De jager-verzamelaars trokken rond in groepen en hun kamp werd in gebieden opgeslagen waar ze gemakkelijk konden jagen.
Het meedragen van bezittingen was bij het rondtrekken lastig, daarom namen ze alleen dierenhuiden en wapens mee. Toen
geleidelijk aan de hoofdzakelijk steeds meer kwam te liggen op akkerbouw en veeteelt, en het verzamelen van wilde planten
en de jacht slechts een ondersteunende functie kreeg, werden gebruiksvoorwerpen steeds meer gespecialiseerd, zodat het
makkelijker werd om in de levensbehoeften te voorzien. Daarbij werden ook nieuwe technieken en gereedschappen uitgevonden.
Het drukke leven zorgde ervoor dat er veel gekookt moest worden o.a. in aardewerken potten. Ook moest er opbergmateriaal worden
gemaakt, zoals manden, containers en verschillende soorten aardewerk, om voedsel te kunnen bewaren.