Jagen
Intro jacht

In de ontwikkeling van de mens is een lange periode geweest waarin hij slechts

verzamelaar was. Hij was voor zijn voedsel afhankelijk van wat hij vond tijdens

zijn rondzwervingen en met het verzamelen van voedsel, op deze wijze was

het grootste deel van zijn leven gevuld. Later werd hij ook jager, wat inhield dat

hij zelf actie ondernam om voedsel, in de vorm van eiwitrijk vlees, te bemachtigen.

Door op pad te gaan voor het verzamelen van eetbare planten en het jagen op

wilde dieren zorgden zij elke dag weer voor voldoende voedsel. Jagen in de pre-

historische periodes vereiste speciale vaardigheden, kennis van het land en

de dieren en de creativiteit om de jacht te plannen en uit te voeren. De kwets-

baarheid van de mens stimuleerde de ontwikkeling van de samenwerkingsgeest

en het verstand. Hieruit volgde een verfijnde evolutie over jachtmethoden en jacht-

wapens.

 

Er werden verschillende jachtmethodes gebruikt, zoals:

Jacht voor de voet   Een kleine jacht voor doorgaans één of enkele personen. De jager liep, al dan niet met een hond, door

                                het jachtveld en bejaagde daar het wild.

 

Waterwild                Watervogels werden vanaf een boot, een eendenkooi of vanaf een bedekte omgeving op de grond bejaagd.

 

Jacht in aanzit         De jager liep niet door het veld maar bleef lange tijd op dezelfde plek om het dier voor schot te krijgen.

                                Dit vond meestal plaats op de jacht bij zwartwild (wilde zwijnen) maar ook bij herten en reeën.

 

Drukjacht                 Eén jager jaagde het wild op, waarna een tweede jager het wild bejaagde.

 

Drijfjacht                  De drijfjacht vond plaats met meer jagers. De dieren werden uit een bepaald gebied gedreven en 'opgewacht'

                                door jagers of bij groter wild naar afgronden gedreven.

 

Jacht voor de voet

Een jager te voet ging zo rustig mogelijk te werk om niet gezien of gehoord te worden en zorgde dat hij tegen de wind in jaagde

of hooguit dwars op de wind om niet geroken of te worden. Ook zorgde dit ervoor dat de door de jager veroorzaakte geluid van

het dier af gaan. Daarbij liep hij langzaam en hij lette onophoudelijk op zijn omgeving. Een jager maakte daarbij goed gebruik

van zijn zintuigen; hij stopte regelmatig om te kijken, te luisteren en te ruiken. Hij wisselde net als dieren bij het bekijken van

zijn omgeving van het breed kijken naar het gefocust kijken. Door breed te kijken was een jager en ook een dier zich bewust van

beweging, waarna er gericht gekeken kan worden naar de veroorzaker van de beweging om zo allerlei details waar te nemen.

Schaduw, beweging, geluid of alles wat er in de natuur afwijkt trekt namelijk de aandacht. In een omgeving met bomen en

struiken keek een jager niet gericht naar een boom of struik, maar keek meer tussen de ruimtes van de takken door. Hierdoor

was een dier veel sneller zichtbaar. Een mens kan in tegenstelling tot een dier, die zijn oren kan bewegen, slecht gericht horen.

Door de handen achter de oren te houden, met de duimen omhoog, en ellebogen naar buiten gericht, kan een mens al gerichter

horen.

 

Jachtwapens

In de ontwikkeling van de mens is een lange periode geweest waarin hij slechts verzamelaar was. Hij was voor zijn voedsel

afhankelijk van wat hij vond tijdens zijn rondzwervingen en met het verzamelen van voedsel, op deze wijze was het grootste

deel van zijn leven gevuld. Later werd hij ook jager, wat inhield dat hij zelf actie ondernam om voedsel, in de vorm van eiwitrijk

vlees, te bemachtigen. Door op pad te gaan voor het verzamelen van eetbare planten en het jagen op wilde dieren zorgden

zij elke dag weer voor voldoende voedsel. Jagen in de prehistorische periodes vereiste speciale vaardigheden, kennis van

het land en de dieren en de creativiteit om de jacht te plannen en uit te voeren. De kwetsbaarheid van de mens stimuleerde

de ontwikkeling van de samenwerkingsgeest en het verstand. Hieruit volgde een verfijnde evolutie over jachtmethoden en jacht-

wapens.

