Het is niet bekend of de jager-verzamelaars gebruik maakten van vallen en strikken. Het is echter een gemakkelijke
manier om met name kleine dieren te vangen, want het vergt minder vaardigheden en minder tijd. Bij het zetten van vallen en
strikken speelt echter niet alleen de kennis van de werking en constructie van een bepaalde val of strik, maar ook een kennis
van de gewoontes van een dier. Deze kennis kan verkregen worden door observatie van zijn bewegingen, zijn eetgewoontes
en zijn sporen. Dieren met gespleten hoeven zijn grazers. Dieren die een spoor van een duim of zelfs twee duimen achterlaten
zijn boomklimmers en bij dieren die holen graven zijn de graafklauwen heel duidelijk te zien. Hetzelfde geldt dat alle dieren die
kussenachtige sporen achterlaten carnivoren zijn. Hetzelfde principe gaat op bij het lezen van vogelsporen. Vogels die hippen
zijn over het algemeen insecteneters, sporen van lopende vogels geven aan dat het graan-, insect- of vleeseters zijn.
Vallen en strikken worden op plekken waar een dier of dieren langs komen. Er zijn echter geen vallen of strikken die bruikbaar
zijn bij alle dieren en daarom moet vastgesteld worden, welke dieren in een gebied zitten en de vallen en strikken daarop
afstemmen. Daarbij moet op de volgende punten worden gelet:
Haren en veren
Vraat- en piksporen
Nesten, legers, rustplaatsen en holen
Drink- en foerageerplaatsen.
Waterbronnen en de overgangsgebieden, zoals tussen bos en veld of veld gaat over
in een beek, vormen de beste plaatsen om te verkennen. In overgangsgebieden zitten de
meeste herbivoren en waar zij zitten ook carnivoren. Zodra zo’n gebied is gevonden kan
getest worden welke plaatselijke lokaas dieren aantrekt, want een val of strik voorzien
van lokaas vergroot de kans op het vangen van een dier, en tevens kan er getest worden
welke plaatselijke dieren er zijn door in de namiddag op zand een aantal staken te
plaatsen met daaraan verschillende soorten lokaas. Dieren zullen in de avond, nacht en
de volgende ochtend sporen achterlaten. De sporen vertellen welke dieren het lokaas
hebben genomen en welke lokaas ze hebben gegeten. Over algemeen zullen boom-
klimmende dieren vruchten pakken, dieren die graven wortels en insecten, vleeseters
vlees en grazers nemen vaak planten.
De winterperiode is de beste en makkelijkste tijd om dieren met aas te lokken omdat dieren, zoals konijnen en herten, voor
de knoppen van struiken en bomen gaan. Ze eten dan tot de uiterste hoogte die ze kunnen bereiken, de laveihoogte of vreet-
hoogte. Om een val of strik van lokaas te voorzien, moet er boven de vreethoogte de knoppen worden verzameld. Deze werkwijze
gaat in principe ook op voor het plaatsen van een aassoort in de andere seizoenen door na te gaan welke plant of planten in het
gebied totaal zijn opgegeten en welke niet. De favoriete planten worden het eerst gegeten. Door deze planten ergens anders te
verzamelen kunnen ze als lokaas worden gebruikt. Bij lokaas is het belangrijk dat de dieren het kennen.

De hoge ontwikkeling van bepaalde zintuigorganen geeft bij dieren de mate aan waarop een dier
afhankelijk is van die zintuigen. Dieren met grote oren hebben een scherpzinnig gehoor en dieren
met een opvallend nasale ontwikkeling hebben een scherpe alertheid ten aanzien van ruiken.
De ontwikkeling van zintuigenorganen is niet louter een kwestie van orgaangrootte. De oog van
een buizerd is niet zo groot als van een wolf, maar de ontwikkeling van de buizerdoog overtreft sterk
de ontwikkeling van de wolfsoog. De buizerdoog heeft een veel grotere aanpassingsvermogen tot
verschillende lichtcondities en is gevoelig voor kleur. Aangezien grootte geen maatstaf is voor de
ontwikkeling van een zintuigorgaan moet worden nagegaan welke zintuigorganen het sterkst bij een
dier is ontwikkeld. Over het algemeen zegt de eetgewoontes van een dier al veel.
