Voedsel bewaren

De seizoenen waren van grote invloed op wat er in de prehistorie werd gegeten. Als voedsel niet overvloedig aanwezig was
of zich tot een bepaald seizoen beperkte, was het belangrijk om ervoor te zorgen dat het lang goed bleef. Een manier om
voedsel, zoals appels en knolgewassen, voor een lange tijd te bewaren was door ze met esdoorn- of brandnetelbladeren

in te pakken. Een andere mogelijkheid om het bederf van voedsel tegen te gaan was door het op koele plaatsen te bewaren,

maar dit werkte alleen op korte termijn. Daarom moesten er andere methoden ontwikkeld worden om voedsel gedurende een

lange tijd tegen bederf te beschermen. De mensen in de prehistorie begonnen hun voedsel te bewaren door het te drogen,

te roken of te zouten.

 

Voedsel moest ook zo bewaard worden dat ze niet direct aan zonlicht, grote hitte of vochtige omstandigheden werden
blootgesteld en evenmin werd beschadigd of opgegeten door dieren.
Daarom was het belangrijk dat het voedsel zo goed mogelijk
lucht- en waterdicht werden verpakt of in opbergdozen werden gedaan, zoals dozen van bast.

 

Drogen

Roken

Zouten