 

                             pijl en boog                         speerwerper                       werpstok        

 

                             slinger                                  blaaspijp                              lokvogels  

 

 

Het voornaamste jachtwapen was eerst de speer, een lange rechte stok, aan de voorzijde voorzien van een scherpe stenen

punt. De speer werd met kracht door de jager geworpen, hetgeen vaak effectief was. Hieruit kwam de ontwikkeling van de

speerwerper. Een speerwerper leverde als verlengde van de arm nog meer werpkracht en dus effect. Door de speerwerper en

de kleinere speren werd het mogelijk om een grote afstand te overtreffen en werd de penetratie groter. De effectieve jaag-

afstand met een speerwerper lag rond de 30 meter.

 

Maar dit veranderde met de komst van de pijl en boog, want de boog was efficiënter dan een speer en ook de minder sterke

mensen konden nu overleven en waren niet meer afhankelijk van de sterkere mensen. De pijl en boog won steeds meer terrein

op de speer. Tijdens een jacht konden prooidieren op een afstand van 75 meter mee worden gedood. Een ander voordeel van

pijl en boog was dat een jager zich niet bloot hoefde te geven. Bij het speerwerpen heeft een jager ruimte nodig om de speer

te kunnen werpen.

 

Na de ontwikkeling van de mens tot landbouwer/veehouder kreeg de jacht een andere betekenis. Was jagen naast het

verzamelen eerst alleen bedoeld om voedsel te verkrijgen, nu werd de jacht een belangrijk middel om de eigendommen te

beschermen. Roofdieren die zijn vee belaagden, werden bejaagd evenals de plantenetende dieren die het op de oogst hadden

voorzien.

 

Voortbeweging 

Naast het langzaam lopen moest een jager zich ook stil kunnen voortbewegen. Hij plaatste daarvoor

zijn voet eerst licht op de buitenrand ter hoogte van het bolvormige gedeelte (bal). Hij liet dan zijn

voet in een rollende beweging overgaan op de bal, zodat zijn hele voet vlak lag, maar alleen op de bal

rust. Daarna werd pas het gewicht op de hele voet geplaatst. Door zich op deze manier voort te

bewegen voelde de jager het oppervlakte van de grond en drukte met weinig geluid bladeren, takken

enz geleidelijk samen. Om tijdens het bewegen in balans te blijven, boog een jager goed door de

knieën.

 

Om wat sneller, maar wel stil, te lopen hield de jager zijn lichaam recht boven zijn heupen. Hij plaat-

ste daarbij zijn voet weer licht op de buitenkant ter hoogte van het bolvormige gedeelte, liet dan zijn

voet in een rollende beweging overgaan op de bal, maar hield de hak van de grond. Het gewicht werd

dan op de bal van de voet geplaatst. De hak werd alleen voor tijdelijke balans (licht) op de grond

gezet. Door zich op deze manier voort te bewegen was het voor de jager makkelijk om te bukken,

te staan, te draaien en zijwaarts te bewegen.

 

Om op wild te kunnen jagen moest een jager zo dicht mogelijk bij zijn prooi sluipen zonder zijn

aanwezigheid te verraden. Daarbij moest hij zo min mogelijk met zijn lichaam bewegen om zich niet

te verraden en zich ook zeer langzaam voort te bewegen (60 tellen per stap). Bij het besluipen van

een dier gebruikte de jager de beschutting van struiken en indien noodzakelijk verplaatste hij zich

op zijn handen en knieën. In lange gras ging een jager op zijn buik liggen en trok zich naar voren met zijn ellebogen. Bij het

besluipen van zijn prooi zorgde een jager ervoor dat hij niet rechtstreeks naar een dier keek, omdat dieren goed aanvoelen

wanneer er naar hun gekeken wordt. Dit zou dan onrust veroorzaken, waardoor het besluipen van een dier moeilijker werd.

 

Een jager zorgde ervoor om met een beweging mee te ademen. Indien hij (onbewust) de adem zou inhouden, kon dit voor

onnodige spierspanning zorgen wat kon resulteren in het hijgend loslaten van de adem bij opschrikken of per ongeluk uit

balans raken. Dit zou dan een prooi kunnen alarmeren. Om een beweging vloeiend te laten verlopen, maakte een jager

gebruik van alle gewrichten. Bij het overbrengen van zijn gewicht van het ene been naar de andere zorgde hij ervoor dat hij

het gewicht en balans op de staande been was, terwijl hij de andere been in positie bracht om daar het gewicht geleidelijk

aan over te dragen. 