Alle gravende dieren moeten een sterke zintuigontwikkeling hebben, zodat het voor hun mogelijk
is om voedsel te vinden dat in de grond verborgen zit. Bij vleeseters moet de zintuigontwikkeling het mogelijk maken dat zij
hun (verstopte) voedsel kunnen vinden en besluipen. Bij een wolf is de neus het hoogst ontwikkeld en daardoor belangrijkste
orgaan, daarop volgend komt het gehoor en dan zicht. Alle grazers moeten een goede zintuigontwikkeling hebben die het
mogelijk maakt om hun voedsel te selecteren en ook om ze te waarschuwen voor een naderende roofdier. Hiervoor hebben
ze vooral een goede zicht- en gehoorontwikkeling nodig om een roofdier te herkennen en om te zien welke ontsnappings-
route het beste is. Alle zoogdieren vertrouwen in een verschillende mate op hun reuk.
Als de geur van een mens op of rond een val achterblijft wordt een dier gewaarschuwd voor gevaar en zal de plek vermijden.
Het verwijderen van een geur is moeilijk, maar de geur kan worden gemaskeerd door het gebruik van een sterkere geur.
(Soms is het tevens een geur wat ook weer een dier kan aantrekken.) Bijvoorbeeld door bij het werken aan of plaatsen van
een val de handen in te smeren met:
· een sterk aromatische plant, zoals munt en look,
· dierenuitwerpselen,
· modder, vooral uit een gebied met rottende vegetatie,
· de inhoud van een gal- of urineblaas
Dieren zijn bekend met de geur van verbrandde vegetatie en rook, maar worden alleen gealarmeerd wanneer er echt een vuur
brandt. Daarom zal het roken van de onderdelen effectief werken bij het maskeren van de eigen geur. De geur kan ook worden
gemaskeerd door de onderdelen een aantal dagen bloot te stellen aan weer en wind.
Vallen zijn niet effectief, tenzij ze goed geplaatst zijn en, indien van toepassing, van goed lokaas zijn voorzien. Zet een val niet
te dicht bij de hol of het leger van een dier en niet te dicht bij een drinkplaats, want een dier is op die plekken extra alert. Indien
een dier onraad vermoedt of iets ongewoons opmerkt zal het voor een andere route kiezen. Het verbergen van een val of strik
verhoogd de kans op het vangen van een dier o.a. door het neutraal te maken door het schors op het trekkermechanisme te laten
en modder op elke afgesneden oppervlakte te smeren. Het voorkomt dat een dier in een bepaald gebied door een verstoring wordt
gealarmeerd, waardoor een dier een val of strik kan vermijden. Daarbij helpt het om de verschillende onderdelen van een val of strik
ver van de plek voor te bereiden, naar de plek toe te brengen en dan op te zetten. Hierdoor wordt vermeden dat er verstoring
ontstaat in de lokale vegetatie. Gebruik voor de onderdelen geen verse planten, want dieren kunnen hiervan het sap goed ruiken
en geldt als een alarmsignaal voor dieren.
Vallen en strikken die op de wissels worden geplaatst moeten worden gekanaliseerd.
Om een kanaal te bouwen moet er een trechtervormige barrière worden gemaakt die
van de buitenkant naar de val of strik toe loopt met de smalste stuk dicht bij de val of
strik. Het kanaliseren moet onopvallend gebeuren om te voorkomen dat een dier
wordt gealarmeerd. Als een dier bij de val of strik uitkomt, kan het niet links of rechts
en zal rechtdoor in de val of strik gaan. Dieren richten zich op de richting waarin ze
zich bewegen en zullen daarom niet achteruit gaan. Bij het kanaliseren hoeft er geen
onoverkomelijke barrière gemaakt te worden. Een barrière hoeft er alleen maar voor
te zorgen dat het voor een dier niet makkelijk is om er over of doorheen te gaan.
