alle houtsoorten zijn geschikt om als brandhout te dienen. Linde, wilg,
populier en kastanjeboom branden bijvoorbeeld slecht en geven weinig warmte. Het hout van naaldbomen geeft veel warmte,
maar verbrandt snel en geeft vonken.