Dierensporen

In veel landschappen zijn speciale ‘eilandjes’ waar veel diersoorten worden
gevonden. Een manier om de beste eilandjes te vinden is door te zoeken naar
planteneters. Op plaatsen waar planteneters zijn zullen roofdieren volgen.
De gebieden tussen deze eilandjes dienen als een gebied waar dieren doorheen
trekken. Planteneters hebben beschutting nodig in de vorm van planten, rotsen
en/of kreupelhout om zich te kunnen verstoppen of in te kunnen ontsnappen.
Daarnaast hebben ze een grote variatie aan planten nodig. Een gebied voorzien
van verschillende soorten planten die in verschillende periodes groeien zorgt voor
een aanhoudende voedselvoorraad, zodat een planteneters er veilig kunnen blijven.
Een waterbron is voor planteneters niet essentieel, omdat veel planteneters hun
vocht verkrijgen van dauw en de planten die ze eten.
Dierensporen zijn aanwijzingen die dieren achterlaten. Naast de bevestiging van de aanwezigheid van een diersoort geven
ze informatie over de leefgewoontes van het dier, zoals terreingebruik, voedselvergaring en schuil- en woonplaatsen.
Veel in het wild levende dieren worden niet of nauwelijks gezien, omdat het vaak schuwe dieren betreft en/of alleen ’s nachts
actief zijn. Over het hele jaar zijn er loopsporen te vinden, maar de periodes met de grootste variaties zijn in de lente, zomer
en vroege herfst. Later in de herfstperiode zijn er minder loopsporen te vinden, omdat dan de ondergrond door bladeren is
bedekt en in de winterperiode zijn veel dieren minder actief, houden sommige dieren een winterslaap en doordat de bodem
is bevroren blijven er geen prenten achter.
Met name gewervelde dieren laten verschillende sporen achter in de vorm van:
♦ prenten
♦ haren en veren
♦ wroet- en krabsporen
♦ vraat- en piksporen
♦ voedselresten
Dieren laten geurvlaggen achter, maar die zijn voor een mens niet of moeilijk waar te nemen. Veel soorten bij de marterachtigen
hebben (vaak) sterke anale klieren, waardoor geursporen zeer lang aanwezig blijven. Urine zakt gewoonlijk weg in de bodem en
alleen verse urinesporen of urinesporen in de sneeuw zijn goed waar te nemen.
Dierensporen kunnen worden gevonden op foerageerplaatsen en bij schuil- en woonplaatsen, zoals nesten, rustplaatsen,
legers, en holen. Wilde dieren maken gebruik van gebaande paden ofwel wissels. Soms worden deze door één bepaald dier
gebruikt of door meerdere dieren of diersoorten.
Sommige dieren gebruiken uitwerpselen om hun territorium af te bakenen. Dikwijls worden deze op een natuurlijke verhoging,
zoals een kei, graspol, molshoop, houtstapels, liggende of schuinstaande boomstammen geplaatst.
Bomen worden door dieren op verschillende manieren gebruikt. Dassen, zowel jonge als volwassen dieren, gebruiken liggende
of schuinstaande boomstammen om op te spelen ofwel als speelbomen. Ook jonge vossen gebruiken zo nu en dan speelbomen.
Er zijn dieren die een boom gebruiken om zichzelf te schuren (edelhert en wilde zwijn), als krabboom (das, otter) of als
veegbomen voor hun gewei (edelhert, ree en eland). Naast vogels verblijven soms ook zoogdieren in boomholtes en nesten.
Een aanwijzing vormt de nagelkrassen op de stam als gevolg van het klimmen en dalen van dieren, zoals van marters, een das,
wasbeer of eekhoorns, maar ook de uitwerpselen aan de voet van of in de boom (boommarter). Nesten van eekhoorns bevinden
zich vaak dicht bij de stam. In de herfst- en winterperiode gebruiken muizen vaak vogelnestjes of -kastjes.
Voor sommige dieren vormen groenstroken en rietzomen langs rivieren, beken en plassen een goede schuil- en voedselplaats.
Hetzelfde geldt voor takkenbossen met voldoende begroeiing, houtstapels en liggende of schuinstaande boomstammen. Dichte
bossen en open velden zijn voor sommige planteneters ongeschikt. In dichte bossen is er maar een lichte ondergroei en geeft
daardoor slechte beschutting. Daarnaast is de vegetatie niet gevarieerd. Er zijn voornamelijk wasberen, vogels en konijnen te
vinden, maar verder weinig andere grote diersoorten. In de open velden bieden alleen de zijkanten enige bescherming. Dit vormen
goede jachtgebieden voor o.a. valken en uilen. Overgangsgebieden, zoals bosranden, bermen en oevers, zijn uitstekende plekken
om dieren te vinden. Ze bieden een brede variatie aan planten en beschutting.
Sommige dieren zijn niet het hele jaar actief of blijven maar voor een bepaalde periode. Reptielen en amfibieën houden, net als
sommige zoogdieren, een winterslaap. Sommige vogelsoorten blijven slechts een bepaalde periode. Vogels zijn onder te verdelen
in standvogels, deeltrekkers en trekvogels. Vogels zoals de boerenzwaluw en de huiszwaluw zijn echte trekvogels en trekken
uit hun broedgebied weg om op geruime afstand daarvan te overwinteren. Vogels zoals de korhoen, fazant, ekster, gaai en havik
zijn standvogels en blijven in of zeer dicht bij hun broedgebied om te overwinteren. Zij zijn in staat om ondanks slechte omstandig-
heden, zoals voedselgebrek, te blijven. Daartussen zitten deeltrekkers zoals het roodborstje, grauwe gans, spreeuw enblauwe reiger,
waarvan sommigen uit het broedgebied wegtrekken, terwijl anderen blijven overwinteren. De vogels die weggaan zijn vooral de vrouw-
tjes en jonge exemplaren, terwijl de blijvers mannetjes zijn.