 

Een jager pauzeerde regelmatig en bleef op de plek staan wanneer er het vermoeden was dat er per ongeluk teveel lawaai 

was gemaakt. Daarbij luisterde hij dan naar signalen, zoals beweging of het onmiddellijk stil vallen van het achtergrond-

geluid. Door een stuk lager door de knieën zorgde hij ervoor dat het lichamelijk zich ontspande, waarbij hij diep inademde

en geleidelijk de lucht uitblaasde zodat hij zich nog meer kon ontspannen. Daarnaast maakte een jager gebruik van geluiden,

zoals de wind, een vogel of de beweging van kleine dieren, om zo zijn eigen geluid te overstelpen. 

 

Als een jager door een gebied liep met dicht struikgewas moest hij soms onder of tussen takken door lopen. Om zo stil

mogelijk te zijn trok hij dan voorzichtig takken over zich heen of gebruikte zijn handen om takken opzij te duwen, maar

zorgde er wel voor de takken zich rustig weer achter hem aaneensloten. Wanneer de jager tussen jonge bomen door moest

lopen, ging hij langzaam lopen en imiteerde daarbij de beweging van de wind.

 

Jachtmoment

Een jager koos bewust het moment om op jacht te gaan om zo zijn kans op een succesvolle jacht te vergroten. Hij jaagde

daarom met voorkeur bij het eerste licht, wanneer de kans groot was dat er meer wild te zien was. Dieren zijn ook in de

avond actief, maar het licht wordt dan snel minder waardoor een jager zeker moest zijn van het terrein en van het feit dat

hij zijn kampplek weer kon vinden. Indien een jager toch ’s avonds ging jagen, ging hij minstens een uur voor de schemer 

erop uit, zodat zijn ogen gewend raakten aan het minder wordende licht en hij zijn nachtvisie kon ontwikkelen.

 

Wanneer een jager in een heuvelachtig gebied jaagde en er overdag op uittrok, probeerde hij ’s morgens heuvelopwaarts

te gaan en in de middag naar het kamp terug te keren. Sporen van dieren zijn namelijk gemakkelijker te lezen wanneer een

persoon een heuvel op gaat. Een andere reden was dat thermische stromingen door de hitte van de dag sterker worden

en dan geuren omhoog voeren en wanneer de jager afdaalde ging zijn geur van de prooi af. Daarnaast vergden na een dag

jagen en vergaren van voedsel de afdaling minder energie dan een opwaartse klim.

 

Maskering

Dieren hebben goed ontwikkelde zintuigen, maar bij sommige dieren hebben zich bepaalde zintuigen beter ontwikkeld.

Grazers hebben bijvoorbeeld vooral een goede zicht- en gehoorontwikkeling ontwikkeld, zodat zij een roofdier kunnen herken-

nen. De meeste grazers hebben, wanneer ze zich verplaatsen, een voorkeur om de wind in hun gzicht te houden, zodat ze

het gevaar voor hen kunnen ruiken. Als dieren de geur van een mens oppikken zullen ze die plek vermijden. Het verwijderen

van de eigen lichaamsgeur is moeilijk, maar de geur kan wel worden gemaskeerd door een sterkere geur. Een jager gebruikte

daarvoor waarschijnlijk de volgende hulpmiddelen, namelijk:

 

 rook. De geur van rook is gewoon in bossen. Dieren zijn alleen bang indien ze rook of vuur zien.

het inwrijven met modder en/of houtas

het gebruiken van geurige planten. Deze werden fijngestampt en over het lichaam gewreven, m.n. op de sterke geurge-

  bieden, zoals de keel, armen, oksels en de kruis. Ook gebruikten ze planten om een sterke thee te zetten en daar hun 

  lichaam mee in te smeren. Ze gebruikten daarvoor alleen lokale planten.

Ontspanning. Dieren kunnen de door spanningen veroorzaakte geur waarnemen.

 

     Naar boven

 

 

Jagen
Jagen
Jagen
Jagen
Jagen
Jagen
Sluipen