Lijm en houtteer

Het aan elkaar bevestigen van materialen door middel van een plak- of lijmmiddel is mogelijk één van de veelzijdigste verbindings

vormen. Het gebruik van lijm en teer is waarschijnlijk zo oud als de mensheid. Lijm van een natuurlijke oorsprong valt te verdelen

in eendierlijke’ en een plantaardige lijm of een combinatie hiervan. Teer ontstaat bij het verhitten van plantaardig materiaal,

zoals hout, onder uitsluiting van lucht. Het is een donkere, stroperige of kleverige taaie substantie met een karakteristieke geur,

afhankelijk van de oorsprong. Houtteer werd voor vele doeleinden gebruikt, zoals om pijlpunten op de pijlschachten te bevestigen.

Door touw en leer in verwarmde houtteer te laten trekken, werden deze beter beschermt en gingen dus langer meegaat.

 

Plantaardige lijm

In de natuur vormt zetmeel één van de voornaamste organische verbindingen voor lijm. Planten kweken uit hun overschotten een

voedselreserve. Hun reserve bestaat uit zetmeel dat wordt opgeslagen in vruchten, in knollen, maar ook in zaden. Bij het maken van

lijm op basis van knollen is het belangrijk om te weten dat knollen maar beperkt houdbaar zijn. Bij een langdurige opslag raakt

het zetmeelgehalte versuikerd en daalt dus sterk. Het zetmeel moet daarom snel worden vrijgemaakt. Om toch over het hele jaar

beschikking te hebben over zetmeel, kan er zetmeelpoeder worden gemaakt. In knollen zit het zetmeel in de diep gelegen planten-

cellen opgesloten en zijn omgeven door vruchtwater. De celwanden bestaan uit zeer fijne maar taaie vezels. 

 

Bij het maken van lijm worden de knollen eerst gewassen, waarna ze worden geraspt. Door dit raspen ontstaat een brijachtige

massa. Dit zeven, waardoor er meelwater overblijft. Het geheel even laten koken en het lijm is klaar.

Bij het maken van zetmeelpoeder geldt hetzelfde als bovenstaande, maar met het verschil dat het geheel een tijdje wordt apart

gezet en niet gekookt. Hierdoor krijgt het zetmeel de gelegenheid om zich op de bodem van de kom te verzamelen. Door het

bovenste water telkens eraf te gieten, ontstaat er een stevige massa van overgebleven zetmeel. Het proces herhalen totdat er geen

water meer aanwezig is. Daarna het overgebleven zetmeel drogen. Na het drogen wordt het zetmeel tot poeder gemalen, gezeefd

en kan het opgeslagen worden. Als de poeder weer wordt opgelost in (heet) water ontstaat lijm.

 

Om lijm op basis van graan te maken, wordt het graan tot bloem gemalen. Dit bloem is van nature niet koud oplosbaar. Wel

neemt het veel water op waardoor een dikke pap ontstaat. Om hiervan een plaksel te krijgen moet het met kokend water worden

aangemaakt. Het mengsel wordt dan steeds dunner totdat er plotseling een verdikking optreedt. Deze verdikking ontstaat doordat

door de toevoeging van kokend water de zetmeeldeeltjes opzwellen en openbarsten.

De volgende planten hebben delen om als lijm te gebruiken:

 

Heemst (Atlheae officinalis)      Kook de wortel totdat een dikke siroop ontstaat, deze siroop wordt dan gebruikt als lijm. 

Wilde hyacint (H. nonscripta)  De sap in de knol en stengel vormt een lijm. Snij de knol of stengel open en voeg de sap toe aan

                                              wat er bevestigd moet worden. 

Adelaarsvaren (P. aquilinum)  Van de wortelstokken kan lijm worden gemaakt.  


Dierlijke lijm

Onder dierlijke lijm valt beender-, huiden-of vislijm. Dierlijke lijm was de eerste soort lijm en bestaat uit dierlijke gelatine.

De gelatine wordt gewonnen door huiden en beenderen langdurig te laten trekken in heet water. Net zoals bij het trekken van een

bouillon lossen de oplosbare bestanddelen op. Vervolgens wordt het resultaat ingedikt.

 

Hars, houtskool en vet

Door een mengsel van hars, houtskool en vet boven een vuur op te warmen, totdat het vet en hars gesmolten is, ontstaat een sterke

lijmsoort.

 

Houtteer
Houtteer wordt verkregen door het (droog) verhitten van hout. Hiervoor moet het hout in een afgesloten ruimte worden verhit, waarbij
vluchtige gassen ontstaan die door afkoeling condenseren. Het gedeelte van het hout dat na deze bewerking achterblijft is houtskool.
Houtteer bedraagt ongeveer 1/8 van de hoeveelheid hout waaruit ze wordt gewonnen. 

 

Werkwijze

Er zijn 2 technieken om houtteer te maken, namelijk de directe verhitting van het
hout.
Dit is een heel eenvoudige methode die echter wel wat meer hout kost. Plaats
stukken hout in een cirkelvormige kuil en dek het
met mos en graszoden af. 

 

Om hout te besparen is er de volgende methode van indirecte verhitting.
Hiervoor moeten twee potten op elkaar worden gestapeld. De onderste pot wordt

ingegraven. Hier boven op komt een andere pot te staan waarin in de bodem wat

gaten zijn gemaakt. In deze pot komt het hout. De pot moet aan de bovenkant

goed worden afgesloten. Ook moet een goede afsluiting tussen de potten worden

gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld met leem of een klei/zand mengsel. Stook aan de

buitenkant van de buitenste pot een vuurtje. Hierbij moet de temperatuur van ong.

700 graden voor tenminste zo'n 3 uur worden bereikt. Bij 700 graden begint de

droge distillatie. De gassen condenseren in de koude onderste pot als houtteer.

 

Geschikte houtsoorten

Hoewel in principe teer van verschillende houtsoorten (berk, ceder) gewonnen kan

worden, is het gebruik van harsrijk pijnbomenhout (Pinus Sylvestrus) het meest

geschikt. Door de overvloedige aanwezigheid van hars in het hout krijgt het teer nl

zijn karakteristieke kleefkracht en zorgt het voor de elasticiteit als product voor

houtconservering. 

 

Tip
Een handige manier om teer van bijvoorbeeld de handen te verwijderen is door met kleefkruid over de handen te wrijven.

     Naar boven

 

Directe

verhitting

 

 

Directe verhitting
Indirecte verhitting

Indirecte

verhitting