Er zijn verschillende soorten vissen, maar een aantal kenmerken hebben ze met elkaar gemeen. Zo zijn
alle vissen koudbloedige dieren en kunnen ze hun eigen temperatuur niet zelf regelen. Het water waarin
zij zich bevinden bepaalt de temperatuur van vissen. Indien het water kouder is dan hun lichaamstemperatuur
dan past een vis zich aan totdat hun lichaamtemperatuur gelijk is aan het water om hen heen.
Op sommige uitzonderingen na hebben vissen een gestroomlijnde lichaam.
Door het gestroomlijnde lichaam en een lichte geraamte kunnen vissen zich
makkelijk door het water bewegen. Door met het lichaam en de staart het
omringende water opzij en naar achteren te drukken, komt een vis vooruit.
Bij de meeste vissen zorgt de staartvin voor het voortbewegen, de andere
vinnen dienen ook om te sturen, te remmen of om zijn evenwicht te
bewaren. De vorm, kleur en grootte van de vinnen is bij iedere vis vaak
verschillend.
De schubben van vissen liggen als dakpannen over elkaar en zijn helemaal
doorzichtig. Doordat ze zo liggen, zijn ze beschermd en verliezen ze hun
flexibiliteit niet. Wanneer een vis groeit, groeien z'n schubben mee. De leeftijd van een vis is te zien aan de groeiringen op
een schub.
Sommige vissen hebben een zwemblaas. De zwemblaas is een met gas gevulde zak en door een beetje gas uit de zwemblaas
te laten, daalt de vis. Door er gas bij te laten, stijgt de vis. Hierdoor kan de vis op een gewenste hoogte zwemmen.
Een vis heeft drie kanaaltjes met vloeistof in zijn lichaam. Dat is het evenwichtsorgaan. Het evenwichtsorgaan staat in
verbinding met het gehoor. Wanneer de vis van richting verandert, drukt de vloeistof op de haartjes van zintuigcellen.
Die signalen worden doorgegeven aan de hersens van de vis.
Een vis krijgt zuurstof door een hap water te nemen en dit vervolgens door te slikken. Hierdoor wordt het water langs de kieuwen
geperst. De kieuwdeksels gaan open en het water kan door de kieuwen naar buiten stromen. Ondertussen neemt het bloed
zuurstof uit het water op. Veel vissen zijn in staat om 80% van de zuurstof in het water te gebruiken.
Vele soorten vissen beschikken over een goed gehoor, waardoor ze over heel grote afstanden met elkaar kunnen communiceren,
De zwemblaas is bij sommige vissen, vooral zoetwatervissen als de karper en de meerval, via het orgaan van Weber verbonden
met het middenoor. Het orgaan van Weber wordt gekenmerkt een aantal kleine beentjes (beentjes van Weber). De functie van dit
orgaan kan vergeleken worden met de middenoorbeentjes van de mens, die de trillingen van het trommelvlies overbrengen naar het
binnenoor. Bij vissen bevordert dit het gehoor en kan ook als druk en dieptemeter gebruikt worden, doordat vormveranderingen van
de zwemblaas direct overgebracht worden naar de gevoelige zintuigcellen van het middenoor.
De meeste vissen gebruiken hun baarddraden om mee te voelen. Ze gebruiken de baarddraden om de bodem af te speuren op
zoek naar prooidieren. De baardraden worden ook gebruikt als smaakorgaan.
Vissen hebben hun ogen aan de zijkant van hun kop zitten, waardoor ze helemaal rond kunnen kijken, zonder dat ze zich
helemaal moeten omdraaien. Ze kunnen goed zien, maar doordat het onder water donker is, kunnen ze minder ver kijken.
Vissen hebben geen oogleden of traanklieren en kunnen dus niet met hun ogen knipperen of huilen. De meeste vissen
kunnen ook kleuren zien.
Vissen kunnen niet zo goed ruiken als andere dieren. Toch is het ruiken beter ontwikkeld dan het zien en ze maken er ook
meer gebruik van, bijvoorbeeld om voedsel te zoeken. De neusgaten van de vis zitten net onder de ogen. Vissen kunnen echter
niet door hun neus ademen en de neusgaten staan ook niet in verbinding met de mond en de keel.
Bij vissen is er niet zo veel verschil tussen ruiken en proeven. Zowel bij het ruiken als het proeven gaat het om het opnemen
van chemische stoffen uit het water. Vissen kunnen hun voedsel al proeven voordat ze het opeten. Dit komt doordat ze smaak-
papillen aan de binnenkant ้n de buitenkant van hun bek hebben. Er zitten ook smaakpapillen op hun baarddraden.
De zijlijn of laterale lijn is een zintuig bij vissen dat wordt gebruikt om bewegingen en trillingen in het omringende water te
waar te nemen. De zijlijn is over het algemeen zichtbaar als een smalle lijn over de lengte van de vis vanaf de kieuwdeksels tot
aan de staartbasis. Soms werken ook gedeelten van de zijlijn als elektroreceptors, dit zijn organen die worden gebruikt om
elektrische impulsen waar te nemen, waarmee o.a. prooien worden waargenomen aan de hand van hun zwakke elektrische velden.
Het zijlijnorgaan helpt de vis ook om botsingen te voorkomen en om zich in de waterstroom te ori๋nteren.
Voortplanting
Vissen paaien. In de paaitijd zit het vrouwtje vol met eicellen of kuit. Het vrouwtje plaatst de eitjes op een steen of een water-
plant. Dit heet kuitschieten. De mannetjesvis laat daarna zijn zaadcellen, het homvocht, vlakbij de eicellen uit zijn lichaam
stromen. De zaadcellen zwemmen nu naar de eicellen en versmelten. Na enige tijd komen de bevruchte eitjes uit en zijn de
jonge visjes geboren.
Leefgebied
De leefomgeving van een vis moet tenminste aan een aantal voorwaarden voldoen.
Naast een voldoende waterkwaliteit om alle lichaamsfuncties goed te laten werken,
heeft een vis voor het voortbestaan het volgende nodig: voedsel (voor zijn conditie,
zijn groei en de voortplanting), schuilgelegenheid (tegen roofdieren), gelegenheid
tot voortplanting (in de vorm van paaigebied en partners).
Aan de stand en de vorm van de bek van een vis is te zien waar hij voedsel zoekt en
wat hij eet:
A. Vissen met een bovenstandige bek zoeken hun voedsel vooral op en aan het wateroppervlak
B. vissen met een eindstandige bek (normale bek) zoeken hun voedsel niet aan het oppervlakte en ook niet op de bodem,
maar er halverwege tussenin.
baars beekforel blankvoorn karper
kopvoorn snoek
C. met een onderstandige bek zoeken hun voedsel op en in de bodem van een water