Het kanaliseren moet de breedte van de wissel versmallen tot het net breder is dan
het lichaam van het prooidier. Deze versmalling wordt net zo lang als de lengte van
het prooidier en dan pas wordt de trechter geleidelijk wijder.
Zet geen strikken op wissels die door verschillende dieren worden gebruikt.
Bij kleinere wissels die door grotere (zoog)dieren zoals ree en edelhert gebruikt
kunnen worden, kunnen voorwerpen zo worden geplaatst dat deze dieren van de strik
worden weggeleid. Dit kan bijvoorbeeld door een stam zo tegen een boom te zetten
dat bijvoorbeeld een hert er om heen moet lopen en zo een strik vermijd. Ook kan
er een stam horizontaal boven een strik worden geplaatst en wanneer een hert dit tegen komt springt het er overheen.
Er zijn twee belangrijke overwegingen in het plaatsen van een strik om een bepaalde dier te kunnen vangen, namelijk de
grootte van de lus en de afstand vanaf de onderkant van de lus tot de grond. Daarbij speelt de grootte van een dier een rol m.n.
de hoogte en grootte van de kop ten opzichte van de grond. De lus moet net groot genoeg zijn om over de kop te kunnen.
Diersoort Diameter lus (cm) Hoogte tot onderkant lus (cm) 15 tot 20 7.5 tot 10 20 20 25 5 tot 7.5 15 16 5 tot 6 2.5
Een strik bestaat uit koord met een lus, een trekker- en een veermechanisme.
Het koord kan bestaan uit touw van stengels, wortels, schors, ruwe huid of pees. Het wordt op zo’n hoogte geplaatst dat
alleen de kop van het dier er door kan. Wanner het dier doorloopt zal het de lus naar voren trekken waarop het trekkermech-
anisme en daarop het veermechanisme in werking wordt gebracht. De drukpunten van een trekkermechanisme moeten rond
zijn in plaats vierkant, zodat het makkelijker van elkaar losraakt en in de winterperiode niet zal vastvriezen. Het veermechanisme,
bijvoorbeeld een jong boompje of een tak, zorgt ervoor dat een dier met een sterke ruk wordt opgetild en onmiddellijk wordt
gedood. Tevens zorgt het ervoor dat het buiten het bereik komt van roofdieren. Er zijn verschillende strikken:
♦ losse strik
♦ strik met een veermechanisme (en lokaas)
Vallen met gewicht bestaan uit een stevige steen of stam(men) dat in een hoek is gezet en met takken op zijn plaats
wordt gehouden, waarvan er één dient als de trekker. Meestal wordt deze trekker voorzien van lokaas of wordt er lokaas in de
buurt gelegd. Wanneer een dier de trekker in beweging brengen, valt het gewicht op het dier. De 4-vormige val is een eenvoudige
val die uit materialen in de natuur kan worden gemaakt. Deze vallen bestaan uit twee categorieën, namelijk.
Daarnaast zijn er nog andere soorten vallen, zoals:
♦ speervallen. Deze vallen zijn bedoeld voor het doden van grote zoogdieren, zoals zwijnen en herten.
♦ val voor boomlevende dieren, zoals eekhoorn
Wanneer een val of strik is geplaatst, moet het elke dag één of meer keer worden gecontroleerd om te voorkomen dat de
prooi door een roofdier wordt gestolen of gaat rotten, maar vooral om de leed van een dier te verminderen mocht het wel gevangen
zijn, maar niet gedood. Daarom is het verstandig om een werpstok mee te nemen als de vallen en/of strikken worden gecontroleerd.
Een harde klap op de achterkant van de kop is voldoende.
(Er worden geen losse strikken of speervallen aangegeven. Losse strikken spreken voor zich. Speer- en boogvallen zijn te gevaarlijk.
Ze zijn bedoeld voor grotere dieren zoals herten en zwijnen. Strikken zijn in de meeste landen in Europa illegaal.)
