Koken

 

De seizoenen waren van grote invloed op wat er in de prehistorie werd gegeten. Als voedsel niet overvloedig aanwezig was of

zich tot een bepaald seizoen beperkte, was het belangrijk om ervoor te zorgen dat het lang goed bleef. Een manier was om voedsel,

zoals appels en knolgewassen, voor een lange tijd te bewaren was door ze met esdoornen brandnetelbladeren in te pakken.

Een andere mogelijkheid om het bederf van voedsel tegen te gaan was door het op koele plaatsen te bewaren, maar dit werkte

alleen op korte termijn. Daarom moesten er andere methoden ontwikkeld worden om voedsel gedurende een lange tijd tegen bederf

te beschermen. De mensen in de prehistorie begonnen hun voedsel te bewaren door het te drogen, roken of te zouten.

 

Voedsel moest ook zo bewaard worden dat ze niet direct aan zonlicht, grote hitte of vochtige omstandigheden werden bloot-

gesteld en evenmin werd beschadigd of opgegeten door dieren. Daarom was het belangrijk dat het voedsel zo goed mogelijk lucht-

en waterdicht werden verpakt. De jagers, vissers en verzamelaars konden hun voedsel o.a. bewaren in leren zakken, in magen en

darmen van dieren, in gevlochten manden van wilgentenen en in uitgeholde stukken hout.

De eerste boeren sloegen hun graan op in
manden en zakken die zij op de zolders van hun huizen bewaarden. Boeren uit de latere

periode bouwden speciale graanschuren op houten palen, waarin het graan droog en buiten bereik van ongedierte kon worden opge-

slagen.

 

Kookmethoden

Kookmethoden worden bepaalde door de beschikbare ingrediënten en de mogelijkheden die er zijn of worden gecreëerd. Het

soort vuur, het kookgerei en de kookmethoden moeten op elkaar zijn afgestemd. Naast het feit dat koken veel soorten voedsel

aangenamer maakt om te proeven, te zien en te ruiken, zorgt het vooral voor het vernietigen van bacteriën en parasieten en het

neutraliseren van vergif.

 

 

                                      Bakken en braden                                   Koken en stomen

 

 

Kruiden en smaakversterkers

Sommige planten worden gebruikt als kruid om de geur en smaak van gerechten te verbeteren en bestaan uit vermalen wortels,

bladeren, zaden, stengels of vruchtdelen. De volgende planten kunnen aan gerechten worden toegevoegd:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

Een smaakversterker is een kruid of een andere toevoeging aan voedsel die de natuurlijke smaak van het voedsel versterkt.

Vaak betreft dit zout. Zonder zout smaken bijvoorbeeld groenten en vlees vrij flauw. Ter vervanging van zout kan een alternatieve

smaakversterker of meer kruiden worden gebruikt. Dille is bijvoorbeeld rijk aan minerale zouten. Gedroogde en verbrande bladeren

van de kleine hoefblad kunnen worden gebruikt ter vervanging van zout. De stengels van de bernagie produceren zout wanneer ze

worden gekookt. De gedroogde plantbasis en de as van verbrande bladeren van de berenklauw worden gebruikt als een zoutvervanger.

Van de postelein kan de as van de gehele plant worden gebruikt als zoutvervanger. 
 

Honing wordt al heel lang gebruikt als een natuurlijke zoetstof en geeft een bijzondere smaak aan gerechten. Er zijn echter ook een

aantal planten die een suikerachtige product kunnen leveren:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meel is vaak een tot poeder gemalen graansoort. Een eenvoudige manier om van granen meel te malen is door met een vrij

ronde steen over een steen met een lichte uitholling te gaan waarop het graan. Een andere manier is om het tot meel fijn te

stampen. Hier-voor kan een uitgeholde (hardhouten) boomstam worden gebruikt waar het graan in wordt gedaan endaarna met

stampers fijn gestapt.

 

Meel kan echter ook uit bepaalde plantendelen worden verkregen. Van sommige planten kan van binnenschors en wortels

meel worden gemaakt. Wortels en binnenschors kunnen dan tot een moes worden gestampt of in water geweekt worden en

daarna met een stok of steen worden fijngedrukt om het zetmeel vrij te laten komen. Verwijder daarna de vezels, laat het zet-

meel bezinken en giet het water af. Het kan dan worden verwerkt tot o.a. koeken en brood. Daarnaast bieden bepaalde vruchten

ook de mogelijkheid om meel te verkrijgen. Naast de bekende graansoorten als gerst, rogge en tarwe zijn er ook andere planten

waar meel van kan worden gemaakt:

 

 

 

 

 

 

 

Plantaardige olie

Plantaardige olie wordt uit zaden of vruchten van planten gehaald. Plantenolie kan in drie categorieën worden verdeeld: drogend,

halfdrogend en niet-drogend. Niet drogende olie blijft een lange tijd vloeibaar. Dit maakt ze bijzonder geschikt als brandstof voor

olielampen. Drogende olie stollen en worden daarom veel gebruikt in verf. Halfdrogende oliën zitten hier tussen in.

