“De mens heeft het vuur niet uitgevonden, hij heeft het alleen zelf leren maken en gebruiken”
Het beheersen van vuur is een van de belangrijkste ontdekkingen van de vroege mens geweest. Vuur ligt aan de basis van
vele technieken o.a. het bereiden van voedsel (koken, bakken, drogen, het winnen van zout), het geven van licht en warmte en
het bewerken van materialen, zoals hout, leer en klei. Vuur kunnen maken, gebruiken en bewaren is dus altijd al van bijzonder
belang voor de menselijke ontwikkeling geweest.
Om vuur te krijgen en te behouden zijn er drie dingen nodig: brandstof, lucht en warmte. Wanneer een vuur wordt aangestoken,
moet er altijd gezorgd worden voor voldoende ventilatie (wind), genoeg brandstof en een bron die heet genoeg is om de brandstof
aan te steken. Door gebruik te maken van wind kan vuur tot een hoge temperatuur worden opgevoerd en verbrandt het brandstof
sneller, maar door de ventilatie te verminderen, brandt het vuur minder hard en gaan de kooltjes gloeien waarbij minder materiaal
wordt opgebrand.
Als het vuur eenmaal brandt, maar er is veel rook, dan kan blazen helpen. Er is dan vaak tekort aan zuurstof, bijvoorbeeld doordat
het hout te dicht op elkaar is gestapeld. Een andere oorzaak van rook kan een teveel aan vochtig hout zijn. Door teveel vochtig
hout op een vuur te leggen, koelt het vuur te veel af, waardoor het onder de ontbrandingstemperatuur van 390 °C kan komen.
Wat ook van invloed is op vuur is het soort hout dat wordt gebruikt. De bepalende factor is de hardheid van het hout. Harder hout
brand langzamer en daardoor langer. Een voorbeeld hiervan is eikenhout. Naald- of berkenhout (allebei zachthout) zorgen weer voor
een ‘snellere’ vuur.
Voor het maken van een vuur moet er allereerst voor voldoende tondel, aanmaakhout en stookhout worden gezorgd. Daarnaast
moet een vuurplaats ofwel haard in orde worden gemaakt, zodat er een plaats is om een vuur te kunnen maken.
Brandstof Vuur maken Soorten vuur