Vogels hebben zeer uiteenlopende leefgebieden: van oceanen tot woestijnen en van tropische regenwouden
tot het poolgebied. Het vermogen om te vliegen heeft vogels de kans gegeven om verre tochten te maken op
zoek naar voedsel, maar ook om ieder deel van de wereld te koloniseren. Hun botten bevatten veel holtes om
ze licht maar toch sterk te maken.
Vogels hebben een lichte, hoornige snavel of bek , waarvan de vorm bepaald wordt door het menu en de manier van leven
van de vogel. Zo hebben zaadeters een kegelvormige snavel, roof- en stortvogels een haakvormige snavel, insecteneters
een korte, spitse snavel en vogels die hun eten in de grond of in het water zoeken een lange snavel. Eenden hebben een
zeefsnavel om het voedsel uit het water te kunnen filteren. Om hun voedsel toch te kauwen hebben vogels een gespierde maag.
Veren hebben een aantal functies:
♦ Dekveren bedekken het lichaam en zorgen voor een gestroomlijnde vorm bij het vliegen
♦ De donsveren bieden isolatie. Tussen de veren wordt een laagje lucht vastgehouden dat wordt opgewarmd door het lichaam.
Dankzij deze veren gaat er weinig lichaamswarmte verloren. Bovendien zorgen de veren samen met natuurlijk vet voor een ideale
isolatie tegen water en hiervan maken alle in het water levende vogels gebruik.
Alle vogels hebben poten die passen bij hun levensstijl: brede poten met zwemvliezen, poten die geschikt zijn om op een tak te
zitten, smalle poten met zwemvliezen om over modder te lopen en scherpe klauwen om prooien te grijpen. Alle vogels planten zich
voort door eieren te leggen.
Hoenderachtigen zijn grondbewonende en over het algemeen plompe vogels met korte, ronde vleugels. De meeste soorten
zijn slechte vliegersen verbergen zich bij gevaar in het struikgewas. De mannetjes zijn vaak fel gekleurd, met koplellen en
lange staarten. Hoenders broeden op de grond en om tijdens het broeden niet op te vallen, zijn de vrouwtjes meestal bruin
gekleurd. Tot deze groep behoren o.a. de fazanten, patrijzen, kwartels en parelhoenders.
Er is een enorm grote verscheidenheid in watervogels. Daarmee verschillen ook de voedingsbehoeften tussen de soorten
watervogels. Ganzen, eenden en zwanen eten als voedsel vele planten, ongewervelden en vissen. Alle zwanen, ganzen en
eenden leren de trekroutes in het eerste najaar als ze met hun ouders meevliegen.
Kenmerkend bij duiven zijn de kirrende en koerende geluiden. Verder drinken alle duiven door de snavel onder te dompelen en
het water op te zuigen. Dit is bij vogels een ongewone drinkwijze. Zowel het koeren als de bijbehorende bewegingen zijn voor elke
duivensoort, zoals de houtduif, turkse tortel, tortelduif, anders en staan onderlinge kruisingen in de weg. Een ander kenmerk van
duiven is dat ze niet hippen, maar lopen.