 

Kneuzen van de zaden en vruchten

Om de olie vrij te maken, moet het zaad of de vruchten eerst worden gebroken en vermalen tot het er uit ziet als meel. Dit

gebeurt door middel van stampers. Een andere manier om de zaden te kneuzen is door er een grote steen overheen te laten

rollen of te wrijven.

 

Persen

Om olie uit zaden of noten te persen is een hoge druk nodig wat met behulp van een hefboomconstructie kan worden verkregen.

Allereerst  wordt het oliehoudende meel in laagjes, gescheiden door een filter, in een stevige kist gedaan. Op deze kist komt dan

een stop en deze stop wordt met behulp van de hefboom ingedrukt. Als hefboom kan een boomstam worden gebruikt. Het ene

uiteinde van de stam kan bijvoorbeeld in een muur of aan een “scharnier” worden geplaatst en het andere einde wordt d.m.v. een

touw en een horizontale spil naar beneden getrokken. De pot of bak met oliehoudend meel wordt dan onder de boomstam vlak

bij het scharnierpunt geplaatst. Op deze wijze kon een enorme druk worden uitgeoefend. Als de boomstam naar beneden wordt

bewogen, zorgen het gewicht en de uitgeoefende kracht ervoor dat de olie uit het meel wordt geperst. Hierna kan de olie door

middel van een doek worden gefilterd.

 

Door het overblijvende pulp te koken kan er nog verder olie worden verwijderd. De olie zal aan de oppervlakte van het water drijven,

waarna het olie ‘afgeschuimd’ kan worden. Deze olie is van minder kwaliteit. En indien het ‘eetbare’ olie betreft kan het voor andere

doeleinden worden gebruikt. De olie moet luchtdicht worden opgeslagen.

 

Plantaardige olie

Hazelaar (Corylus avellana)       De olie verkregen uit de vruchten is niet-drogend en kan voor
                                                verschillende doeleinden worden gebruikt o.a. in salades, om

                                                te koken en verlichting. 

Beuk (Fagus sylvatica)               De olie verkregen uit de vruchten is halfdrogend en kan een

                                                lange tijd bewaard worden zonder ranzig te worden. Het wordt

                                                gebruikt voor salades en om te koken.

Walnoot (Juglans regia)             De olie is drogend en wordt snel ranzig. De olie heeft een  
                                                aangename smaak en wordt gebruikt  in salades en om te

                                                koken.

     Naar boven

 

Barbarakruid

Hondsdraf

Paardebloem

Berenklauw

Hop

Pimpernel

Bernagie

Jeneverbes

Smeerwortel

Boerenwormkruid

Klaproos

Tijm

Citroenmelisse

Lievevrouwebedstro

Veldkers

Dille

Look-zonder-look 

Waterkers

Duizendblad

Maarts viooltje           

Zuring 

Engelwortel

Mierik 

Zuurbes

Fluitenkruid

Munt

 

Honingklaver

Muurpeper

 

(Wilde) Appels

Appels hebben in hun sap natuurlijke suikers. Door het sap te koken en in te dikken wordt een siroop verkregen die suiker kan worden toegevoegd.

Berenklauw

De bladstengels worden in de zon gedroogd totdat ze geel zijn gekleurd. Op de stengels van de bloemschermen vormen zich dan suikerachtige, witte kristallen.

Berk

De boom bevat berkensap, een lichtzoete, waterige vloeistof. Tegen eind maart bevat het sap zo'n 10 a 15 g suiker per liter. Het verzamelde sap kan door het in te koken gekristalliseerd  worden.

Cichorei

Cichoreisiroop wordt gemaakt van de wortelsap. Door verdamping en filtering wordt een heldere zoetstof verkregen. Door het verder in te koken zal het gaan kristalliseren.

Esdoorn

Het sap kan worden ingekookt en dan ontstaat er een stevige stroop.  Door het stroop verder te laten inkoken kristalliseert hij en worden er dikke, lichtbruine suikerklompen gevormd.

Kweek

De witte wortels bevatten veel suiker en zijn het sterkst in het voor- en najaar.

Linde

De lindebloesem levert een smaak op die met honing overeenkomt en vooral in thee wordt gebruikt. Alleen gedroogde bloemen worden gebruikt.

Riet

Uit rietstengels kan suiker worden verkregen. Verzamel het riet voordat ze bloemen produceren, droog ze en vermaal ze tot meel. Dit rietmeel bevat erg veel suiker.

Pastinaak

De pastinaak bevat vrij veel suiker. Bakken of roosteren maakt de pastinaak nog zoeter. Zout versterkt dat effect.

Tamme kastanje

De kastanjes bevatten veel suiker.

Walnoot

Sap in de lente aftappen en inkoken om suiker te maken.

Beemdgras 

Kweek

Speerdistel

Zuring

Bies 

Lisdodde

Struisgras

Zwenkgras

Eik

Melganzenvoet

Tamme Kastanje