Slakken of buikpotigen (Gastropoda) zijn te delen in huisjesslakken
en naaktslakken. Het lichaam van een slak bestaat voor een heel groot
deel uit water. De slijmerige huid zorgt er bij landbewonende slakken
voor dat de dieren niet uitdrogen. De belangrijkste functie van slijm ligt
echter in de voortbeweging. Het zorgt er als het ware voor dat de weg
geplaveid wordt, waardoor het dier zich al glijdend gemakkelijk kan voort-
bewegen. Als een slak verticaal moet voortbewegen, wat meer grip vereist
dan horizontaal bewegen, wordt een ander soort slijm afgescheiden.
Naast het vochtgehalte zijn slakken ook zeer gevoelig voor andere
omgevingsinvloeden zoals temperatuur, lichtsterkte en met name
het zoutgehalte. Zout is van zeer grote invloed is op de vochthuishouding
van hun waterige lichaam.
Een slak heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Slechts enkele soorten kunnen zichzelf bevruchten. Veel
soorten bevruchten elkaar tijdens de paring, waardoor dus eigenlijk twee paringen in één keer plaatsvinden. Na de paring worden
de eitjes afgezet, meestal in de bodem of verstopt onder bladeren of stenen. De eitjes van slakken zijn enkele millimeters in
doorsnede, en meestal doorzichtig. Landslakken lijken als ze uit het ei kruipen vaak al een beetje op de ouders.
Landbewonende soorten zoeken plaatsen op waar de vochtigheid hoog is. Daarom leven veel soorten verscholen in o.a. de
vegetatie en onder afgevallen bladeren, dood hout en stenen. De meeste soorten mijden de zon hoewel een aantal zich heeft aan-
gepast aan een leven in een droge en hete omgeving. Veel soorten zijn vooral of zelfs alleen 's nachts actief of komen tevoorschijn
na een regenbui.
De meeste soorten slakken hebben een uitwendig skelet. Dit bestaat uit een buis, welke spiraalsgewijs steeds groter wordt en
dicht is aan de kleine kant en open is aan de grote kant. Dit 'slakkenhuis' bestaat meestal uit verschillende draaiingen en is uit
kalk en hoornachtige stoffen opgebouwd.
Alle slakken hebben een langwerpig lichaam, welke in drieën is verdeeld: de gespierde voet voor de verplaatsing, het gedeelte
boven de voet die de organen bevat en zich in principe in de schelp bevindt en vaak goed te onderscheiden kop. Op de kop zijn
twee ogen op steeltjes zichtbaar, de steeltjes worden tentakels genoemd.
Veel op het land levende slakken eten voornamelijk planten, maar vele soorten eten ook (delen van) dode dieren, paddenstoelen
en schimmels. Sommige naaktslakken eten ook wel andere dieren, waaronder andere naaktslakken. Slakken hebben een rasp-
achtige mond, genaamd radula, die bestaat uit vele duizenden kleine tandjes. Hiermee worden dunne laagjes weefsel van het
voedsel geschraapt.
De meeste slakken hebben een onopvallende verschijning om geen vijanden aan te trekken. Vijanden van landbewonende
slakken zijn vooral vogels. Ook sommige andere dieren eten slakken en zijn er meestal in gespecialiseerd vanwege het niet
eenvoudig te kraken huisje. Duizendpoten, kikkers, padden en egels lusten graag slakken. Sommige dieren eten liefst
naaktslakken, andere hebben liever huisjesslakken.
Slakken moeten eerst “nuchter” worden gemaakt, zodat eventuele gifstoffen uit hun darmkanaal zijn verwijderd. Dit kan door ze te
laten vasten of door alleen eetbare plantendelen te geven. Hierna moeten ze grondig worden gewassen of een tijdje in zout water
worden gezet. Vervolgens kunnen ze gedurende een half uur met wat groene kruiden zachtjes worden gekookt. Bij de huisjesslakken
moeten de slakken uit hun huisje worden verwijderd en daarop het zwarte gedeelte aan het einde van het lijf dat de organen bevat.
De slak gaat zich in het begin van de herfst voor de winterslaap voorbereiden en daarbij gaat ze haar huisje met een kalkachtige
deksel afsluiten. Indien het deksel gesloten is kunnen ze nog worden gebruikt.
Regenwormen (Lumbricidae) zijn ringwormen en kunnen ongeveer
10 tot 30 cm lang worden. Bij de ringwormen is het lichaam opgebouwd
uit allemaal verschillende segmenten. Bij de regenworm zijn niet alle
segmenten even groot. De regenworm verschijnt vaak na een fikse regen-
bui, vandaar ook zijn naam. De regenworm eet plantenresten en aarde
op en zet deze om tot vruchtbare compost. 's Nachts houdt de regenworm
zich bezig met het in de grond trekken van afgevallen bladeren, grasresten
en ander tuinafval. Overdag eet hij die rustig op in de gangen die hij aldoor
bijmaakt.
De gangen hebben een doorsnede van een cm en lopen van de opper-
vlakte tot tegen het grondwater. Het slijm van de regenworm zorgt voor
de versteviging van de gangen doordat het de aarde op hun plaats houdt.
De gangen zorgen voor een goede waterhuishouding in de grond.
De regenwormen mengen de aarde in de gangen goed dooreen en zorgen ervoor dan de grond luchtig is. Om vlot door de gangen
te kruipen staat het lichaam bezaaid met kleine haartjes (borstels), die het schuiven van de segmenten bevorderen.
Wanneer de winter nadert kruipen de regenwormen dieper in de gangen en stoppen met werken. Ze overleven met de omlaag
getrokken plantenresten uit de herfst. De regenworm plant zich voort door middel van het zadel. Deze verdikking, die je duidelijk
kan waarnemen, is het geslachtsorgaan bij de regenworm. Dit zadel scheidt slijm af waarin de eitjes worden gelegd. Het maakt
niet uit of de regenworm een mannetje of een vrouwtje tegenkomt om te paren. Ze zijn tweeslachtig. Regenwormen bevruchten
elkaar, waarna het zadel de rest doet. Dit zadel verplaatst zich met de zaadcellen en bevrucht alle eitjes. Het zadel wordt dan
over de kop afgeduwd in humusrijke grond. Na twee weken komen de wormen uit het zadel gekropen en boren zich een weg
in de grond. Wanneer een regenworm in twee wordt gedeeld is het mogelijk dat het deel dat het zadel bezit, overleeft en verder
aangroeit.
Verzamelen
Wormen bevatten eiwitten met veel essentiële aminozuren. Wormen kunnen worden verzameld door in vochtige, humusrijke
bodem te graven of wanneer ze na een regenbui uit de grond komen. Een andere manier om wormen boven de grond te krijgen,
is door de grond te laten trillen. De reden hiervoor is dat de regenworm verwacht dat er een mol is en “vlucht” de grond uit.
Gevonden wormen kunnen na een dag vasten of nadat de darminhoud eruit is geknepen rauw worden opgegeten. Wormen
kunnen ook voor een paar minuten in schoon en drinkbare water worden geplaatst, waarbij de wormen spoelen zich dan zelf uit.
Wormen kunnen goed worden gedroogd en dan tot poeder worden vermalen om o.a. in soepen te gebruiken. Gedroogd zijn ze
enige tijd houdbaar.
