Het aan elkaar bevestigen van materialen door middel van een plak- of lijmmiddel is mogelijk één van de veelzijdigste verbindings
vormen. Het gebruik van lijm en teer is waarschijnlijk zo oud als de mensheid. Lijm van een natuurlijke oorsprong valt te verdelen
in een‘dierlijke’ en een plantaardige lijm of een combinatie hiervan.
Plantaardige lijm
In de natuur vormt zetmeel één van de voornaamste organische verbindingen voor lijm. Planten kweken uit hun overschotten een
voedselreserve. Hun reserve bestaat uit zetmeel dat wordt opgeslagen in vruchten, in knollen, maar ook in zaden. Bij het maken van
lijm op basis van knollen is het belangrijk om te weten dat knollen maar beperkt houdbaar zijn. Bij een langdurige opslag raakt
het zetmeelgehalte versuikerd en daalt dus sterk. Het zetmeel moet daarom snel worden vrijgemaakt. Om toch over het hele jaar
beschikking te hebben over zetmeel, kan er zetmeelpoeder worden gemaakt. In knollen zit het zetmeel in de diep gelegen planten-
cellen opgesloten en zijn omgeven door vruchtwater. De celwanden bestaan uit zeer fijne maar taaie vezels.
Bij het maken van lijm worden de knollen eerst gewassen, waarna ze worden geraspt. Door dit raspen ontstaat een brijachtige
massa. Dit zeven, waardoor er meelwater overblijft. Het geheel even laten koken en het lijm is klaar.
Bij het maken van zetmeelpoeder geldt hetzelfde als bovenstaande, maar met het verschil dat het geheel een tijdje wordt apart
gezet en niet gekookt. Hierdoor krijgt het zetmeel de gelegenheid om zich op de bodem van de kom te verzamelen. Door het
bovenste water telkens eraf te gieten, ontstaat er een stevige massa van overgebleven zetmeel. Het proces herhalen totdat er geen
water meer aanwezig is. Daarna het overgebleven zetmeel drogen. Na het drogen wordt het zetmeel tot poeder gemalen, gezeefd
en kan het opgeslagen worden. Als de poeder weer wordt opgelost in (heet) water ontstaat lijm.
Om lijm op basis van graan te maken, wordt het graan tot bloem gemalen. Dit bloem is van nature niet koud oplosbaar. Wel
neemt het veel water op waardoor een dikke pap ontstaat. Om hiervan een plaksel te krijgen moet het met kokend water worden
aangemaakt. Het mengsel wordt dan steeds dunner totdat er plotseling een verdikking optreedt. Deze verdikking ontstaat doordat
door de toevoeging van kokend water de zetmeeldeeltjes opzwellen en openbarsten.
De volgende planten hebben delen om als lijm te gebruiken:
Heemst (Atlheae officinalis) Kook de wortel totdat een dikke siroop ontstaat, deze siroop wordt dan gebruikt als lijm.
Wilde hyacint (H. nonscripta) De sap in de knol en stengel vormt een lijm. Snij de knol of stengel open en voeg de sap toe aan
wat er bevestigd moet worden.
Adelaarsvaren (P. aquilinum) Van de wortelstokken kan lijm worden gemaakt.
Dierlijke lijm
Onder dierlijke lijm valt beender-, huiden-of vislijm. Dierlijke lijm was de eerste soort lijm en bestaat uit dierlijke gelatine.
De gelatine wordt gewonnen door huiden en beenderen langdurig te laten trekken in heet water. Net zoals bij het trekken van een
bouillon lossen de oplosbare bestanddelen op. Vervolgens wordt het resultaat ingedikt.
Hars, houtskool en vet
Door een mengsel van hars, houtskool en vet boven een vuur op te warmen, totdat het vet en hars gesmolten is, ontstaat een sterke
lijmsoort.
Houtteer
Houtteer wordt verkregen door het (droog) verhitten van hout. Hiervoor moet het hout in een afgesloten ruimte worden verhit, waarbij
vluchtige gassen ontstaan die door afkoeling condenseren. Het gedeelte van het hout dat na deze bewerking achterblijft is houtskool.
Houtteer bedraagt ongeveer 1/8 van de hoeveelheid hout waaruit ze wordt gewonnen.
Werkwijze
Er zijn 2 technieken om houtteer te maken, namelijk de directe verhitting van het
hout. Dit is een heel eenvoudige methode die echter wel wat meer hout kost. Plaats
stukken hout in een cirkelvormige kuil en dek het met mos en graszoden af.
Om hout te besparen is er de volgende methode van indirecte verhitting.
Hiervoor moeten twee potten op elkaar worden gestapeld. De onderste pot wordt
ingegraven. Hier boven op komt een andere pot te staan waarin in de bodem wat
gaten zijn gemaakt. In deze pot komt het hout. De pot moet aan de bovenkant
goed worden afgesloten. Ook moet een goede afsluiting tussen de potten worden
gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld met leem of een klei/zand mengsel. Stook aan de
buitenkant van de buitenste pot een vuurtje. Hierbij moet de temperatuur van ong.
700 graden voor tenminste zo'n 3 uur worden bereikt. Bij 700 graden begint de
droge distillatie. De gassen condenseren in de koude onderste pot als houtteer.
Geschikte houtsoorten
Hoew
worden, is het gebruik van harsrijk pijnbomenhout (Pinus Sylvestrus) het meest
geschikt. Door de overvloedige aanwezigheid van hars in het hout krijgt het teer nl
zijn karakteristieke kleefkracht en zorgt het voor de elasticiteit als product voor
houtconservering.
Tip
Een handige manier om teer van bijvoorbeeld de handen te verwijderen is door met kleefkruid over de handen te wrijven.
Directe
verhitting
Indirecte
verhitting